Dodendans

Leven is voorlopig even de dans ontspringen.
Nu nog even niet.
Dat je gaat dansen staat vast.
Al kun je niet dansen, dansen zul je.
Die zonderlinge dans zonder lichaam.
Wanneer je ten dans wordt gevraagd weet niemand.
En zou je het weten, dan nog is er geen ontkomen.

Al ben je geen danser en luister je liever naar de muziek van het leven, wie ontkent dat de dodendans het leven een waarde geeft
die anders niet beleefd zou worden?

Stel je voor: een massale choreografie van zielen,
allemaal op zoek naar een lichaam dat goed is in de dans te ontspringen.
De Thraciërs wilden zo gauw mogelijk dansen.
Daarom waren het zulke onverschrokken strijders.
Niets te verliezen, succes verzekerd.
Ik ben wel nieuwsgierig naar die dans zonder ledematen,
maar ik heb geen enkele haast.
Al het wezenlijke komt vanzelf als het zover is.

Het is de kunst om het voorlopige te leven alsof het eeuwig duurt.
Concentratie werkt als een microscoop die het tijdelijke moment doet uitdijen.
Aandacht voor de aandacht kent geen tijd.
Waarmee begint en eindigt elke dans?
Met een pas op de plaats.
Niet wetend hoe te gaan of te blijven.

Tuinhuis Kabul

Hasan, is onze volkstuingenoot, een voorkomend voornaam Afghaanse heer in driedelig bruin pak.
Ooit bekend fotograaf van het toen nog mondaine Kabul, voor de Taliban verderf zaaide.
Zijn Hollandse tuinhuis hangt vol met glamourportretten van zijn zoons en zijn geliefde leraar, die hem leerde zingen.
Het eerste muziekidool van Afghanistan, sitarspeler.
Ik lees ontzag en verering in Hasan’s blik.
Uitgenodigd als enige buitenstaander, om kipkebab mee te eten en muziek te luisteren.
Hasan is te charmant om te kunnen weigeren.
Buitenstaander tussen vijf buitenstaanders.
Ze spreken hun moederstaal, over kaalheid en dure haartransplantatie.
Twee vrienden zijn kaal en kalend, er wordt veel gelachen.
Borsthaar, schaamhaar, haarkweektechniek.
De kale violist is beveiligingsbeambte, wij zijn harde werkers verklaart hij zonder aanleiding.
Het helpt wel als je kaal bent in dit vak, schrik af.
Zijn oude vriende Nosrat zingt en speelt een klein handorgeltje.
Dertig jaar geleden hadden ze beiden lang haar op de schouders en waren ze voor het eerst op de Afghaanse televisie.
Ze werden op straat herkend, helaas zagen ze zichzelf nooit op tv dankzij de regelmatige stroomstoringen, zo kenmerkend voor Kabul.
Sommigen hebben in Siberië gestudeerd, de tablaspeler is ingenieur met een russische pianiste getrouwd.
Ze speelt helaas nooit meer.
Na een maand in Siberië begon het haar van de violist uit te vallen, er vallen grappen over radioactiviteit.
Na het eten beginnen ze, elkaar aftastend, te spelen.
De tablaspeler is fantastisch, de zanger en de violist meanderen rond de melodie met arabesken.
Om de beurt raken de vrienden in vervoering en breken in gezang uit.
Mijn buurman wijst op zijn behaarde arm, kippevel, zegt hij.
Al spelend herdenken zij hun land, in het kleine tuinhuis.
Ze raken in vervoering als ik over Ravi Shankar en Inyat Khan begin.
Ik wordt uitgenodigd volgende keer mee te spelen op het indiase handorgeltje.
Het valt me op dat ze niet in grenzen denken, ze spreken over hun levenssfeer die Indiaas, Afghaans, Perzisch en Russisch is, hun belevingswereld.
Ze leven niet in een land, maar in hun taal, in hun muziek.
Zonder een stap te zetten ben ik een avond in het toenmalige Kabul geweest, de stad leeft in deze mensen.
Een feestelijk avond.

Het duurt een nacht voor ik begin te landen in het met hekwerken bezaaide vaderland.

Maanloos

de maanloze hemel van nachtblauw fluweel
leek gecapitoneerd met sterren
als een ouderwetse chesterfieldbank

er zat niets anders op dan
het naamloze wezen der dingen
met dat enorme achterwerk

wat je zegt; nogal groot geschapen
je wilde zo het zwerk in zweven
om al die sterren op te rapen

[ category verse verzen]

Kafka de pratende kauw

Ach, zegt Kafka de pratende kauw
ik ben zo gehecht aan mijn kooi!
Ja, ik ga liever dood dan dat ik één dag
zonder die mooie kooi zou moeten leven!

(Het publiek applaudisseert als een vogel
voor dood gaat liggen op de bodem van de kooi.)

Wat deze gouden kooi voor mij betekent
is niet in woorden te zeggen,
maar ik bijt liever mijn tong af
dan dat ik zou zwijgen over het onzegbare.
De tralies van taal zijn zo bevrijdend.

(Het publiek raakt in extase als een vogel fonetisch
het onzegbare in bloesems van klinkers verklankt.)

De kooi heeft mij leren spreken en
discipline bijgebracht, vormende grenzen.
Hoe mensentaal uit de keel van een vogel
iemand kan betoveren verbaast mij nog steeds.
Ik zeg gevat wat niemand wil horen.
In hun vragen ligt het antwoord besloten,
dat schijnen ze zelf maar niet te vatten.
Sommigen vinden dat ik orakel, dat klopt als zij dat vinden.
Wie het vindt mag het houden.

Ik weet het niet en dat zeg ik
omdat ik heel zeker niet weet.
Niet weten is onbetwijfelbaar.

Ik weet niet wat ik ben.
Een hybride soort, een tussenvorm
iets vogelmensachtigs, een filosovogel?
Vliegen kan ik al niet meer,
ik fladder maar wat rond
in de kooi van taal.
Woorden zijn tralies
om werelden in te vangen.

In hoger beroep ben ik
tot onschuld veroordeeld, levenslang.
Valse aantijgingen beaam ik graag,
de terechte ook.

Ja, de kooi staat open,
ik kan er bovenop gaan zitten
en zeggen dat ik vogelvrij ben,
ik voel mij vrij om niets te zijn,
vrij van vrijheid.

Zo zing ik met mijn schorre stem
het lied dat ik niet zingen kan,
en dat zing ik dan, ik geniet ervan
te spelen zonder rem.

Nu dwijnt de kooi in zwijgen,
het is geweest, zo mooi.

Eten zonder voorkennis

Gisteravond aten we bij SWOPS, smullen wat onze pot schaft.
Een nieuw restaurant met als doelgroep: de besluitelozen.
Zo staat het achterop de menukaart.
Het was heerlijk, niet eens vanwege culinaire hoogstandjes, maar vooral vanwege het kale feit dat er geen enkele keuze is: je eet wat de pot schaft.
Het restaurant zat vol tevreden weifelaars.
Voor de moderne mens is het een ultiem genot te zijn ontslagen van vrije keuze.
Vrije keuze is een terreur geworden, een terreur van de zee van mogelijkheden.
De angst om iets te missen kan tot keuzeverlamming leiden.

Het interieur was no-nonsense, geen stoel was hetzelfde, zeg maar non-uniform.
De bediening was uiterst efficiënt en aangenaam.
In een sfeer van onverschillige betrokkenheid liep alles volgens plan.
Het feit dat er maar één plan was, maakte de logistiek natuurlijk kinderlijk eenvoudig.

Niemand werd lastiggevallen met meerkeuzevraagstukken als: wat wilt u eten, wilt u het voorgerecht samen met het hoofdgerecht?
Er werd zelfs niet gevraagd: wilt u iets drinken?
Laat staan: wat wilt u drinken?
Wel werden we verrast met een glaasje Cointreau, tenminste daar leek het naar te smaken.
Hadden we zelf ooit kunnen bedenken dat we daar trek in hadden?
Al na vijf minuten kregen we het voorgerecht opgediend.
Wat het was kon ik niet thuisbrengen, het smaakte mij uitstekend.
Op mijn vraag wat het gerecht inhield, vertrouwde de ober mij toe: ‘Ingrediënten!’
Hij kruidde zijn mededeling met een brede grijns.

Op de menukaart staat overigens alleen: voorgerecht, hoofdgerecht, dessert.
Het hoofdgerecht werd ons voorgeschoteld als Pannetje van de kok, heel apart, kip maar dan anders.
Wij eten nooit kip omdat het teveel naar kip smaakt, dit smaakte naar iets anders.
Anders is buitengewoon exotisch voor wie alles al eens geproefd heeft.
Niet weten wat je eet verhoogt de smaakervaring.
Referentieloos eten.

Ontspannen en voldaan verlieten wij met tegenzin het restaurant.
Buiten werden we geconfronteerd met de wereld van onontkoombare keuzes.
Van één keuze zijn we bevrijd: waar moeten we eten?

Wij raden SWOPS van harte aan, reserveren is wel aan te bevelen.

Lege tank

Peer Leemacher liep vastberaden over de Zeemondsedijk richting Bocht.
Hij was te voet verder gegaan toen de tank was leeggereden.
Het bleek een nogal bosarm gebied te zijn.
Niet dat hij naar bos op zoek was, maar het viel hem meteen op, geen boom te bekennen.
Hoe zou dit landschap getypeerd worden, een rivierdijk zonder rivier?
In de omgeving waren ook al geen weilanden te zien.
In zijn blikveld trok die afwezigheid van groen hinderlijk de aandacht. Beneden de dijk zag hij bebouwing opdoemen.
Een te groot blauw bord gaf een naam aan “de Gemeente Bocht”
De Zeemondsedijk hield daar plotseling op, afgegraven, een steile trap af naar het algemeen peil.

Beneden lag een onlangs aangelegde rotonde, in het midden een berkje. De steunpaal was tien keer dikker was dan de boomstam.
Terwijl hij de boom verwerkte herinnerde hij zich de reden van zijn bezoek..
Het verband met dat iele boompje kon hij niet direct leggen.
Zijn vader, zou hier wonen, aldus de vertrouwelijke informatie uit het gekraakte medisch dossier.
Als kind verwonderde hij zich over het feit dat zijn vader biologisch was, Peerke begreep dat niet.
Zijn moeder kocht altijd biologische groenten en fruit?
Die biologische vader had hij tot op de dag van vandaag nog nooit gezien, zelfs geen foto.
Een leegte in de vorm van een vader kon hij niet vergeten, eerst kennen en dan vergeten.
Nu hij veertig was moest hij het weten, zijn moeder vond het maar niks.

Vanaf de dijk zag hij de dorpskern, een woonerf omsingeld door bedrijventerrein Kaalwedde.
Er waren meer bedrijven dan woonhuizen, hoelang zou het beleg duren?
Het adres had hij in zijn handpalm geschreven.
Een afspraak had hij niet willen maken.
Eerst maar kijken wat voor kat er in de boom zat.
Hij had zich voorgenomen aan te bellen bij de man van zijn leven en zich voorstellen als enquêteur.
Zou vader hem wegsturen dan zou hij om hulp vragen, om benzine voor zijn tank.
Gewoon om vader alvast een beetje te leren kennen.

Peer besluit de eerste de beste ingezetene de weg te vragen.
‘Ik ben niet van hier geboren weet u’, zegt de man met Mediterrane huidskleur weifelend.
Maar u woont wel hier?
Ja wel, al vijf jaren.
Kent u dit adres? Peer laat zijn handpalm lezen…
Ach, Weegstraat 5 , natuurlijk daar wonen wij zelf, roept de man.
Dirk raakt even in de war.
Was dit zijn vader, nee.
Wie zijn wij dan? vraagt Peer verder.
Alle asielzoekers…uitgeprocedeerd.
Breng me naar je huis, wil je.
Graag, ik stel jou voor aan Willem, hij heeft ons allemaal geadopteerd.

De deur stond open, in de gang een man
Hallo, ik ben Peer, aangenaam!
Ze schudden elkaar voor het eerst de rechterhand.
Dirk realiseert zich dat linkerhanden elkaar nooit schudden.
De eerste vraag van zijn vader zou Peer nooit vergeten;
“Waarom draag je een camouflagepak, je lijkt wel een commando?” “Klopt, mijn tank staat halverwege de Zeemondsedijk, leeggereden”
Binnen zat de rest van de familie, een internationaal gezelschap.

(om de privacy te beschermen zijn alle namen en omstandigheden gefingeerd)

Wortelfeest

als de boom bloesems geeft
dan vieren de wortels feest

wanneer de boom vrucht draagt
juichen de wortels binnensmonds

komen de vogels het fruit vrolijk roven
dan delen de wortels in die vreugde

als de bladeren in rust gaan vallen
dan vieren de wortels zich ondergronds

staat de boom doods en berijpt te verwezen
weet dan van het stille wortelfeest

wortels werken voor een hoger doel
in een toegewijd blind weten

wie ziet ooit deze verborgen viering
deze ondergrondse festiviteit?

en als de boom wordt gekapt, wat dan?
inderdaad, dan dansen de wortels

het feest van het onverwoestbare
een jaarfeest, jaar na jaar

Cosmetisme


Mooie schoonheid is niet vies,
mits zij regelmatig wordt schoongehouden,
dit geldt in hogere mate voor eeuwige schoonheid,
het vuil dat dan overblijft kan dan weer
worden aangebracht op lelijke kunstwerken,
zodat ze niet meer te zien zijn,
dat zou dan weer mooi zijn.

Uitzonderingen zijn kunstwerken
die van puur vuil en afval zijn geproduceerd,
dit soort schoonheid zou eronder lijden
om grondig te worden schoongemaakt,
als zij van hun zuivere vuil zouden worden ontdaan,
lelijkheid is een noodzakelijke achtergrond voor schoonheid,
zonder dat zou schoonheid zelf wellicht lelijk worden gevonden.

Ik wil mij graag beschikbaar stellen als die achtergrond,
zo lelijk mogelijk zijn, ten dienste van,
om die pure schoonheid nog mooier te laten uitkomen.

Madiwodotaal

Madiwodo
in de wigwam
zat Wirwar rimboeman
met de hele rimram
(poespas & mispoes)
liflafjeslof
te smiksmakken
spinaziesoepsap vooraf
vlaflip na

Kattekop liplas Spinoza
in de zitzak
rimboeman loog liegleugens
Kippekop van wissewas
begon te miezemuizen
ze zei ziezo
zal ik dit en dat witwassen
met mikado
of remi-faso-lasido?

maar Kattekop sprak:
Hahelibebcnof
Nenamgalsipsclarkca
het leek simsala
bim bam bombarie
als ’n palindromedaris

zo klonken klinkerklanken
piefpafpoef
hiep hiep amme hoela
als ’n wielewaal
de hele zingzangmikmak
van biebopbeloeba

rimboeman had ‘n
tiptop tattoe op z’n
koppiekrauw gezet
onder die pimpampet
zoop pina colada
en zag zich zo
zigzaggend
de hiphopsasa
dansen op muzak
doebidoebidoewaa
ja nee, niet vivaldi
Vival die moetinie
zo dodekakafonies
als ’n hele gare toekanarie