Het journaal als brandhaard


Een open haard is de beste televisie, ondertiteld met een goed verhaal.
Door de aeonen heen het meest bekeken programma, ingebrand in het collectieve bewustzijn.
Starend in het vuur likken we de verhalen af als vlammen.

Je droomde vroeger vaak dat je je lagere school in brand stak.
Later kwamen er ateliers en kleine vage bedrijfjes in.
Op een nacht brandde de School met den Bijbel toch nog af.
Je had niets gedaan om je vurige wens te realiseren, en zou ook niets gedaan hebben om het te voorkomen.
Je wortels hadden vruchtbare grond gevonden in de as van het kwaad.
Er gingen verhalen rond over verzekeringsgeld, geïncasseerd door failliete ondernemers.
De neerdalende as gaf mij een onterecht gevoel van gerechtigheid.
Het onschuldige gebouw moest boeten naar goed oud bijbels gebruik, jong geleerd.

Pollice Grosso vertelde ooit de volgende fabel:
De mensheid was een bos dat bestond uit diverse boomsoorten.
Het bos bracht lucifers voort die ieder stuk voor stuk de macht hadden om het hele bos in as te leggen.
Sommige merken lucifers legden zich er vooral op toe om andere boomsoorten plat te branden.
De eiken haatten de dennen van oudsher, de beuken bestreden de platanen, de coniferen waren tegen de linden.
De terreur verspreidde zich zo door het hele bos, dankzij het heilige geloof in vergelding.
Een Wereld-Bomenbosregering kwam bijeen om de terreur te vernietigen.
Welke weldenkende lucifer kon daar nu tegen zijn?
Wie de aanslagen pleegden en waarom werd nooit echt duidelijk.
Anonieme vergeldingsacties maakten steeds meer onschuldige slachtoffers.
Steeds weer staken individuele lucifertjes de kop op.
Sommigen kwamen zelfs graag om in as, want hun as zou vruchtbare grond zijn voor een bos dat ooit, later…
Zo werd het hele bos bezaaid met kleine brandhaardjes.
Hoe het verhaal afloopt weet Pollice niet, hij vertelt verschillende versies:
– Het bos werd platgebrand en na een paar jaar kwamen de ondergedoken boomzaden op.
– De verborgen zaden sliepen uit schaamte duizend jaar voor ze weer ontkiemden.
– De luciferindustrie had goede zaken gedaan, maar had nu geen afzetmarkt meer.

De geest lijkt een vuur waarin verhalen worden opgestookt, in de hoop dat het vuur een ander licht werpt op de werkelijkheid.

Spijkerwezen


het spijkerwezen bestond nog nooit
(bestaanscoëfficient nul komma nul)
als losse onderdelen kwamen ze
op bezoek, ik heette ze welkom
en gaf ze wat ruimte,
daarin ben ik nogal gul

de spijkers wilden wel eens wat anders
dan doorboren of krom geslagen worden
pootjes zijn dat leek hun wel wat
en dan snel de benen nemen,
(de honderd meter horden)
of tentakels om te tasten in ’t duister
of antennes om golven af te luisteren

een aangespoeld blokje
van echt brandhout
wilde hen wel verenigen
in ruil voor bescherming
een verweesde steen
stond voor het blok
zag er een mooi gat in
om zijn nek uit te steken

het spijkerwezen heeft geen ogen
daarom leent ze even die van jou
om zichzelf te kunnen zien leven
ook leent ze jouw gedachten
om ook eens wat te denken,
je longen om op adem te komen
van het spontaan gaan ontstaan
leen haar nu nog je hart & ziel
om het geheel te doen kloppen

Horizonder


Mijn grootvader die ik nooit heb gekend,
was van moeders noch van vaders kant.
Hij droeg een hoed met daaronder verborgen
zijn grijze vlecht met indianenveer.

Hij gedroeg zich als verre voorouder
en schitterde afwezig in elke horizon
waar zijn blik rustte in de verte.
Dan zei hij:
“Luister, kleine zoon, de horizon ligt onder je voeten, daar…”

(Ik wist niet of hij ligt of licht zei,
het klonk mij allebei vertrouwd.)

“Daar ligt je oma, moeder aarde.
Zij baarde alle dingen en openbaringen.”

Mijn grootouders waren altijd samen,
beiden met getaand gezicht
van wind en zon,
droogte en vloed
als een landschap.
Je zag niet waar de een begon
en waar de ander ophield.

Opa rook naar rook
van zijn vredespijp.
Geen tabak, maar kruiden uit het veld:
salie, sandelhout, citroengras, kruizemunt.
Overal was hij in mijn buurt en vertelde
verhalen van de dieren.
Niet verhalen over dieren,
maar de verhalen die dieren elkaar vertellen.
Hij fluisterde vloeiend, zonder woorden,
maar in klank, gebaar en lichaamstaal.

Over het woestijnvosje dat zijn staart
in zijn nek legde vertelde hij:
“Je staart is dat wat jou je leven lang achtervolgt.
Ze beschermt je tegen het onnodige en overbodige,
en laat je hem hangen, dan wist hij alle sporen uit.
“Weet dat ik jouw staart ben.”

Er lag een vleugel op mijn pad
van een gaai,
als een teken van leven.
Meteen zag ik zijn ogen weer in de verre horizon
en voelde mijn voeten op het gezicht van oma.

Het leugenbeest Pollice


Ieder zelfbeeld of wereldbeeld is een leugen.
Dat is niet erg, het is zelfs onontkoombaar.
Je plakt jezelf in elkaar met momentopnamen, incoherente fragmenten.
De wereld is zo ongrijpbaar dat elk samengestelde beeld een waanbeeld blijkt.

“Wat je bent is geen ding, dus iedere representatie ervan is als bevroren water.
Het zijn stroomt woordeloos voort,” aldus meesterverteller Pollice Grosso.
“Ik spreek altijd de waarheid in de zin dat ik al mijn leugens erken.
Waarheid is het doorzien van de leugen, mijn verhalen zijn een bril om beter te kunnen ontmaskeren.
Liegen is niet erg als je toegeeft dat het leugens zijn, of om het wat aardiger te zeggen: fabuleringen, of nog aardiger: literatuur.”

Waarheid is niet in taal uit te drukken vanwege de taaleigen eigenschap om gehelen op te delen in aspecten.
Naamgeving gooit de graal van immanente eenheid aan scherven.
Het is geen doen die graal weer van stukjes taal in elkaar te plakken, het resultaat is altijd een wanstaltige vaas.

Voor taal is het hoogst haalbare te verwijzen naar…
Poëzie kan in sommige gevallen voorbij de taal wijzen.
Je kunt er niet je vinger op leggen, maar er is iets helder geworden.
Voor de ene lezer zal het onverwacht werken en voor de andere wartaal blijven.
De paradox is bij uitstek het middel om voorbij de taal te gaan.

De Zen-koan is een confrontatie met voor de hersenen onverenigbare tegenstrijdigheden.
Ze heeft als doel het conceptualiseren van de wereld lam te leggen, de weg naar de directe ervaring komt weer vrij.
Een koan veroorzaakt kortsluiting in de hersenen: plots is het hoofd weer beschikbaar voor de onmiddellijke beleving.

De preoccupatie met een zelfbeeld/wereldbeeld is een vorm van obstipatie.
Er kwam eens een westerse filosofieprofessor bij een Zenleraar op de thee.
De meester schonk thee in zijn kopje en bleef schenken, de thee stroomde over.
De professor raakte in paniek.
Hoe kan ik u Zen schenken als uw kopje vol zit, vroeg de schenker.

De wereld die we delen, lijkt een verhaal te zijn.
Dat is maar schijn.
Als we dat verhaal voor waar aanzien, leven we in een schijnwereld.
Representatie kan nooit samenvallen met waar ze naar verwijst.

Een taalwereld kent geen waarheid, zelfs niet als je alle verhalen van de wereld tot één verhaal zou smeden.
Directe ervaring taalt niet naar woorden: ze is integraal, dus waarom desintegreren?
De oorspronkelijke natuur verenigt ons van nature.
Een vertaling daarvan achteraf is altijd een bijzaak, directe ervaring stopt nooit.
Die rivier stroomt maar door.
Verhalen zijn bijzaak ter formulering en vermaak.

Zijn hondje zijn


zo is het om een hondje van Rembrandt te zijn
’n stripfiguurtje van een halve vierkante centimeter

bij etsen is elk krasje onherroepelijk raak of mis
de schepper schetst uit de losse hand met frivole precisie
deze hondenkop is ronduit kubistisch gestileerd
door de oude meester, zijn tijd ver vooruit

blij dat ze mee mag, op weg naar huis of samen op pad
voor elke hond is het ultieme intiem bij de baas te zijn
ze rent vooruit in een uitgelaten draf, ze is zo blij
dat weet ik, want ik onderdruk maar net mijn wilde blaf

ik weet het ook dankzij mijn eigen verdwenen staart
die kwispelt als ik staar naar hoe ik ben getekend
door de vaste hand van de oude baas
mijn schepper laat mij uit in zijn verbeelde wereld

dichterbij kun je niet komen dan opgaan in dagdromen
wachtend op je baas, je verheugend op samen lopen
dwars door alle omstandigheden en daarna
aan zijn voeten liggen bij de open haard

terwijl hij staart in het vuur

Fabel van de algemene kennis

Fabel van de algemene kennis

De algemene kennis kent iedereen wel.
Wij hebben allemaal diverse algemene kennissen.
Het zijn mensen met wie je algemene kennis uitwisselt.
Bij wederzijdse instemming wordt die algemene kennis bevestigd.
Dat gaat goed totdat het bevestigen ophoudt.

Je deelt niet al je algemene kennis met iedereen.
Voor iedere deelverzameling heb je een aparte algemene kennis.
Soms is er een groep kennissen die dezelfde algemene kennis onderschrijft.
Dat kan omdat de kennis zo algemeen is.
Vreemd bijverschijnsel is dat men zich gesterkt weet door het getal.
Omdat wij met meer zijn zal onze kennis wel waar zijn.

Met de meeste kennis is het aangenaam kennis te maken.
Er zijn echter ook onaangename kennissen, zoals de zelfkennis
die zich niet wil laten kennen: niet-weten, en dat weten.
Dan is er nog de voorkennis, die alles verhandelt voor snel gewin zonder zelf enig risico te lopen.
Voor men tot handelen overgaat raadpleegt men liefst de voorkennis.
De achterafkennis heeft makkelijk praten.
Wie hem als kennis heeft, lijkt het lot te doorgronden.
Je ziet nu precies hoe het ene toen noodzakelijkerwijs tot dit andere ene hier en nu moest leiden, in een groot logisch verband.

Zodra kennis te specifiek wordt, neemt het aantal kennissen exponentieel af.
De meest specifieke kennis is niet te delen in de zin van mede te delen.
Specifieke kennis kan alleen gedeeld worden als beiden op eigen kracht en door eigen onderzoek op dezelfde blijvende waarde zijn gestuit.
Dan nog mag je niet uitsluiten dat beiden lijden aan hetzelfde gezichtsbedrog.

Specifieke kennis is meer een zaak van herkenning dan van overdracht.
Die herkenning is onmiddellijk en vrij van woorden.
Dan heb je aan een half woord genoeg.
Specifieke kennis heeft aan zichzelf genoeg, in tegenstelling tot algemene kennis die altijd bevestiging zoekt.
Bevestiging leidt nooit tot specifieke kennis.
Ontkenning kan tot de nodige twijfel leiden.
Het beste is te ontkennen noch te bevestigen.

De erkenning dat je geen poot hebt om op te staan, maakt een mens wankelbaar.
Balans is wankelbaar zijn.
Onwankelbaren vallen makkelijk om.

Orale literator

Pollice Grosso, meesterverteller en vermaard analfabeet.
Pollice schaamt zich niet voor zijn analfabetisme, want ondanks of dankzij dat is hij wellicht de meest geletterde levende Italiaan.
Hij denkt zelf dankzij, omdat hij vrij van ongeschreven regels leeft, zijn hoofd is leeg van letters.
“Verhalen stromen beter in een lege bedding.”

Hoe kwam ik Pollice op het spoor?
De man zette immers nooit één letter op papier?
Via verhalen over hem, opgetekend uit de monden van bewoners van de dorpjes die hij bezocht.
Zijn bestaan vormt een jaarlijkse cirkelgang door midden-Italië.
Wanneer hij een dorp bereikte, was er die avond een bijeenkomst waar hij bij een luisterrijk vuur verhaal deed, zo kwam mij ter ore.
Naar verluid duurden deze avonden eindeloos er werd nog maandenlang over nagepraat.
Ik besloot zijn spoor te volgen.

Pollice zou ooit Sicilië hebben verlaten, per roeiboot stak hij de zee over naar het Italiaanse vaste land.
Als telg van een oude zeeroversfamilie uit Agrigento lag zijn toekomst vast: de piraten waren gaandeweg omgeschoold tot Cosa Nostra.
De jonge Pollice vluchtte voor zijn familie vanwege zijn rechtschapen inborst, hij voelde er niets voor om zich voor ‘Onze Zaak’ in te zetten.
Als de goedheid zelve zag hij zich als kind genoodzaakt leugens te vertellen over zijn denkbeeldige wandaden waarmee hij aanzien binnen zijn criminele familie kon verdienen.
Zo werd hij een aartsleugenaar uit lijfsbehoud.

Toen hij niet verder wilde gaan met liegen, roeide hij bij volle maan en windstilte de zee over.
Eenmaal op de vaste wal ontdekte hij echter dat hij niets anders kon dan liegen.
Gelukkig merkte hij dat zijn gehoor graag naar hem luisterde.
De mensen genoten zichtbaar van zijn fabelachtige vertellingen.
Zo leerde hij zelf genieten.
Wat waar was geloofde men niet, zo onwaarschijnlijk klonk het, en wat hij loog geloofde men zonder twijfel.

Pollice werd liegenderwijs verteller van verhalen uit de eerste hand, de tweede hand en ga zo maar door, de meeste kwamen uit zijn eigen hand.
Nu is hij bij leven een legende, er doen zich talloze verhalen de ronde over hem.
Pollice heeft geen vaste verblijfplaats.
Hij trekt rond van dorp naar dorp, vertelt in ruil voor een bed en een maal de mooiste verhalen.
Volgens oorgetuigen vertelt hij nooit tweemaal hetzelfde verhaal, laat dingen weg, voegt toe of vermengt diverse verhalen met elkaar.
Voor iedere situatie die hij aantreft heeft hij wel een toepasselijk verhaal of hij verzint het waar je bij staat.
Het leven verandert, zegt hij, en verhalen leven mee met de verandering om waar te blijven.

Pollice ziet er soms kleurrijk uit vanwege zijn kleding die zijn toehoorders voor hem over hebben.
Zo kan hij een advocatenjasje dragen met een bakkersbroek eronder en een herdersmutsje op zijn Siciliaanse krullen.
Zijn truffelhondje vergezelt hem.
Onderweg graaft ze naar het zwarte goud onder oude olijfstronken, hetgeen haar baasje wat zakgeld verschaft.
Meest opvallend aan zijn klederdracht zijn zijn schoenen, handgemaakt op maat door zijn vriend en meesterschoenmaker te Firenze, Carlo Chiappini.
Schoenen zijn het enige waaraan hij geld uitgeeft.
Zijn te grote voeten en de grote afstanden die hij loopt noodzaken hem daartoe.
Jaarlijks verslijt hij een paar paar, die hij om de dag afwisselt.
“Ook een schoen moet rusten van het voetgedrang,” aldus Chiappini’s wijze raad.

Inmiddels is Pollice zelf een geliefd figurant geworden in verhalen over hem.
Hem horen vertellen werkt zo aanstekelijk dat eenieder die het doorvertelt vanzelf de meest wonderlijke details aan het verhaal toevoegt.
Zo leeft deze orale traditie voort.
“De wereld is een verhaal, waar gelogen. Maak er een mooi verhaal van zolang je nog adem hebt.”

Ik heb Pollice uiteindelijk ontmoet, helaas verstond ik geen woord van wat hij zei.
Niet omdat ik zijn zware Siciliaanse accent niet kan begrijpen, maar omdat ik vele talen niet versta, waaronder het italiaans.
Ik geef toe, ik ben hierin nogal veelzijdig en dat is erger dan analfabeet zijn.
Gelukkig sprak zijn verschijning boekdelen, alle verhalen van de wereld.

Gelaten onderga ik mijn straf geen Italiaan te zijn.

Ruimte geeft aan alles

het sneeuwvlokje in de zon
de voetafdruk in de branding
een nat vogelspoor op de warme steen

het suikerklontje opgelost in thee
een schaduw vechtend tegen het licht
de diepe zucht in de stormwind

verschijnselen van zijn en nietzijn

het lot lijkt voorbeschikt toevallig te gebeuren
bewust zijn als onzichtbaar web zonder spin
het ontastbare heeft geen handen nodig

nooit gebeurt er eens iets gewoons

woorden als vliegen gevangen in het web
aan de lezer ze op te peuzelen of niet
wat leeft er in dode tekens van taal?

niets heeft geen betekenis, als
het gat dat ons van binnenuit omvat
ruimte geeft aan alles wat er is

Het schuldige antwoord

De onopvallende man werd aangehouden, zonder enige aanleiding.
Waar gaat de reis naartoe? vroeg de agent in burger.
De reis? geen idee.
Mag ik uw papieren zien?
Ik heb geen papieren.
Ach, bent u ze verloren, vergeten?
Ik heb nooit papieren gehad, verklaarde de man rustig.
Hoe verklaart u dat?
Ik ben geboren zonder papieren.
Wat is uw naam, woon of verblijfplaats?
Ik blijf nooit lang op een plaats.
Dat klinkt al verdacht, bent u voortvluchtig?
De man spelde zijn naam in diverse klinkers, geduldig.
De agent noteerde en vroeg: hoe gaat u nu bewijzen dat u het bent?
U ziet toch dat ik het ben?
Hoe kan ik weten of u niet iemand anders bent onder een andere naam?
Hebt u mensen die kunnen getuigen dat u degene bent die u zegt te zijn?
De man bleef het antwoord schuldig en maakte een afwezige maar gelukkige indruk.
U bent u strafbaar, ik moet u helaas arresteren, wegens obstructie van de rechtsgang.
Wie zwijgt heeft meestal iets te verbergen.
Hoe zou ik niets kunnen verbergen, vroeg de man met een glimlach, u kunt mij toch niet arresteren voor het feit dat ik niets bezit?
Toch wel, legitimatie is verplicht, en antwoorden naar waarheid ook, u zult trouwens ook de proceskosten moeten betalen als u antwoorden schuldig blijft.
De agent noteerde in het proces verbaal: ‘verdachte blijft irritant rustig’
Na een kort verblijf in de cel werd de man voorgeleid aan de rechter.

Waar leeft u van? vroeg de rechter
Van wat de straat mij biedt, ik eet uit goedgevulde containers van sterrenrestaurants en vers fruit als de marktdag voorbij is.
Waar slaapt u dan?
Vannacht in een luxueuze cel, maar doorgaans in meubelzaken, beddenwinkels, grote warenhuizen, ik laat mij insluiten en verlaat het pand zonder sporen achter te laten.
Waar heeft u gestudeerd? u klinkt welingelicht.
In alle bibliotheken van dit mooie land, ze zijn mijn huiskamer.
Hoe bent u hier gekomen, u bent toch niet van hier?
Ik ben hier niet gekomen, ik ben in dit land geboren voor zover ik weet?
Waar zijn uw ouders dan?
Ik ben een wees, te vondeling gelegd.
Maar u bent kennelijk gevonden en opgevoed?
Kennelijk, maar daar weet ik niets meer van.
Hoe komt dat zo, geheugenverlies?
Dat ben ik vergeten.
Ja, zo is het wel mooi, u leidt het hof om de tuin,
ik ga u veroordelen, heeft u nog verder nog iets te zeggen?

Geachte rechter, begon de man weloverwogen zijn woorden kiezend; u kunt mij natuurlijk veroordelen als onschuldige, maar weet wel dat u dan de dader wordt van een misdrijf.
Weet dat u zich schuldig maakt aan een gerechtelijke dwaling, ongeacht of u nu oprecht meent recht te spreken of van kwade wil bent.
Het is aan het hof om te bewijzen dat ik schuldig ben of foute informatie heb verstrekt.
U zult moeten bewijzen dat het niet hebben van papieren, ouders, huis, relaties, bezittingen grond is voor strafvervolging.
Is het vergeten van een geheugen een verwijtbaar onvermogen? Laat uw recherche mij schaduwen en het zal blijken dat er geen woord gelogen is.

Na het pleidooi bleef de rechter een antwoord schuldig.
Mag ik u dan uitnodigen om vanavond met mij te komen eten?

Fabel van Melocollina

In de streek Melocollina in Italië was het een oud gebruik dat ieder kind zijn boom mocht planten als het de leeftijd van zeven lentes bereikte.
Het zaadje was door de vader al bij de geboorte van het kind geplant en met zorg opgekweekt.
Tegen de tijd dat het kind zeven werd, was het al een aardig boompje.
De meeste kinderen plantten hun boom vlakbij hun ouderlijk huis.
Een meisje, Vittoria, wilde haar boompje bovenop de heuvel planten, in de vrije ruimte.
Het werd haar afgeraden om allerlei zeer goede redenen.
Deze weerstand maakte haar echter nog vastberadener.
Ze had het zelf zo gedroomd, dus in haar geest stond die boom daar al jaren.

Haar wens werd waargemaakt.
De appelboom stond eenzaam bovenop de heuveltop.
Volop in de zon.
Het eerste jaar ging Vittoria wekelijks de heuvel op om hem water te geven.
Ze kon hem vanuit haar slaapkamerraam zien staan.
Pas na een paar jaar ging de boom vrucht dragen.
Alle appels vielen ver van de boom, ze rolden zo het dal in.
Daar lagen ze beurs te wachten op de vogels.
Het hele dal rondom lag na de zomer vol met geurige moes, waar insecten op afkwamen.
Vele appelpitjes ontkiemden gaandeweg in het vruchtbare dal.
Beneden rondom de heuvel ontstond een appelbomenbos.
Toen Vittoria eenentwintig was, werd de oude boom getroffen door een blikseminslag, precies waar ze haar voor gewaarschuwd hadden.
De boom droeg geen appels meer, maar keek uit over een boomgaard die hem omringde.
Ze wilden de boom eerst kappen, maar door dit verhaal hebben ze hem laten staan.
Als symbool voor de vruchtbaarheid van dwaze dromen.

De streek is ernaar vernoemd, Melocollina.
Het is een verborgen streek waar niemand ooit komt.
Daarom is het daar nog zo mooi en puur.
Ga er dus nooit naartoe als je het zo wilt laten.

Dit verhaal kwam mij ter ore dankzij Pollice Grosso, een oude verhalenverteller en analfabeet.
Ik vertel het graag door.