Analogie van een hek


De straat is echt, niet als foto maar als straat van steen.
Werkelijk hard en warm van de zon.

Het schaduwhek is als een gedachte, denkbeeldig.
Haar lichaam, is niets dan meetbare koelte.

Al naar gelang waar de zon staat, en of hij schijnt of niet,
verandert het zelfbeeld van het hek.

Ieder zelfbeeld is een verschijnsel van waan.
Als een maan die schijnt door geleend licht.

Onbuigzaam gietijzer ligt als donker straatbeeld ontastbaar dun te zijn.
Toegangspoort naar het tussenloze zodra het onware als onwaar is herkend.

Het hek sluit het niets buiten, houdt het niets binnen.
Tussenloos zijn.

Fabel van de Wildeman

De wereld is vol gevaren.
Toch zijn er die onschuldig en naïef op blote voeten door de wereld trekken.
Ze staan op hun goed recht om blootsvoets te leven.
Als ze een doorn in hun voet krijgen, klagen ze de overheid aan.
Die moet voor een doornvrije samenleving zorgen zodat de burger veilig over straat kan.

Als een burger zich zo gedraagt, zal zijn omgeving hem erop wijzen simpelweg schoenen te gaan dragen.
Wanneer een politicus zich zo gedraagt en zich beroept op zijn goed recht om ongeschoeid door de rozenstruiken te dansen, heet het vrijheid van meningsuiting.
De politicus eist dat de overheid de hele wereld met leer gaat bekleden.
Niemand kan hem op andere gedachten brengen.
Hij leeft op eenzame hoogte, in splendid isolation.
Volksstammen blootvoetigen volgen de gekwelde leider en eisen hun recht op.
De overheid zal — wegens te kort aan leer — verworden tot een kwekerij van doornloze rozen.

Fabel van de twee wezens

Het bankwezen zat het liefst op zijn geld, samen met het verzekeringswezen.
Ze konden het uitstekend met elkaar vinden en vulden elkaar naadloos aan.
De taken waren helder verdeeld.
De geldbank waarop ze zaten was groot, maar het bankwezen was groter dan het zitgedeelte van de bank.
Als het pluchen zitvlak niet zou groeien, dan…
Gelukkig kon je je daartegen verzekeren.

Zo op het eerste gezicht leken ze nogal wezenloze wezens, maar dat was schijn.
Waren het dan wereldvreemde wezens?
Het koppel was zeer pragmatisch in het hanteren van waangedaanten.
Samen definieerden zij de wereld, niet zo zeer als maakbaar, danwel als… afbetaalbaar.
Hun macht ontleenden zij aan hun aanhangers die alles geloofden wat zij bekokstoofden.
Deze goedgelovige aanhangers hadden uiteraard belang bij hun geloof: hun aandelen zouden blijven stijgen.
Beide wezens waren uiterst actief in het creëren van een goede economische sfeer.

Hun motto: Overvloed is mooi, maar het moet niet worden verspild.
Wij zijn het reservoir voor alles wat overvloeit, zeiden ze vaak.
Iemand moet het toch doen, de geldstroom kanaliseren.

Het verzekeringswezen maakte de bevolking bang voor de onvoorspelbare aspecten van het bestaan.
Deze schilderde hij af als levensbedreigend.
Overal kon het spook van onzekerheid opduiken.
Maar gelukkig konden mensen zich bij het verzekeringswezen tegen elk risico indekken.
Veiligheid was gewoon te koop, als je maar maandelijks de premie betaalde.
Zekerheid, op maat verkrijgbaar per strekkende meter.
Alsof het om hoogpolige vloerbedekking ging die het hele levenspad kon afdekken.

Waar totale dekking onbetaalbaar bleek, schoot het bankwezen onmiddellijk te hulp als dienstbaar bemiddelaar.
Het sloot een passende lening af, op maat van de bank.
Zekerheid op afbetaling.
Overleef nu, betaal later.
Of betaal nu en stel uw onzekerheid even uit.

De wezens leken voor elkaar gemaakt, zo gezellig naast elkaar op de bank.
Hen kon niets meer gebeuren, ze waren totaal ingedekt tegen het leven.
Als huisgenoten hadden ze wat politieke dieren geadopteerd: keurig afgerichte beestjes, zindelijk.
Nooit happen naar de baas.

Het kwam wel eens voor dat klanten klaagden dat ze zoveel premie betaalden terwijl er niets gebeurde.
Dan verklaarden ze eenstemmig dat er een preventieve werking uitgaat van een verzekeringspolis.

Fabel van de boodschapper

De boodschapper was een slecht mens, dat was algemeen bekend.
Die reputatie dankte hij aan het slechte nieuws dat hij bracht.
Toen hij op een goede dag goed nieuws kwam brengen, geloofde niemand hem meer.
Er stak vast iets achter…
Het goede nieuws pakte helemaal verkeerd uit: argwaan en wantrouwen alom.
Waarmee het bewijs voor zijn onbetrouwbaarheid weer was geleverd.
De slechte boodschapper sprak echter de waarheid, het nieuws was werkelijk heel goed.

Hij wist nu dat hij geen enkele moeite meer hoefde te doen om slecht te zijn.
Zijn reputatie stond garant voor een funeste uitwerking van wat hij ook zei.
Was het beter om helemaal geen nieuws meer over te brengen?
Geen nieuws was altijd goed nieuws?
De boodschapper leverde geen nieuws meer af.
Het werd hem niet in dank afgenomen.
Hij werd afgedankt als boodschapper.

Wie was nu de eigenaar van zijn reputatie?
De boodschapper?
Of de ontvangers van het nieuws?
Of brengt reputatie het slechtste naar boven?

Een mens kan nooit aan zijn eigen zelfbeeld voldoen.
Laat staan aan het beeld dat anderen van hem hebben.

Ook de wereld kan aan geen enkel wereldbeeld voldoen.
De kaart kan immers nooit het gebied vervangen.
Wie dat toch probeert leeft in twee dimensies en klaagt dat de wereld niet klopt.

De fabelachtige S.G.

Mijn jeugdvriend S.G. was een fanatiek perfectionist, voorbestemd tot het allerhoogste en het beste.
Van kindsbeen af groeiden we samen op in hetzelfde huis, onze verschillen maakten dat we tot elkaar werden aangetrokken.
Zijn familie was feitelijk bij ons ingetrokken, ongevraagd.
Ik noem hem hier S.G. om zijn privacy te beschermen.
Zodat zijn nabestaanden in de anonimiteit kunnen schuilen.
Zijn drang om tot het uiterste te gaan, maakte hem vatbaar voor manipulatie die hem uiteindelijk fataal werd.

De autoriteiten hadden mijn vriend wijsgemaakt dat het leven draaide om het bestijgen van een ladder en om zo snel mogelijk boven te zijn.
Ze hadden een ladder gemaakt, zó hoog dat hij naar de maan ging.
Nu was mijn kleine vriend van nature heel snel, dus ging het hem makkelijk af de ladder te beklimmen.
S.G. werd wijsgemaakt dat goed altijd nog beter kan.
Dat het snelste en het hoogste het beste is, het hoogst bereikbare.
Om nog sneller te worden, oefende hij dagelijks in een tredmolen.
Later bleek dat hij speed gebruikte.

Het klinkt alsof hij overleden is, maar niemand weet wat er met hem is gebeurd.
Het gerucht doet de ronde dat hij naar de maan ging en daar is gebleven.
Toen aan het licht kwam dat hij speed gebruikte, werd hij zwart gemaakt: men sprak er schande van.
De autoriteiten deden hem in de ban.
Zijn familie schaamde zich zo voor hem, dat ze niet aan hem herinnerd wilde worden.
Het is een triest verhaal.

Hij is veruit de beste muis die ik ooit in een fabel ben tegengekomen.
Hopelijk zien we elkaar nog eens.
In vertrouwen vertelde hij mij ooit echt te hebben geloofd dat de maan van kaas is.
Ik verwijt mijzelf nog altijd dat ik dat idiote idee niet uit zijn hoofd heb gepraat.
Als bevriende huiskat had ik dat toch op z’n minst moeten proberen.

De stroom van het spelen

Het spel spelen betekent dat je je kunt laten overwinnen,
de speelruimte neemt om je gewonnen te geven,
winnaar en verliezer kunt zijn.

Het spel is: wie laat wie winnen?
Wie alleen maar wil winnen, is een slaaf van het spel
en speelt niet meer om het spelen.

Het spel is dubbelzinnig.
Je weet nooit of iemand jou liet winnen
of jou liet verliezen.

In het samenspel gaat winnen verloren.
Dan lossen de spelers op in het spel.
Het gaat er om dat het spelen wint.

Het spel bespeelt de spelers.
Wie het meest overtuigend de rol van winnaar
of van verliezer weet te spelen, wint aan stroom.

Het mooiste spel ontstaat
als men probeert elkaar te laten winnen.
Vooral als dat niet maar niet wil lukken.

Fabel van de mier

Het miertje had geen hoop meer, geen enkele hoop.
Een woeste storm had haar hoop de grond ingeslagen en doen uiteenvallen.
Er restte een wanordelijke bende van takjes en naaldjes… een wanhoop van jewelste.
Een groepje mieren was gaan jeremiëren dat het een straf was van een klein mierengodje, omdat ze een hoop hele kleine zonden hadden begaan.
Het ene miertje vond het zonde van de tijd om zichzelf daarmee te straffen.

Hopeloos was het miertje in de puinhoop blijven zitten tot iedereen verdwenen was.
Nu heeft één klein miertje op zich weinig hoop, vanwege haar summiere afmetingen.
Maar samen met duizenden miertjes leek de hoop tenminste nog wat voor te stellen.
Waar ze al die tijd feitelijk op hadden gehoopt, wist ze niet zo goed.
Nu was de vraag: is er nog leven na de hoop?

Het was een vage hoop geweest op verbetering, hoop op verandering, hoop op vermeerdering en misschien wel hoop op vereeuwiging.
Maar wat moest je met beter als het in feite nu al goed was, en wat met verandering als het al werkt?
Wat moet je met nog meer als je al genoeg hebt?

Na een paar hopeloze dagen was het miertje eigenlijk wel opgelucht om niet meer te hoeven hopen op iets vaags van buitenaf…
Ze hoefde niets meer te verwachten, niet meer te wachten op iets wat misschien toch nooit zou komen.
Hoop leek nog het meest op uitstel.
Eigenlijk was die hele hoop een hoop ballast die ze kwijt was.

Vooral dat voortduren zonder einde, dat leek haar helemaal het einde.
Vanaf nu zou ze er voortdurend op letten of het er nog was.
Steeds lette ze goed op…
En het duurde…
Het duurde voortdurend voort…
Het duurde voort, in ieder geval tot dit laatste woord.

Wanneer u als lezer blijft opletten, zult u eveneens opmerken dat het voortdurend voortduurt…
Het miraculeuze leven na de hoop.

Fabel van het scheppende schepsel

Een man ging elke dag met zijn schep de wereld in.
In blind vertrouwen dat de aarde hem zou geven wat hij nodig had.
Waar hij ook begon te graven vond hij een put.
Als de put diep genoeg was ging hij er even in zitten om de geur van het vinden op te snuiven.
Daarna dekte hij de put teder toe met dezelfde aarde die de put had blootgelegd.
Zoals men zijn kind toedekt voor het slapen gaan.
Voldaan keerde hij terug naar huis.
Thuis koesterde de man zijn verzameling putten door naar zijn schep te kijken die
door het graven steeds scherper werd.
Hij rook soms even aan de schep, de geur van het vinden vervulde hem.

Iris van Gregor Bazel


Wederom nieuw werk van Gregor Bazel?

Is bovenstaand werk een uitzondering binnen het groeiende oeuvre van Gregor Bazel?
Of is het exemplarisch?
Het is namelijk gesigneerd en draagt een titel, hetgeen bij zijn werk doorgaans niet het geval is.
Zodra een kunstwerk zijn signatuur draagt, geldt dit onder kenners als een diskwalificatie.
In hun ogen moet het dus wel een vervalsing zijn.
De dubieuze authenticiteit levert uiteraard veel discussie en twijfels op, te meer daar de waarde ermee samenhangt.
Iris van G. Bazel is in potlood op de achterkant aangebracht.
Bij de veiling van dit werk werd er dan ook ongewoon laag ingezet.
Mede dankzij de twijfel heeft het museum Openbaar Geheim dit werk tegen een vriendenprijsje kunnen verwerven.

Ik zal hier proberen deze zaak wat op te helderen door het van een context te voorzien.

In de boedel waaruit dit werk werd geoogst, zijn ook foto’s gevonden van de oogarts bij wie Gregor Bazel in behandeling was.
Medische foto’s, welteverstaan.
Soms werden deze gepubliceerd in het oftalmologisch vakblad van de beroepsgroep.
Bazel genoot, zoals bekend, van zijn zeldzame oogafwijking die hem een volstrekt unieke visie op de wereld verschafte.
Hij liet zich regelmatig onderzoeken maar wenste geen behandeling, laat staan genezing van zijn bron van inspiratie.

Of de boedel inderdaad die van Bazels oogarts betrof, heb ik helaas niet kunnen verifiëren.
Mijn staf is daar nog mee bezig.
Wel is inmiddels vast komen te staan dat meerdere oftalmologen het werk van Bazel hebben verzameld.
Er valt dus nog meer ‘nieuw’ werk te verwachten, hetgeen sensationeel genoemd mag worden omdat een half jaar geleden nog niemand van de man gehoord had.
Zo zorgvuldig was de man vergeten, uitgevaagd door de tijdgeest.

Het zou kunnen dat dit werk door Gregor Bazel is gemaakt op verzoek van zijn oogarts, naar voorbeeld van een foto van zijn eigen iris.
De gelijkende foto is in zwart-wit afgedrukt.
Bazel zou de kleuren kunnen hebben ingevuld met zijn bekende Wasco-coloriet.
Mogelijk heeft hij dit werk op verzoek van de oogarts gemaakt om hem inzicht te verschaffen in het kleurenpalet van deze unieke oogziekte.
Het feit dat dit werk op fotopapier is gemaakt, zou de voorgaande speculatie kunnen onderbouwen.

Het werk Iris is mijns inziens uiterst representatief voor het Introspectivisme, waarvan Bazel zo’n hartstochtelijk pleitbezorger was.
Mocht dit werk alsnog het certificaat ‘authentiek’ krijgen toebedeeld, dan vertegenwoordigt het wel een sleutelpositie, in die zin dat de oogziekte en de kunstenaar in het werk onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Fabel van de wandelende tak

Deze week ontmoette ik de wandelende tak, hij woont bij ons in de buurt.
Dat wil zeggen, hij wandelt er rond als een nomade zonder woning.
We komen elkaar zelden tegen, waarschijnlijk herken ik hem de meeste keren niet vanwege zijn schutkleur.
Wat op zich wel weer opmerkelijk is.
Wanneer we elkaar treffen maken we graag een praatje.

De wandelende tak is stokoud.
Hij loopt inmiddels dan ook met een wandelstok, die nog van zijn vader is geweest.
Sterker nog, de wandelstok is zijn vader, tenminste een gedeelte van diens verhoute lijf.

Vader was mijn steun en toeverlaat, vertelde hij dromerig.
Ach mijn vader, hij leerde mij wandelen, heel behoedzaam en onmerkbaar om niet te worden opgemerkt door andere dieren.
Zonder vader was ik nergens geweest en nu ben ik toch maar mooi hier.
Ik weet wel dat er dieren zijn die zeggen dat het overal en nergens hier is.
Maar dat gaat mij te ver.
Zo ver als bij overal kan ik toch nooit komen, daar ga ik te traag voor.

Nog dagelijks praat ik tegen mijn verstokte vader.
Dan vraag ik hem naar de onbekende weg.
Dat is zo spannend, de onbekende weg.
De wereld is voor mij de onbekende weg, dat is mijn vaderland.
Als wandelstok wijst vader mij de weg en het klopt altijd.
Ik ontmoet nog altijd de vreemdste zaken en wezens.

Mijn vader is overigens geen natuurlijke dood gestorven, zo vervolgde hij zijn verhaal.
Hij is door mensen uit het bos geplukt, samen met de bloemen.
Ze hebben hem samen met de bloemen bij de voeten afgesneden en in een mooie vaas gezet.
Zo is nu eenmaal de mens: vol goede bedoelingen die soms lelijk uitpakken.

Vader is samen met de bloemen verdroogd en weggegooid.
Gelukkig vond ik hem weer, nu wandelt hij met mij mee.
Soms heb ik het idee dat je met het betreden van de ouderdom een vader van je eigen vader wordt.
Dan voel ik mijn dierbare wandelstok en fluister zacht: Vader, ik hout van jou!

Bij het afscheid in de schemering zei hij oprecht: Ik vond het heerlijk om even met u te praten.
De volgende keer wil ik graag eens van u horen hoe u het als vuurvliegje presteert om licht te geven aan de nacht.
Vaak zie ik u langs vliegen en voel ik mij betoverd.
U bent zo mooi onbekend.

Dat is afgesproken, u bent een echte heer, tot volgende keer, zei ik.
En ik vloog de ontwakende nacht in.