Permafrost

De moeder van de kleine Wladimir zei:
“Onthoud dit, dit is belangrijk!”

terwijl ze wees naar de afdruk
van een vogelpootje in de sneeuw.

Waarom zegt een moeder zoiets
ernstigs over bijna niets?

Zag ze er een handtekening in,
een subtiel merkteken?

Was het de afdruk van een winterkoninkje,
de kleinste regerende vorst?

Doelde ze wellicht op de blijvende vergankelijkheid?
De pootafdruk die blijft als lege vorm na de dooi?

De herinneringssneeuw smolt niet in de jongen,
zijn geheugen was als permafrost.

Een witte cocon waar rups Wladimir zich in spon
om zich later als Nabokov te ontpoppen.

“van de engelen zijn wij de rupsen,” zo dichtte hij.

Creatieve verveling

Mijn jeugdleven speelde zich het meest af op straat en vooral op het ongeplaveide.
Op braakliggende grond met drijfzand opgespoten, niemandsland, sloop en bouwterreinen.
Een huissleutel had ik niet, wel lucifers, zo stond ik vaak voor een dichte deur.

Kennelijk dachten mijn ouders er niet aan om mij een sleutel te geven, ik vroeg er ook niet om. 
Waarom zou ik? 
Binnen kwam ik toch wel.
Gaandeweg leerde ik inbreken, netjes zonder sporen van braak. 
Een gesloten deur daagde mij uit, zonder sleutel binnenkomen gaf een euforisch gevoel.
Heerlijk, via de brievenbus, met een paraplu, bezemsteel of klerenhangertje.

Blind voelend naar de klink van het slot, die ik richting scharnier drukte.

Het lukte altijd, behalve als het nachtslot erop zat.
’s Avonds maar via het bovenlicht van het keukenraam.
Eerst met een bezem, later waren mijn armen lang genoeg om de klink van het raam te openen.
Was het bovenlicht dicht, dan probeerde ik de balkonroute.
Via de kozijnen het portiekdak op, het balkon van de buren over en dan kijken of onze balkondeur open was.
Buren blokkeerden in de loop der jaren een vrije doorgang, dan moest ik via de buitenkant van het hek de balkons passeren.
Kortom: thuiskomen was een groot avontuur, je was pas echt thuis als je had ingebroken.
Ik brak dus ook in als er wel iemand thuis was.
Eenmaal binnen keek ik anders naar mijn thuis, als een vreemdeling, een buitenstaander.
Vreemdheid werd mij vertrouwd.
Was ik hier verwekt of had ik gewoon ergens ingebroken?

Je zou hier ook kunnen lezen dat ik mij gigantisch verveelde in die industriële slaapstad.
Liever beklom ik de regenpijp naar het platje dan de portiektrap.
Nam ik de portiektrap, dan alleen zonder de treden te raken, lopend over de leuning.

Ik brak ook graag in voor anderen die geen sleutel bij zich hadden: vriendjes en buren.
Het werd langzaam bekend, ik werd een beetje verdacht, want wie garandeerde dat ik niet op bezit uit was?
Bezit kon mij gestolen worden, toegang verschaffen was een doel op zich geworden.

Men zegt dat het in de toekomst — dat is inmiddels nu — niet meer gaat om bezit maar om toegang tot…
Je hoeft niets meer te bezitten, alleen maar een geldig toegangsbewijs te tonen.
Of een goed nagemaakt bewijs.
Alleen daarmee kun je erbij horen en meedoen.
Gesteld dat je erbij wilt horen en wilt bijdragen.

Wie geen toegangsbewijs heeft doet er goed aan om te leren inbreken.
Lees: codes kraken.

Vluchtsimulator

de droom gaat aan de haal
ze boekt ongevraagde vluchten
naar onbekende bestemmingen
je mag immers niks missen

onmiddellijk moet je de bus halen
en je haalt hem net niet of net wel
vervolgens moet je heel snel
op een trein springen, die je net mist

dan maar gauw een taxi en ja zeg
een file richting vliegveld
iedereen droomt kennelijk weg
in dezelfde droom, dezelfde file taxi’s

het vliegtuig heeft vertraging, meldt de radio
misschien haal je hem nog net als je hard
holt over de lopende band naar de terminal
je komt niet vooruit, de terminal ligt ergens anders

je stapt nog net in, de deur sluit zich
het toestel stijgt tot grote hoogte
maar het haalt de bestemming niet, of wel?
het stort neer tussen de lakens van ontwaken

je hoofd, die zwarte doos met vluchtgegevens, vertelt:
er was geen piloot aan boord, geen passagier,
geen bestemming, geen toestel, geen scenario
de droom blijkt een vluchtsimulator

gedroom haalt het niet bij wakker zijn
liever lucide wakker liggen in deze berm
van hersenen die als grijze struikjes
het mentale zwerfvuil verzamelen

woorden zijn verpakkingsmateriaal
weggegooid na gebruik, de berm ingewaaid
klaar voor een vers droomscenario
ontwaken verklaart alles helder

Voetspraak

onze hond volgt voeten
hij volgt ze op de voet
voeten zijn de baas

sokken aan betekent uit
sokken uit is wachten
tot ze weer aan gaan

schoenen aan is uit
schoenen uit is helaas
een voorbarige gedachte

benen op de bank is afwachten
benen eraf is: zullen we dan maar
onze hond is altijd klaar

voetjes op de vloer is gaan
trap op is wachten
trap af is uit
behalve als
de baas besluit
tot later

voetenwerk is
hondenpoëzie
verse voeten
besokt
beschoend
trap af
deur door
en gaan

dat geluk
(simpel weg)
kan bestaan
uit gaan

een baas is maar
een raar
besluiteloos wezen
voor de hondenziel
die van vastberaden trouw
is gemaakt

hond blaft
de baas ontwaakt
en nu naar buiten
alleen de voeten
zijn nog naakt

je zal maar nodig moeten

Streepjescodering


een verzameling berkenvelfragmenten
liet zich vinden
verborgen in de open lucht
alsof het dringend aan het licht wilde komen

(eonen ouder dan de teksten van Nag Hammadi)

moeder Natuur schreef ze vol overgave
met die trage aandacht waarmee bomen groeien
haar handtekening is onmiskenbaar de hare
ze schreef en schrijft geschiedenis, tekens van leven

de betekenis van het lijnenspel is niet te peilen
bepaalt de lengte van het ene lijntje in verhouding tot het andere
de betekenis, zoals de streepjescode van de digitaal?

verwijzen de tekens wel, of zijn ze zelf levend DNA?
niet beschrijvenderwijs, maar levenderwijs?
evolutie als een naamloze levensvormen-taal

exegeten suggereren dat het schrift ooit is
gezongen door moeder Natuur in vogelvorm
en dat die zang een oor in het leven riep

de oorsprong van het luisteren
zoals het licht om een oog verzocht en
geur het verzoek om een neus indiende

de schrijfster schiep de lezer

Includerende ruimte


Niet weten wat je ziet geeft soms een mystieke ervaring.
Er zijn nogal wat mensen die meteen beginnen te steigeren bij het het woord ‘mystiek’.
Het betekent niets anders dan onmiddellijke beleving van eenheid.
Het ene dat overblijft in die ervaring is het feit dat je ziet.
Er is op dat moment alleen waarnemen, zonder waarnemer.

Bovenstaand kunstwerk in de Londense gallery van Saatchi stelt je voor een raadsel.
Waar kijk je naar, een spiegelgladde glasplaat die de hele ruimte naadloos vult?
Is er een ragfijn doek halverwege de ruimte gespannen, waardoor je de benedenruimte kunt bekijken?
De zuilen lijken door te lopen.
Of worden ze weerspiegeld?
Het kan geen glas zijn, dat zou bij een kleine temperatuurwisseling barsten.
Via een trapje kun je met je gezicht tot op vloerniveau afdalen.
Maar waarvoor?
Het dient geen enkel doel.

Je geeft het op en je geniet van het mysterieuze beeld, waar in feite niets getoond wordt.
Er is geen object tentoongesteld.
Is het de ruimte zelf, of is het de waarneming van die ruimte en van denkbeeldige ruimten?
Het magische van ruimte is dat het nergens ophoudt, dat het nergens niet is.
Inclusief onze binnenruimte.
Ruimte includeert alles.

Het werk dient geen enkel doel, het stelt niks voor, het heeft geen nut, geen zin, en daardoor transcendeert het de ‘gangbare’ werkelijkheid.
Dat maakt dit werk zo subtiel en subliem.

Later hoor je dat het aardolie is.
Gewoon, naadloze aardolie.
Natuurlijk, aardolie…
Het denken kan dan concluderen: ach, het is gewoon aardolie, meer niet, ik heb mij laten beetnemen.
Het denken maakt aan de lopende band dezelfde denkfout, door concepten boven de directe waarneming te stellen.
De enige remedie is ieder moment weer opnieuw zelf kijken en onderzoeken.

Het gangbare bestaat natuurlijk helemaal niet, en waar dat zo lijkt weet je dat concepten de levende ervaring overschaduwen.
Aardolie is maar één van de talloze mysteriën die ons omringen, om nog maar te zwijgen van dat ene dat wij zelf zijn.

Het woord ‘natuurlijk’ betekent inmiddels ook ‘vanzelfsprekend’.
Volstrekt onterecht, want niets spreekt vanzelf.
Wij zijn het die overal een stem aan geven, en dingen woorden in de mond leggen.
Vergeet dus deze woorden en ga kijken.

Of giet je eigen vloer eens vol aardolie.

Berkenhuid


je hebt bomen en berken
bomen zijn autonomen
berken, de minder sterken
die steun zoeken bij
het ijle maanlicht

een boom als de kastanje
heeft bast, is strak geharnast
berken dragen de last
van vliesdunne huid
onthecht vel als franje
blijvend in de rui

ze zijn schuchter & fragiel
je hoort het aan dat schilferende geluid
bij een futiel briesje
waait het iets harder
dan gaat hun zilverige stem al verloren

een berkenstem zingt zegsels,
over het en men, echt denkbeeldige legenden
men denkt in en uit, het beeldt uit en in

haar ranke stam blijft weifelend staan,
alsof zij ieder moment overweegt te vertrekken
al leunend tegen een verlichte maan

Voetjes

tien dansende voetjes
(het decimale stelsel)
maken hun digitale
rondedansje
om de nul

stijve metalen pootjes
in vloeiende beweging
cijferen zichzelf weg
voor het meer dan
de som der delen

het kan niet vaak genoeg gezegd

dat alles draait
om de nul en het benul
van onberekenbare
helderheid van geest

heel is het meest

Comfort zone

Wijnand nam de eerstvolgende tram in Amsterdam vanaf de dichtstbijzijnde halte. Het maakte niet uit op welke halte hij zou uitstappen. Wijnand wilde immers nergens heen, dus iedere tram was de meest effectieve. Zolang hij maar weg was uit deze zone. Weg van hier, hij was helemaal weg van hier. Wijnand vond het hier fantastisch, maar het kon kennelijk ook te goed bevallen.

Wijnand was net de deur uitgestapt bij zijn coach. Het was goed om eens je comfortzone te verlaten, had zijn coach gezegd terwijl hij zijn wenkbrauwen optrok. Na tien oriënterende gesprekken kwam de coach met het comfortzone-moment. De coach bewoonde een prachtig pand aan het water. Het reflecteerde mooi het reflecterende karakter van de coach.

Het pand was hypotheekvrij, een erfstuk van zijn ouders. Feitelijk had de coach zijn ouderlijk huis nooit verlaten. De enkele keren dat hij een trip naar het buitenland had ondernomen, was hij vooral blij om weer thuis te zijn en vroeg hij zich af waarom hij zichzelf zo’n reis had aangedaan.

Het kwam wel goed uit als zijn cliënten daar geen lucht van kregen, het comfortzone-concept was immers zijn core business. De laatste strohalm die hij uit de handen van de cliënt kon grissen. Zonder uitzondering gaf hij hen allemaal na tien sessies hetzelfde advies, tegen vorstelijke betaling.

De eerste sessies stonden vooral in het teken van het uithoren van de cliënt over ’the world out there’. Het levensmateriaal dat hij daarbij verzamelde, spreidde hij vervolgens tentoon bij de volgende cliënt, als een man van de wereld die overal was geweest, alles had meegemaakt. Men was onder de indruk van zoveel ervaring. De rest van de gesprekken bestond eruit met zachte hand de cliënt uit zijn comfortzone te jagen. Als de cliënt stopte, was dat voor de coach het teken dat zijn missie geslaagd was.

Hij vond het zelf opmerkelijk dat ze hem daar zo dankbaar voor waren. Wanneer ze hem weer eens tegen het lijf liepen in het vertrouwde grachtendorp, zeiden ze zo blij te zijn. Hun leven had een heel andere wending genomen.
Hoe heerlijk was het niet buitenom de comfortzone te leven. Het was wel af en toe struggelen, maar eerlijk gezegd wilden ze niet anders meer. De coach hoorde het aan en dacht er het zijne van.

Toen Wijnand drie kwartier lang in de buitenwijk had rondgedoold rond de eindhalte van de tram, begon hij zich buitengewoon oncomfortabel te voelen. Was dit het waar de coach op doelde? ’s Avonds op het tv-journaal zag hij mensen in een vluchtelingenkamp na een natuurramp. Wijnand voelde zich een door en door verwend kreng.

Het oncomfortabele gevoel bleef, alsof het hem begeleidde als een beschermengel.