Fabel van de inktvis

De inktvis schreef graag verhalen op de onderkant van de zeespiegel, schreef de inktvis.
Fabels voor alle wezens in de zee van mogelijkheden.
Ze schreef snel, omdat ze van nature begiftigd was met acht armen.
Wie de fabels wilde lezen, moest opstijgen naar het niveau van de oppervlakte.

Sommige zeedieren waren gebonden aan de bodem, zij konden niet opstijgen en moesten het hebben van horen zeggen.
De verhalen werden zo in allerlei versies verspreid, ook omdat sommige vissen niet goed konden lezen.
Ze kenden dan wel het alfabet, maar wat er tussen de regels door te lezen was, ontging hen volkomen.
Zo kwamen er fabeltjes in de wereld die niets te maken hadden met de oorspronkelijke fabel.

Krabben en schaaldieren moesten maar vertrouwen op de competentie van hun boodschappers die boven waren geweest.
De vissen konden de verhalen zelf letterlijk nalezen en de inktvis soms raadplegen.

Zo was er een sardientje dat het fijne wilde weten over de diepte.
Zij ging na het lezen van deze fabel naar de inktvis om verhaal te halen.
Ze trof hem net toen hij deze fabel aan het schrijven was en vroeg hem naar de juiste diepte.
Let goed op, zei de inktvis, ik schrijf het antwoord hierboven voor je op, dan kun je het nog eens nalezen:

Voor de bodembewoners lijkt de waterspiegel heel diep en vanaf deze oppervlakte lijkt de bodem heel diep.
Beide zijn oppervlakkige visies.
Wie precies in het midden leeft, leeft zelf in de diepste diepte en kent beide oppervlakken, bodem en spiegel.

Waar zijn die vissen dan die zo leven, komen ze hier nooit? vroeg de sardien nieuwsgierig.
Die vissen zie je maar zelden en als je ze ziet dan herken je ze niet, zo onopvallend zijn ze, antwoordde de inktvis.
Maar ze vertoeven louter in het midden, daar vloeit een golfstroom waardoor je nauwelijks hoeft te zwemmen.
Nooit komen ze hier om deze fabels te lezen, want waarom zouden ze?
Ze leven zelf al in de diepte van het midden.

De sardien bedankte de inktvis en stopte met zwemmen.
Langzaam daalde ze af.

Grazende gebeurtenissen

Het leven wandelt de loop der dingen.
Dingen lopen altijd samen
met de meest onvermijdelijke omstandigheden.
Gebeurtenissen die geduldig de wereld afgrazen
op zoek naar de meeste gunstige plekken om plaats te vinden.

Wij zijn, graag of niet, stille getuigen van die samenkomsten.
Ik zag vandaag om te beginnen bijvoorbeeld
hoe ik kort maar grondig op mijn bril ging staan
en hoe ik mij enthousiast vertilde aan een piano,
waarbij ik een rugspier verrekte.

Onttoveren deze voldongen feiten de wereld?
Dit is mijn gesprek met de dag over
wat betovering is en wat begoocheling.
De dag besluit dat ‘het gewone’ een zinsbegoocheling is
en dat — eenmaal weer ontgoocheld — ogen open gaan
voor het wonderbaarlijke dat ons kan betoveren.

Dankzij zonder bril ga je zonder ogen zien.
Die verrekte rug wijst erop hoe fijn het is om zonder pijn.
Geen enkele zintuiglijke gewaarwording
is nog altijd een zeer subtiele waarneming.
Een krachtige verwijzing naar een stille getuige.

Het zwijn en de pauw (een fabel)

Het zwijn was erg met zichzelf ingenomen.
Met plezier keek hij dagelijks in de modderpoel naar zijn massieve verschijningsvorm.
Verderop zat een prachtige maar eenzame pauw op een omgevallen boomstronk te staren in het niets.
Af en toe keek hij vanuit de hoogte neer op het badende zwijn.
De pauw was erg onzeker over zijn schoonheid, zijn staart hield hij goed verborgen.

Toen hij het zwijn zichzelf weer zag bewonderen, besloot hij hem om raad te vragen.
Hoe doe je dat zwijn, om zo mooi zelfingenomen te zijn? vroeg hij voorzichtig.
Ach, waarom niet, ik hou van mooie schoonheid! zei het zwijn.
Ik ben zo mooi als ik dik ben, vet van de modder.
Mijn huid is zo prachtig vaal en vrijwel helemaal kaal.
Geen veertje dat mijn verschijning ontsiert.
Schoonheid is een talent, een gave, zo besloot het zwijn zijn betoog.
Kun je mij helpen zo mooi te worden? vroeg de pauw.
Natuurlijk, zei het zwijn, kom maar hier, volg mij.
Sleep je staart maar door de prut dan krijg je vanzelf zelfvertrouwen.
Wentel je in het moddervocht en laat het drogen in de zon.
Dan krijg je net zo ’n fraaie grijze teint als ik, en je geurt volop naar odeur.
De onzekere pauw wist niet wat odeur was, maar volgde hoopvol het advies op.
In de late middagzon zat hij statig, trots en volkomen grijs te grijnzen.

Zie je nu hoe prachtig je bent als je je ware talent onderkent?
Ja, beaamde de pauw, ik lijk nu bijna op jou, heb je nog één goede raad?
Mmmm! peinsde het zwijn.
Je staart, spreid hem nooit uit, probeer hem om te vormen tot een krul.
En nog iets, probeer niet zo schor te krijsen, maar knor op deze wijze…
Het zwijn gaf een virtuoos voorbeeld van rochelend gesnork.

De volgende dag gebeurde er iets ondenkbaars.
Het zwijn was verliefd geworden op de modderpauw.
Hij verklaarde hem gauw te willen trouwen.
De pauw, inmiddels trots en zelfbewust, antwoordde: als je zou afvallen, dan zouden we beter bij elkaar passen.
Het zwijn was zo ver heen dat alle eetlust hem onmiddellijk verging.
Na een maand was het zwijn zo rank als een hertje met ingevallen wangen.

Na de huwelijksdag vatte het zwijn interesse op voor parels, die hij begon verzamelen.
En de pauw ontwikkelde een fijne neus voor truffels.
Onderling werden deze geruild.
Ze leefden helaas niet lang, maar wel heel gelukkig.
Liefde overwint alles, zelfs mooie schoonheid.

Fabel van de mol

De mol had zijn gelovige vrienden uitgenodigd voor een dineetje.
Op het menu stond een appel.
Om het gesprek op gang te brengen, stelde de mol
de appel voor aan zijn gasten als ‘de appel der kennis’
waar ze samen van zouden gaan eten.
Laten we eerst de vraag stellen: wat is deze aarde?

De aarde is van god, zei de mol om te beginnen.
Welnee, god is van aarde, sprak de aardworm.
Onzin, ageerde de regenwurm, god is van water.
Flauwekul, god is van hout, riep de houtworm.
Waanzin, schreeuwde de boekenwurm, god is van papier.

Hoe komen jullie daar nou bij? fluisterde de appel zacht.
Jullie moeten wel met bewijzen komen.
Het gezelschap viel stil.
God is van ruimte, sprak de appel.
De gangen in mijn lijf zijn getuige.
Ik heb god wel in de gaten, kijk zelf maar.

De wurmen en wormen gingen om de beurt bij de appel naar binnen.
Stukje bij beetje werd de appel hol gegeten.
Het bezoek was zeer voldaan over de avond.
Alleen de gastheer had nog honger, en at zijn kronkelende gasten op.
Het smaakte goddelijk.

Drie fabels


De legeraanvoerder

De haas wint oorlogen, verovert landerijen, verdedigt grondgebied.
Niet door onderdanen op te offeren in een bloedige strijd, maar door stil in zijn leger te waken over het malse groen.
Nadat hij zijn leger met jongen heeft verzorgd en zijn nazaten heeft onderwezen in hoe de hazen lopen, laat de haas zich eens in het jaar schieten door de boer.
Zo voorziet de haas zijn jongen van een vredige jeugd.

 

De luizenmelker

Koning Bladluis was trots op zijn succesvolle leven: een grote familie, uitgebreide jachtgronden.
Hij had één zoon, die kennis kreeg aan een bevallige schaamluis.
De koning was niet blij.
“Het is niet ons soort luizen, maak het uit met haar.
Zij leven in huizen, stinken en zijn niet zo mooi groen als wij.
Bovendien zijn ze nog te lui om hun kont te krabben.”
De prins maakte het uit met de schaamluis, en kwam thuis met een lieveheersbeestje.
De koning was helemaal in de wolken, zo’n charmante verschijning.
Echter, tegen de avond had het lieveheersbeestje de hele familie bladluis uitgemolken.
De koning had eeuwig spijt van zijn huwelijksadvies.

 

De gevleugelde vraagbaak

De wijze uil was gek op vragen stellen.
Zo redeneerde zij: “De rekenfout zit hem erin, dat er maar één antwoord goed gerekend wordt, terwijl alle antwoorden goed zijn als de vraag maar klopt.”
Zo kwamen hulpbehoevende dieren bij haar met hun problemen.
De uil zag hun problemen als het juiste antwoord en verzon er ter plekke een passende vraag bij.
Dan leek het probleem opeens zin en betekenis te hebben.
De dieren waren terstond tevreden met hun probleem; het loste weliswaar niets op, maar het betekende tenminste iets.
Dan was het dus allemaal niet voor niets geweest.

Mythologica van de fabel


De mens is een ark.
Geen ark van Noach, maar een ark vol fabeldieren.
Deze dieren vragen niet om gered te worden van de ondergang.
Integendeel, deze dieren redden de arkmens om niet voortijdig ten onder te gaan in de zee van mogelijkheden.
“Geschiedenis is de waarheid die tot leugen wordt, mythologie is een leugen die waar wordt,” zei Jean Cocteau.
Fabeldieren zijn mythologische betekenisdragers.

Het mensdier steekt de oceaan van het leven over.
Geboren op het veilige strand van de baarmoeder moet de mens veilig de levenszee oversteken naar het dodeneiland.
Het lichaam is zijn vaartuig, de wind van ervaren blaast in zijn zeilen.
Gaandeweg blijkt het vaartuig bevolkt met fabeldieren, dienstbaar aan de mens.
Ieder fabeldier vertegenwoordigt een aspect van de menselijke geest als een facet van een diamant.

De fabel geeft de wetmatigheden van het leven weer.
Sommigen noemen het wijsheid.
Ik spreek liever van werkelijkheden, in de praktisch zin: dat wat werkt.
Zo kan de mens zich laten leiden wanneer hij op een kruispunt van wegen staat, om de eigen koers te bepalen.
Het ironische van menselijk leven is dat het ontwijken van de dood — door omwegen naar het dodeneiland te plannen — het leven niet verder helpt.

Recht koers houden op het dodeneiland werkt het leven in de hand.
Wat overigens niet inhoudt dat je eerder zal aankomen dan wanneer je het eiland zou proberen te mijden.
Nog beter lijkt het om helemaal geen koers aan te houden: je zult moeiteloos je bestemming bereiken.
Het dodeneiland betreden is herboren worden voor wie wil aanmonsteren in een nieuwe ark.

Spirituele dood is een renaissance van de ziel.
Het idee kwijtraken dat je iets te verliezen hebt.
De ark blijft hetzelfde, de ziel is als nieuw.
Fabeldieren zingen in koor zeemansliederen om de ziel te vieren.

Zelfportret van Kamagurka


Kamagurka is een visionair kunstenaar en zoals zal blijken een verlichte geest.
Hij schildert lukraak portretten van mensachtigen.
Die publiceert hij en wacht dan af welke bestaande mensen zich erin herkennen of er door anderen in worden herkend.
De gelijkenissen zijn treffend, of de geportretteerden weten zich bekwaam aan te passen aan hun afbeelding.
Bovenstaand schilderij, te zien op de tentoonstelling Het Verlies in het Cobra Museum, toont gezichtsverlies.
Het werk kan echter ook gelezen worden als een letterlijke verbeelding van De Bovenkamer.
Je ziet de belijning van een ‘boven’-kamer met in het midden een gloeilamp die de ruimte verlicht.
De geest is zelf licht: geesteslicht.

Het wachten is nu op Kamagurka die zichzelf zal herkennen en zich aanmelden als geportretteerde.
Een ironisch portret van zijn ware wezen.
Het is een van de kenmerken van genialiteit dat de maker zelf niet de implicaties van zijn werk overziet.
Het is voor de maker te evident om er aandacht aan te schenken.
Het ware wezen mag geen naam hebben.
We kunnen lang wachten tot Kama zich meldt, een absurdist is niet gek.

Het absurdisme van Kamagurka heeft op zijn best een overeenkomst met de irrationele Koans in het Zenboeddhisme.
De mentale kortsluiting die beide vormen teweegbrengen, geeft onmiddellijk verlichting.
Denkbeeldige tegenstellingen vallen weg.
Ze vallen in het niet.

Criminologica

schrijven is een waarheid liegen
de goedkoopste wijze
van reizen naar waar dan ook…
naar onbelaste paradijzen
voordeliger dan vliegen
of kamperen op een vluchtstrook

ik betaal nooit huur
dus ik beken, ik ben
in alle opzichten crimineel
ik hou van avontuur

bijvoorbeeld hoe ik speel
met mijn leven en graag
aan denkbeeldige tralies zaag
de gevangenis is virtueel

al spelend met vuur
laat ik hier een spoor
van verbrande schepen na
het kapersschip vaart door

ik sticht branden zoals
anderen landen stichten
ik waag mijn kale hals om
gedachten te ontwrichten

mijn lijf heb ik gestolen
van een argeloos wezen
om geheim in rond te dolen
en gestolen verlangens te genezen

ik ben een dief, steel veel
uit mijn eigen portemonnee
zo steel ik van de dief die ik speel
en als je liegt, lieg dan

liefst met alle winden mee
met een stem van fluweel
totdat het gedrukt staat
het jargon bestaat uit taalpuree

je bedriegt bedriegers
van het graf tot aan hun wieg
wat nog mooier is dan liegen?
dat is liegen dat je liegt

in braafheid ben ik slecht
ik vervals documenten
net zo goed als echt
mijn vrienden zijn agenten

geweld vind ik geweldig
saai en slaapverwekkend
mijn paspoort is ongeldig
mijn held, dat is een kraai

ik ontloop mijn straf niet
wees gerust, mijn brand
wordt eeuwig uitgeblust
dit ligt in het verschiet

zie het als een beloning
van hogerhand, want
niet-zijn is mijn woning
dat mag wel in de krant

Mooi Gewoon van Duco Heist


Bovenstaande foto toont een detail van ‘Het Slakkenhuis’, ontworpen door Duco Heist van architectenburo ‘Mooi Gewoon’ (Denekamp, 2013).
‘Het Slakkenhuis’ is gerealiseerd in samenwerking met de stichting Natumorf, die zich sterk maakt voor het organisch bouwen in de periferie van de urbane regio Noord-Oost.

Heist heeft zich dit keer laten inspireren door het slakkenhuis en de menselijke gehoorgang.
Akoestisch is er zeker sprake van een bijzondere bijvangst.
Men moet welhaast schreeuwen om zich te verstaan met een medebewoner, omdat het geluid onmiddellijk wegebt in de gekromde bovenruimte.

In de omringende tuin zijn enorme sculpturen in de vorm van gehoorbeentjes geplaceerd, door een 3D-printer vervaardigd van gemalen wit marmer uit Carrara.

Uitgangspunt bij het ontwerp was het vermijden van herhaling.
Elk venster heeft dus andere afmetingen en wordt uiteraard kleiner naarmate men door de gehoorgang naar hogere verdiepingen klimt.
Een hoek van 90 graden is nergens te bekennen.
Bijzonder is ook de afwezigheid van een trap, die je toch zou verwachten in zo’n hoog gebouw.
De vloer loopt als ‘vals plat’ heel geleidelijk omhoog, analoog aan de waterpasloze vloeren van Hundertwasser in Wenen.
Daardoor kom je gaandeweg in een vertraging van de slakkegang.

Aparte kamers vond Duco een overbodige luxe.
Hij wilde een lange doorgangsruimte creëren, waarin hij buitengewoon goed geslaagd is.
Ook bijzonder is het ontbreken van een deur.
Een oor of schelp hebben evenmin een deur, aldus de bouwmeester.
Om tocht te vermijden heeft Duco de oplossing gezocht in een luchtsluis, die een pui van turbinale lucht blaast.
Bij toenadering schakelt de turbine uit.

Aan het eind van de rondleiding onthulde Duco dat hij momenteel bezig is met een nieuw project, gebaseerd op ‘de bovenkamer’.
Het wordt heel apart, men denke aan gedachtegangen, denkbeeldige ruimte, zwevend meubilair, dubbele bodems, glazen plafonds, kelderbalkons etc…

Duco Heist kwam in 1968 vanuit Gstaad naar Nederland en vroeg hier als eerste Zwitserse vluchteling asiel aan, hetgeen hem werd verleend op grond van ‘culturele xenofobie’.
Hij was in meerdere opzichten een pionier, velen zouden hem navolgen.
De eerste jaren verbouwde hij kraakpanden volgens een stijl die nu bekend staat als ruïnebouw.
Later voelde hij zich meer en meer aangetrokken tot luxueuze projecten.

Saillant detail is, dat ‘De Bovenkamer’ in zijn geboortestad Gstaad zal worden gerealiseerd, weliswaar in de periferie maar toch.
Het pand in Denekamp is nog te bezichtigen op afspraak, maximaal acht personen per rondleiding.
Er worden overigens nog bewoners voor gezocht.
(Aanmeldingen bij stichting Natumorf.)

Wit hondje in de sneeuw

de ziel is
een wit hondje
in de sneeuw

schrijven op wit
zoiets als de ziel uitlaten
soms zie je je hondje niet meer
dan valt het weg tegen de achtergrond
en duikt opeens weer op
als uit het niets

gelukkig is mijn ziel
een beetje groezelig
zo zie je nog eens
hoe het loopt

gaandeweg snuffelt de ziel
(met haar geleende neus)
aan de nagelaten lyrische vlagen
taalsporen in papieren sneeuw

een lezer loopt deze uitlating na
volgt geursporen, stap voor stap
een herkende geur is genoeg om
de mentale staart te laten kwispelen
of
met eigen nat te overschrijven