De ravin van Montcorvino

In het stadje Montcorvino huisde van oudsher een grote ravenkolonie.
Ze woonden in de torentjes, de cipressen en onder die typische middeleeuwse afdakjes.
Raveneieren waren daar geliefd, een delicatesse.

Tijdens het eieren roven, een jaarlijks uit de middeleeuwen stammend ritueel, was er een ravenjong uit het nest gevallen.
Het bleek een vrouwtje te zijn, een ravin.
De jonge vogel werd opgekweekt door de plaatseIijke barbier Sandro Picadoro; hij was nooit getrouwd en niemand wist waarom.
Als zovele Italiaanse kappers zong hij voluit onder het knippen, het liefst opera-aria’s of Napolitaanse liederen.
Met zijn schaar knipte hij dan in de maat en soms een opzwepend ritme, afgewisseld met een danspasje.
Hij had plezier in zijn werk.
De jonge ravin begon de barbier te imiteren, ze oefende op zijn menselijke timbre.
Ze kraste niet zoals het een goede raaf betaamt, ze zong heel sonoor.
De barbier raakte betoverd door het dier, ze ontroerde hem.
De ravin zong iedere dag beter, na een jaar zongen ze samen hele aria’s en duetten, terwijl ze op de rand van de spiegel zat.
De klanten vonden het prachtig.
Picadoro merkte dat hij een beetje verliefd werd op het dier, misschien omdat hij zijn liefde voor muziek met haar kon delen?

Er drong zich geleidelijk een vaag besef aan hem op zonder te weten wat het was.
Mensen kwamen nu speciaal naar zijn zaak om de ravin te horen zingen, dat geknip in haren namen ze op de koop toe.
Het paar werd steeds vaker uitgenodigd om op te treden.
De vogel stond al gauw bekend als ” de ravin van Montcorvino ” soms werd liefkozend “nostra diva piumato” genoemd,
“onze gevederde diva”.
Ze werden onafscheidelijk, gingen samen op tournee, de hele ravenkolonie vloog mee.
Kwade tongen beweren dat terwijl de vogel zong haar familie de huizen in vloog om zich over de glimmende dingen te ontfermen, dit is natuurlijk maar een fabeltje.

De barbier moest vaak denken aan een jeugdliefde die hij had gekoesterd.
Die liefde betrof de operadiva Julietta Olivetti, ze trad op in alle grote operahuizen.
De jongeman was verkocht toen hij haar hoorde bij een opera op het plein van Montcorvino.
De Diva had vele bewonderaars en ontving velehuwelijksaanzoeken met bijpassende juwelen.
Ze voelde zich zeer gevleid, maar kon niet kiezen, het ene juweel was nog mooier dan het andere.
Er was één aanzoek dat vergezeld ging met een naamkaartje waar achterop geschreven stond: ‘ik zal altijd op je wachten’ ,
geen juwelen, alleen deze simpele boodschap.
Dit kaartje was van de jonge barbier, hij had geen geld maar wel alle tijd.
Al weifelend kwam Julietta nooit aan trouwen toe, ze raakte verslaafd aan de glimmende dingen.
Op een dag werd Julietta schor wakker, haar stem was weg, haar echte juweel.
Ze stortte in tussen de coulissen van het operapaleis, blinde paniek.
Wie was ze nu nog zonder die stem uit duizenden?
De zaal was uitverkocht.
Wanhopig was ze de brug afgesprongen en verdronken in de rivier.

Hoewel het voor de Picadoro lang geleden was dat hij zijn liefde had verklaard aan de diva, drong het idee zich aan hem op dat de zingende ravin de incarnatie was van zijn jeugdliefde.
Hij had zich aan zijn woord gehouden, hij was op haar blijven wachten. “Ben jij het, Julietta?” had hij gevraagd.
Ze had geantwoord door ‘O sole mio’ te gaan zingen, het bewijs was geleverd. Ze leefden gelukkig samen, zingend.

Zo kwam dit verhaal in de wereld, in Montcorvino, waar de chocolaatjes, in de vorm van een raaf zijn gegoten.
“Wie bereid is te wachten kan alles verwachten, geluk kan zich vermommen in elke gedaante.” besloot Pollice Grosso de avond.

Muziek der sferen


De muziek der sferen wordt door de meeste mensen geassocieerd met een sfeer die ver weg ligt, ver boven ons bereik, als iets etherisch.
De meesten bedoelen met iets etherisch het rijk der fabelen.

Stel je voor; een lege ruimte, lege ruimte is al een verdubbeling van niets.
Er is niets zo moeilijk als niets omschrijven, elke definitie is teveel.
Nog een ander woord is vacuüm, lege ruimte, zelfs zonder lucht, zonder gas, zonder inhoud.
Nu schijnt vacuüm niet te bestaan, in de zin dat zelfs in een schijnbaar zuiver leeg vacuüm deeltjes of golven oplichten.
Er lijkt een basislading aanwezig te zijn verdeelt over de ruimte
Die lading manifesteert zich als quantumdeeltje en verdwijnt weer in ruimte of beter gezegd als die ruimte.
Een spookachtig verschijnsel van er zijn en tegelijk er niet zijn.
Dit is de werkelijkheid van de kleinste deeltjes, onze kosmos bestaat uit zo’n vacuüm.
In een vacuüm klinkt geen muziek, daar is lucht voor nodig waarin golven zich kunnen voortplanten.

Stel je voor, het Concertgebouw, als lege ruimte, denk de stoeltjes en overbodige ornamenten maar even weg.
Denk het concertgebouworkest ook maar helemaal weg, geen publiek. Het licht mag uit.
De lucht laten we er nog even in.
Stel je voor; binnen deze leegte, klinken nu op allerlei locaties geluiden, ze komen voort uit de gehele lege ruimte, onvoorspelbaar waar ze klinken of met welke frequentie.
Muziek zonder instrumenten, spookachtige klanken vanuit het niets.
Deze analogie zou helemaal kloppen als er voor klank geen lucht nodig was.
Toch geeft het een idee van het wonderbaarlijke karakter van de essentie van onze materiële werkelijkheid.

Deze quantumsfeer is niet ver weg, niet ver buiten ons bereik. Sterker nog; we bestaan in deze sfeer, en we bestaan als deze sfeer.
Hoe wij rondspoken in dit bestaan en wat wij uitspoken in onze bovenkamer. Dat is met recht fabelachtig te noemen.

De zee spreekt


Pollice Grosso is geen natuurliefhebber, liefhebberij vraagt afstand.
Volgens Grosso valt de mens naadloos samen met de natuur, het enige dat de mens onderscheid van de natuur is het verhaal, een denkbeeldig onderscheid.

De mens als verhalend dier.
“De mens legt een verhaal over de natuur, dieren maken geen verhaal, het verhaal komt vaak voort uit de ontkenning natuur te zijn ” zei hij eens tegen Luciano.
Deze had hoofdschuddend gelachen en gezegd: ” Je bent een taalbeest, Grosso, ontken dat maar eens”.

Op zijn rondreizen trok Pollice graag door de bossen, de bergen, hoogvlakten.
Het mooist vond hij het om vanaf de berg de dalende beekjes te volgen tot diep in de dal waar ze tot rivieren samenstroomden, die weer in zee verdween.
Des te vreemder vond hij het zelf dat de zee hem niet bepaald aantrok.
Integendeel, de zee leek hem het land op te drijven.
Had het met zijn nachtelijke tocht te maken had toen hij als jongen zijn Siciliaanse familie ontvluchtte?
Midden in de nacht met een gestolen roeiboot de zee op, een woestijn van nat.
Achteraf bleek dat hij ook de veerboot had kunnen nemen vanuit Palermo, niemand had hemp dat ooit verteld.
Niemand vertelde hem ooit wat, misschien was hij daarom wel verteller geworden?

Pollice had achterom gekeken toen hij aan land stapte, de zee had tegen hem gesproken met een zachte ruisende stem:
“Ik heb je leven gespaard jongen, als je wist hoe wild ik eigenlijk ben was je nooit aan deze tocht begonnen”.
“Voor jou heb ik mijn golven uitgespreid en dat doe ik niet vaak”.
De jongen voelde dankbaarheid, maar hoe kon hij de zee bedanken, wat kon hij terugdoen?
“Ga nu het land op jongen” had ze gefluisterd, “en vertel de wereld haar verhaal, luister maar, alle dingen spreken voor zichzelf”.
Of zou het komen door het volksverhaal dat hij later hoorde?
Alle verhalen van de wereld zouden als beekjes en rivieren naar zee stromen, daar werden ze opgelost en uiteindelijk verdampten ze.
In zee weken de namen weer los van de dingen, in die zee wordt de wereld weer naamloos.

Pollice leefde van het verhaal.
Zouden zijn verhalen door die zee worden verslonden dan zou hij met zijn mond vol tanden achterblijven op het kale strand.
Een lichte huivering trok over zijn rug bij dat idee.
Voorlopig zou Pollice de zee beter mijden, voor de zekerheid. Wanneer hij uitverteld was zou hij de zee alsnog bezoeken.
De zee loopt niet weg, waarin zou ze weg kunnen lopen?

Wetenscheppelijk


Scheppen speelt zich af, niemand die het scheppende kent
het schept strandkastelen voor zacht krachtige golven.
schoonheid van vergeefs streven klinkt ruisend zo bekend.

het graaft kanalen, wild water leidend naar de dorstige zee
die bedolven ligt onder schuim, wind en openende luchten
hun schaduwen scheppen lichtjes met het scheppende mee

jonge wetenscheppers scheppen plezier in schelpenstrand
ze weten zich hier gelukt, als schepsel goed geschapen
in onbegrensd niemandszand waar branding eeuwig brandt

dit tijdelijke bestaat al eeuwig, het vergaan schept spontaan
ruimte voor en achter, onder boven, al het buitenste binnen
het nieuwste begin schept zin in het zonder meer bestaan

De verhaalgenerator

De verhaalgenerator

Er was eens één verhaal dat Pollice nooit vertelde; ‘Het Taboe’
Eerst kende hij het niet want niemand sprak er ooit over.
Tot hij op een avond merkte dat zijn luisteraars tijdens een verhaal plotseling verstijfden en zich met schichtige blikken uit de voeten maakten.
Had hij iets verkeerd gezegd?
Bij navraag maakte werd hem op gedempte toon duidelijk gemaakt dat hij een taboe had doorbroken…
Wat het taboe precies was wilde men hem niet vertellen,
alsof er een vloek op rustte.

Zijn collega verteller, de oude herder Tebaldi probeerde het hem eens uit te leggen:
“Het onvertelde is aanwezig door verzwijging, dat roept een spanning op in een verhaal”
“Het taboe heeft vele aspecten, verwikkelingen en personages, los van elkaar geen probleem, maar sommige van deze drie combinaties vormen een explosieve lading.
Als verteller moet je een zintuig ontwikkelen om het tijdig te ruiken en er sierlijk omheen te gaan, net langs het randje.”
“Het taboe zelf is saai, alleen het vermijden geeft haar kracht”

“Waarom bestaat het taboe eigenlijk als het er niet mag zijn? Vroeg Pollice.
“Het taboe is het grote vormgevende principe” zei Tebaldi geheimzinnig, “als alles gezegd moet worden en mag worden, betekent dat dat de hele taal wordt ontkracht.”
“Zeggingskracht komt van het verzwegene, zonder taboe is alles vormloos en betekenisloos”
“Het moest verboden worden om verboden te verbieden, omdat verboden spanningen geven, stroom.”
“Woorden zijn geladen deeltjes voor de lege batterij van de luisteraar”

Pollice wilde toch een keer het Taboe vertellen om te onderzoeken hoe het werkte.
Hij was binnen een kwartier compleet uitverteld, dat gebeurde hem nooit.
Bovendien hadden zijn luisteraars al na vijf minuten de zaal verlaten.
Het taboe zou het einde zijn geweest voor de verteller als hij ermee was doorgegaan.
Zijn vriend de psychiater Lucello verklaarde het taboe als;
‘de kortste weg van A naar B die je nooit moet nemen’
“Een vertelling bestaat juist uit ontelbare omwegen, slingerweggetjes, een waar doolhof van verhaallijnen”
Bij een verhaal gaat het er juist om nooit direct van A naar B te gaan.”
“Fabuleren is de kunst van de omweg, de mooiste weg naar huis is tevens de langste, en onderweg bordjes verboden toegang tegenkomen maakt de reis spannend”

De nachtpupil


De oude herder Tebaldi bracht zijn kind in slaap door het vertellen van slaapverwekkende verhaaltjes, deze keer over de draak van de Dolomieten:
“De pupil van zijn oog was zo zwart als een maanloze nacht en is dat nog steeds zoals iedereen kan zien” zo begon Tebaldi.
Samen keken ze door het raam naar de donkere hemel, die terug leek te kijken.
Het was een oeroude legende, ontstaan in de diepste nacht,
ver voordat er oren waren om verhalen aan te horen.
Tebaldi wilde het verhaal vervolgen maar zijn jongste zoon onderbrak hem:
“Wat nu als de nacht zelf de pupil is van een onmetelijk groot oog?”
De herder moest lachen maar wilde niets laten merken,
dit waren serieuze zaken voor een zevenjarige.
Mario was klaarwakker.
“Als het oog zo groot is dan drijven wij als een vuiltje rond in die pupil en zal alles wat wij doen worden gezien”

De vader was verrast door de wending die zijn zoon aan het verhaal gaf en zag zich genoodzaakt een zijpad in te slaan,
de draak moest even wachten.
“Je hebt gelijk Mario, er was vroeger een idee en dat werd
‘het alziend oog’ genoemd, het was een idee om de mensen te sturen en te controleren.
Natuurlijk wilden de mensen ontsnappen aan die dwingende kracht, het gevoel dat iets op je vingers kijkt werkt verlammend.

De mensen bedachten allerlei uitvluchten; leven met je ogen dicht, als struisvogel.
Stil blijven zitten, je niet verroeren, zodat de jager de prooi niet opmerkt.
Doen alsof je alleen het juiste doet, je ogen wassen in onschuld.
Het hielp allemaal niets, het werd steeds erger, vertelde Tebaldi, de mensen gingen elkaar controleren en met dwingende ogen de kant opsturen waarvan zij dachten dat het de goede kant was.

Volgens de legende verscheen er een draak aan de hemel die een vuurbal uitspoog midden in het alziende oog.
Die vuurbal was de zon die het alziend oog heeft verblind.
Sinds die tijd is het oog ziende blind, het heeft geen andere keus dan te vertrouwen dat het verhaal goed afloopt, het ziet het leven met vertrouwen tegemoet.

Samen keken ze in de diepe duistere hemel, het was een slapeloze nacht voor beiden.
Tebaldi dacht bij zichzelf, dit is een slecht verhaal voor het slapen gaan, niet slaapverwekkend genoeg.
De jongen keek zijn vader hoopvol aan, om nog een verhaal.

Met dank aan Pollice Grosso.
“Sommige verhalen zijn te mooi om onverteld te blijven”

Pasta paranoia

Pasta paranoia

Ongemerkt en onbedoeld was Pollice truffelleverancier geworden dankzij zijn hond, Volpi.
Aan de apotheek van het Instituto dell’ Anima leverde hij de speciale truffelsoorten, bij uitstek geschikt om als psychofarmaca te dienen.
Zijn vriend Luciano Lucello, geneesheer directeur van de Kliniek van de Ziel betaalde hem in natura met alle mogelijke wederdiensten.
Hij kleedde de verteller, betaalde zijn kapper, zijn tandarts, de pedicure, hield een kamer voor hem vrij, met warm bad.
De truffels waren van onbetaalbare kwaliteit en van onschatbare waarde voor een gekwelde ziel.
De meer gangbare truffels, die Volpino onvermoeibaar opgroef, leverde hij aan restaurants.

Hij betaalde zijn schoenen met de peperdure zwammen.
Feitelijk was de trufato Pollice’s onwettige betaalmiddel, onmogelijk te belasten. Zijn bank lag onder eiken en olijfstronken verborgen.
“Het geld groeit niet aan de bomen maar onder bij de wortels”
Omdat de schuld niet was te verhalen op Pollice was hij bij de belastinginspectie uit zicht geraakt.
Tot een inspecteur met een gastronomische aandoening toch lucht kreeg van de truffel, dat kwam zo;
Pollice had bij vergissing een medicinale truffel aan een duur restaurant in Milaan geleverd.
De inspecteur at daar bijna dagelijks, bestelde alles met trufato. Na het desert van truffelpannacotta verloor de belastingman het bewustzijn.
De overdosis had hem te veel belast.
Nu hing hij daar achterover in zijn stoel, comatueus.
Het personeel probeerde hem bij brengen met ijswater, een genante aanblik voor de andere gasten.
De kok raakte in paniek, de sterke geur van de truffel had hem al doen fronsen bij de bereiding, nu liep hij jammerend te ijsberen.
Zo discreet mogelijk werd de gast afgevoerd.
Een bevriende arts stond ook voor een raadsel en wist niets beters te bedenken dan rust voor te schrijven en af te wachten.
Het bericht bereikte Pollice, die onmiddellijk Luciano inschakelde.
Zo kwam de inspecteur in de zielskliniek terecht voor deskundige behandeling.
Lucello probeerde een tegengif uit om de patiënt weer bij kennis te krijgen.
Tot zijn verbazing werd de man een paar uur later al wakker uit zijn onvrijwillige narcose,
Hij wist evenwel niets meer over zijn identiteit, Lucello was euforisch over dit bijverschijnsel.
Gelukkig konden ze uit zijn papieren opmaken wie hij was.
Het duurde een dag om de belastingman bij te praten over wie hij volgens zijn documenten moest zijn, langzamerhand kwam alles weer terug op zijn plaats.
Een maand later kwam hij verhaal halen over de gang van zaken in de kliniek.
De geheime truffelhandel kwam aan het licht en Pollice’s rol als leverancier.
Er dreigde een inval en onderzoek van de belastingdienst.
Hoe zouden de vrienden dit kunnen uitleggen, dat er geen geld aan te pas kwam?
Luciano Lucello zag geen ander uitweg dan de inspecteur voor die avond uit te nodigen voor een diner met de juiste dosis truffelextract.
Na het eten viel hij inderdaad weer achterover in een diepe slaap.
Ze reden hem naar huis, legden hem in bed en wisten de sporen van zijn financiële onderzoek.
Van zijn huisrestaurant vernamen ze later goed nieuws, hij was niet meer de oude geworden, maar wel vriendelijker.
Door deze geschiedenis kwam Lucello op het idee een restaurant voor de ziel te beginnen, met een menukaart van geestelijke aandoeningen.
Luciano keek dromerig voor zich uit en dacht:
“Doet u mij maar de Tagliatelle Paranoia”
Alles komt aan op dosering en een bijpassende gerecht om precies het gewenste geheugenverlies te veroorzaken.

De open deurwoning


Wie Grosso wilde bezoeken stuitte op een ontastbaar probleem,
een leegte in de vorm van een huis.
De man woonde overal en meestal nergens, hij was permanent onderweg.
“ik voel mij overal thuis, een naaktslak vindt overal onderdak”
Door de Italiaanse wet werd de verteller verplicht een postadres te hebben.
Het Italiaanse ministerie van belastingen houdt haar contacten graag warm en innig.
Pollice heeft na enig aandringen van een deurwaarder een antieke voordeur in gebruik genomen als vaste verblijfplaats. De monumentale deur werd opgehangen in het poortgebouw van Instituto dell’Anima.
Zijn deur staat altijd open, voor de postbode, aan de binnenkant van de deur hangt een grote jute postzak bij wijze van brievenbus.
Grosso krijgt relatief veel post voor een analfabeet.
Als hij na een verhalenreis zijn deur opent zit de zak vol.

De post laat hij zich voorlezen, vroeger door de postbode en nu door zijn biograaf, van wie ik dit verhaal doorgespeeld kreeg.
De enveloppen zijn vaak alleen met zijn naam beschreven, zonder adres, soms onder de stempels van diverse districten.
Toch komen ze in de zak terecht, er is altijd wel iemand die hem kent.
Nadat de belastingsambtenaar een ware jacht op Pollice Grosso had gemaakt waren ze tot een mondelinge overeenkomst gekomen, bekrachtigt met een feestelijk diner op het dorpsplein ergens in Toscane.
De overeenkomst hield in dat de verteller voortaan een vast postadres moest hebben en in natura zijn belastingen moest voldoen, mondeling.
Een boekhouding willen inzien van een ongeletterde zou natuurlijk een absurde eis zijn, dat begreep de dienst.
Op onroerend belastbaar bezit kon men hem ook niet betrappen.
Een jaarlijks goed verhaal voor alle belastinginspecteurs zou dan als genoegdoening dienen, maar dan moest hij wel met een goed verhaal komen.
Grosso had meteen ingestemd:
“mijn hele wereld is mondeling, dus waarom niet”
Later bekroop de twijfel hem, weifelend.

De belangrijkste post bestond uit uitnodigingen om ergens op verhaal te komen, dankbetuigingen van toehoorders, aanmaningen van het ministerie van belastingen.
De mondelinge schuld liep op, een achterstand van jaren.
Pollice wilde best afbetalen met verhalen, maar het kwam er niet van.
Hij wilde eerst een goed verhaal vinden.
Eigenlijk vond hij geen enkel verhaal goed genoeg om zijn schuld af te lossen, alleen het hele verhaal kon goed zijn.
Maar hoe vertel je het hele verhaal, waar begin je?
Daar is geen beginnen aan.
De belastingdienst schold de schuld kwijt.
Tot een ambtenaar lucht kreeg van zijn geheime truffelhandel.

De schriftgeleerden


In de loop der jaren verschenen er verschillende studies over het mondelinge werk van P.Grosso.
Deze zijn gebaseerd op transcripties van de orale verhalen die de verteller her en der fabuleerde.
Zo bestaat er een dissertatie:
Vorm en stijl in het werk van P.Grosso, intentioneel geconcipieerd of gecultiveerd onvermogen?
De promovendus Italiaanse letterkunde geeft geen eenduidig antwoord op deze tweeslachtige stelling.
Soms lijkt hij over te buigen richting gecultiveerd onvermogen dan weer naar bewust beoogde compositie. Aan het slot vraagt hij zich af of beide mogelijkheden niet tegelijkertijd naast elkaar kunnen bestaan, hij wil het niet uitsluiten noch bevestigen, hetgeen typerend is voor deze tak van wetenschap. Hoe kan het ook anders als de wetenschap het denkbeeldige betreft.

De schriftgeleerden baseren zich op handgeschreven transcripties van Grosso’s orale verhalen.
De moeilijkheid is dat zo’n transcriptie slechts een eenmalige geldigheid heeft.
Vergelijking van diverse transcripten leveren vaak evenzovele versies op van hetzelfde verhaal.
Dat bracht de universitieit van Florence er toe om een speciale vakgroep ‘oralistiek’ op te richten met als enige onderzoeksonderwerp P.Grosso.
Hoe inconsequenter het onderwerp zich gedroeg hoe interessanter maar ook onoverzichtelijker het wetenschappelijk veld werd, na een jaar werd de vakgroep opgeheven.
Hun enige onderzoek: ‘Narratieve manipulatie inzake Grosso’ kon vaststellen dat de verteller zijn verhalen doorspekt met subtiele verwijzingen naar producenten, producten en plaatselijke middenstand. Schaamteloze mondelinge reclame, vonden de taalpuristen die alleen het ‘eerlijke verhaal’ wilden horen.
Pollice verdedigde zich bekwaam: “Schaamteloosheid is mijn eerste natuur, het is niets anders dan totale transparantie, openheid van zaken” na afloop prees hij nog even de venkelworst van de plaatselijke slager aan.

Een boeiende studie is: ‘Het recept van Pollice Grosso’
De drievoudige werking van het orale verhaal.
Het verhaal als recept kan als:
1) geestelijke voeding dienen, (inspiratie/inblazing)
2)medicinaal recept een kwaal genezen, (het verhaal als bril, de receptoren worden bijgesteld)
3) vergif werken, bedoeld of onbedoeld. (zie Werther van Goethe, de golf van zelfmoorden)
Soms kan een gif ook genezend werken in een homeopathische dosering.
De geleerde komt tot de conclusie dat de werking geheel en al afhangt van de lezer, hoe die het leest of in geval van Grosso, hoe de luisteraar het hoort.
De verteller wordt tot slot geheel vrijgepleit van elke gewenste of ongewenste bijwerking.

Pollice, die bij de promovering was uitgenodigd moest lachen om de goedbedoelde analyse van de schriftgeleerde.
Hij stond erop een kleine toevoeging te mogen maken, nummer vier;

“Na elk verhaal, driemaal daags, nodig ik mijn toehoorders uit om samen te eten.
Niets maakt zo hongerig als reizen in de geest, zo vieren we iedere dag samen met feestelijk voedsel, het is heerlijk als iedereen zijn lievelingseten deelt”
“Mijn verhalende leven is niets anders dan een recept voor brood op de plank, smakelijk eten”
De maaltijd kon beginnen.

Cineast van de geest

Het was de grootste vergissing van hun leven om een film te willen maken over Pollice Grosso en vooral met hem.
De broeders Fragolini, cineasten, waren bewonderaars van het verschijnsel Grosso.
In die tijd liepen geruchten over verhalen van en over Grosso als een lopend vuurtje door het hele land.
Ze reisden hem zelfs na om zijn verhalen te volgen, er kon immers materiaal bij zitten voor een volgende film.
Opeens kwam Luigi op het idee een film met Pollice te maken, broer Carlo was er meteen voor in.
Ze hadden zulk goed contact met Grosso dat het bijna vriendschap leek. Het maakte Pollice niet zoveel uit.
Als de Fragolini’s een film wilden maken met hem verleende hij graag zijn medewerking, omdat hij ze aardig vond en benieuwd was naar de filmwereld.
Zijn enige voorwaarde was dat Ventoresa de muziek in de film zou maken, live.
Het kostte veel moeite om Pollice uit zijn hoofd te praten dat live muziek in een speelfilm niet zo handig was, al was het maar omdat bij het snijden van de film ook het geluid in stukjes aan elkaar geplakt zouden worden.
Vanuit compositorisch oogpunt een interessant experiment, maar de Fragolini’s waren uit op een coherent chronologisch verhaal.
Na lange biografische gesprekken, monologen van Pollice, schreef Luigi Fratellini het script; “Raconto il Mondo, de Wereld Vertelt”
Hij gaf het script aan Grosso ter inzage, die er ongezien mee instemde.
Er werd een souffleur ingehuurd om de analfabetische verteller de tekst te leren.
Na een week was de man dolgedraaid door de verteller, Pollice voegde woorden toe, liet woorden weg en kwam ongevraagd met uitgebreide biografische gegevens.
Carlo suste de boel en stelde voor te gaan draaien, dan zouden ze op de set wel oplossingen vinden.
Pollice genoot volop van de filmset, het nagebouwde decor van zijn jeugd.
Hij vond het heel gezellig met de crew, maar liep uit het beeld, door het beeld, sprak wanneer hij veelbetekenend moest zwijgen, was niet te vinden als hij nodig was.

Uiteindelijk besloten ze dat Pollice maar gewoon zichzelf moest spelen; “vergeet die tekst, zeg het maar gewoon”
Dat leek het beste, maar de verteller kon moeiteloos alle mogelijke personages spelen in zijn verhalen, maar onmogelijk zichzelf zo bleek. Grosso verklaarde;
“Ik ben het medium waardoor verhalen vanzelf stromen, maar ikzelf ben leeg, als een gootje waar het afvoerwater door wegloopt”
Nu kregen de broeders ruzie over wie op dit onzalige idee was gekomen, de spanning en de kosten liepen op.
Het gootje verstopt.

Van het debacle is een korte documentaire samengesteld, the making of Raconto il Mondo.
Ventoresa speelde, uiteraard ongezien, de geluidsband onder de film in, thuis in zijn eigen donkere huis.
Het was een laatste strohalm van de Fragolini’s om nog een beetje uit de kosten te komen.
De documentaire ging in première op kleine filmfestivals,
zij het onder een andere naam: Direttore F.Malocchio.
De gebroeders wilden er liever niet aan herinnerd worden.
De documentaire is niet om aan te zien, toch is het de moeite waard om hem te bezoeken vanwege de bijzondere soundtrack van Ventoresa.
Met de ogen dicht krijg je toch een goede indruk van het leven van Pollice Grosso, je hoort als het ware de wereld die zich vertelt.

Inmiddels is het contact weer als vanouds, bijna vrienden.
“Pollice is een ramp op het filmdoek, maar als je hem hoort vertellen zie je er vanzelf de filmbeelden bij, hij is de cineast van de geest, hij levert alleen ondertiteling” alsdus Luigi