Uitdrukkelijke soep

Het antwoord van Pollice ‘Alle buitenwereld is binnenwereld’ bleef maar rondzingen in het brein van Luciano.
Wat zou deze uitspraak betekenen binnen het onderzoek?
Dat je niets kon buitensluiten, dat alles onherroepelijk deel uit maakt van de binnenwereld?
Het onderzoek vorderde niet erg moest Luciano toegeven,
steeds stuitte hij op voor hem onverenigbare inhouden
‘binnen’ het object P.Grosso.
Verder kende hij geen mensen die slapenderwijs fabuleerden als Pollice en dan nog wel verstaanbaar, er waren genoeg slapers die wel eens iets onverstaanbaars mompelden.

De theorievorming kwam dus moeizaam van de grond, het bleef bij speculeren.
In een map “Speculatieve presumpties” hield hij zijn indrukken bij, hij las: ‘Bestaan is het ondergaan van talloze losse indrukken, je wordt van jongsaf aan ingedrukt met zintuiglijke gewaarwordingen.’
‘Wellicht moet je wel een tegenkracht ontwikkelen om niet tot een propje te worden verfrommeld, je moet je uitdrukken?’
Lucello stelde zich zelf voor als een verfrommeld propje en ging verder:

“Wat is een verhaal anders dan een verzameling van losse indrukken die tot een coherent, hanteerbaar geheel wordt gefabuleerd? ,onbegrijpelijke en ongrijpbare losse indrukken krijgen door het verhaal een schijnbare begrijpelijkheid?
Krijgen ze alleen samen een zinvolle plaats en betekenis in verhouding tot alle andere losse indrukken?”

Al speculerend kreeg Luciano nu de smaak te pakken en het idee dat hij op een spoor zat, wellicht het juiste spoor.
De dynamiek van indrukken die uitdrukkingen oproepen…

‘ Maar wacht!’ realiseerde de geleerde Lucello zich plots, terwijl hij hardop dacht:
‘Wat ik nu aan het theoretiseren ben is natuurlijk ook weer niets anders dan een plausibel verband fabuleren’
Het was alsof hij zichzelf een klap op zijn bovenkamer had gedacht waardoor er opeens een zolderraam openstond, het voelde als prikkelend frisse ruimte in zijn hoofd.
Hij vond het onbegrijpelijk dat hij zich dit simpele feit nog nooit had gerealiseerd.
Dromen, smoesjes, roddels, fabels, geschiedenis, theorieën, thrillers, detectives, romans, leugens, waarheden…
Het waren allemaal verwoede pogingen om het ongrijpbare mysterie van het bestaan te grijpen, te bezweren, pogingen stonden gelijk aan het ontwerpen van een ronde cirkel of een bolvormige kubus.

Het object P.G. als afwijking te zien was wel heel verleidelijk, toch kon Luciano het verhalend vermogen niet als ziektebeeld zien, want wie zou er niet zo’n ziekte willen hebben?
Het geval P Grosso leek geen sensorisch filter te hebben , alle indrukken kwamen gewoon ongezeefd binnen zonder enige censuur, dat maakte het verschil met andere mensen.
Wie maar een paar zintuiglijke ingrediënten toelaat kan hooguit een waterig soepje koken.

Luciano legde zijn overwegingen voor aan Pollice die net soep aan het koken was, deze reageerde:
‘Ligt het niet in de aard van de geest om overal soep van te brouwen, verhaalsoep?’
‘De godganse dag krijgen we ingrediënten binnen, het maakt niet uit welke, het staat iedere dag weer op het menu, soep van de dag’
Luciano vroeg: ‘is het verhaal beter naarmate de verhaal soep is gebonden?’
‘Een kwestie van smaak’ zei Pollice, ‘ik hou wel van soep met een beet, verse ingrediënten maken het verhaal actueel… hoewel soep van een dag oud een verhaal ook op smaak kan brengen’

Als laatste gooide Pollice een handvol lettervermicelli in de enorme pan.

Slaapspraak


‘Slaapt als een donsveertje op een witte wolk’ noteerde de zielkundige in zijn verslag.

Pollice Grosso lag regelmatig op de sofa te slapen bij zijn vriend Luciano Lucello, vermaard psychiater en uitbater van de Zielskliniek, Instituto dell’Anima.
De verteller lag daar niet als patiënt maar als onderzoekobject.
Sprekenderwijs waren de vrienden er achter gekomen dat wanneer Pollice in slaap viel op de sofa dat het vertellen gewoon doorging.
Ook antwoordde hij wanneer Luciano gerichte vragen stelde.
Het onderzoek kwam voort uit een fascinatie voor de oorsprong van het verhaal, die onuitputtelijke bron.
Als werktitel noemde Lucello het: ‘Narratore di Sogno’ , de droomverteller.

Lucello had de slaapverhalen eerst als pathologische onthullingen beschouwd, tot hij inzag dat het een beroepsdeformatie is om alles wat je niet begrijpt als geestesziekte in te schalen in een systeem.
Een systeem dat feitelijk niets meer behelste dan gecategoriseerde onwetendheid.
Hij begreep eerst werkelijk niet wat hij hoorde uit de slapende mond van Pollice tot het hem gaande weg duidelijk werd dat het hier om pure poezie ging.

Na de praatslaapsessie vertelde Luciano zijn vriend wat de oogst van de slaap was.
Pollice sprak er niet graag over, dat had hij immers al uitgebreid gedaan tijdens zijn hazenslaap.
Als Luciano vroeg: ‘en heb je lekker geslapen?’ dan was het antwoord :
‘Ik was net zo wakker als ik nu ben, alleen was de buitenwereld even verwisseld met de binnenwereld’
Luciano vond het een significante uitspraak, maar wist nog niet welke betekenis hij eraan moest geven.
Toen hij Pollice ernaar vroeg verklaarde deze simpel:
‘alle buitenwereld is binnen’
Het klonk Lucello zo eenvoudig in de oren dat hij het niet meteen kon geloven.

De gedichten zijn de enige teksten van Pollice Grosso die in druk zijn verschenen bij uitgeverij ‘Il Bombo Pigro’ ,
als bijvangst van Lucello’s onderzoek.
De bundel is uitgebracht als bibliofiele uitgave onder de naam: ‘Racconti Lucidi’ (lucide vertellingen)

“De zon legt een pad van licht
naar mij toe over een stille zee

reizend over het lichtspoor
suisen we met de snelheid van het zicht

over het spiegelgladde oppervlak richting zon
die geen godgloeiende bol is maar een poort

een milde koele poort waarachter we drinken
van de bron, iedereen danst hier in nachtjapon

terwijl we klinken zonder glazen”

Zo luidt het titelgedicht.
Het bezorgde Pollice als dichter de bijnaam:
‘een gelukkige Icarus’

“Waar Icarus ongelukkig ten val kwam op weg naar de zon heeft Grosso een behouden vlucht, zijn lyrische vleugels zitten goed vast, gelijmd met de kleefstof van het blinde vertrouwen”

Zo stond het te lezen in een recensie van Corriere di Siena, een krant die Pollice nooit zou kunnen lezen.

Bemost evenbeeld

Het raadselachtige van Pollice Grosso is dat er nauwelijks gelijkende portretten van hem in omloop zijn en die er zijn maken de verwarring rond zijn persoon alleen maar groter.
De bekende portretten lijken niet op elkaar, het lijkt alsof de verteller steeds een ander uiterlijk aanneemt.
Sommige luisteraars beweren dat hij verandert in de personages waarover hij vertelt.
Foto’s van Pollice hebben de neiging om te mislukken, onderbelicht of overbelicht.

Het portret waar hij zichzelf het eerste in herkende was een compositietekening die op de gevel van een politiepost was geplakt.
Pollice liep er langs, bleef staan vond het zo goed gelijkend dat hij het politieburo binnenging om te vragen wie de kunstenaar was.
Binnen hingen tot zijn verrassing nog meer dezelfde portretten van hem, het leek wel een kunstgallerie.
Natuurlijk kon hij het onderschrift met het dringende verzoek tot opsporing van de verdachte niet ontcijferen.
De politiebeamte dacht dat Pollice zichzelf kwam aangeven voor de brute gewapende overval, een maand eerder op het dorpsplein.

Pollice vond het een vriendelijke ontvangst, hij kreeg een dubbele espresso en het verhoor ondervond hij als een gezellig gesprek, al was het wat eenzijdig.
Steeds als hij over de kunstenaar begon omzeilden ze de vraag met bijzaken, waar hij geweest was op die en die dag op dat uur.
Na aandringen van de ondervragers mocht hij zijn goede vriend Luciano bellen, die wist misschien waar hij geweest was, maar de telefoon werd niet opgenomen.
Luciano was aan het werk, dus gaf hij niet thuis, ook al deed hij thuis zijn werk.
Pollice was geboren zonder tijdsbesef, hij leefde een horlogeloos bestaan.

De agenten gaven hem te kennen dat hij zonder antwoord op die vraag een paar nachtjes zou blijven logeren.
Pollice was blij verrast want hij had nog geen hotel geboekt.
‘Dank u voor de gastvrijheid’ zei hij ‘ik wil niet lastig zijn, maar zou ik zo’n portret mogen hebben, ik wil er graag voor betalen’
De agenten gaven hem een stapeltje pamfletten met zijn beeltenis om op te hangen in zijn cel terwijl ze begonnen te twijfelen aan de schuld van hun vrijwillige verdachte.
Het ontroerde Pollice dat iemand de moeite had genomen om zijn portret te maken.
‘De kunstenaar van het forensisch instituut komt morgen’ vertelden de agenten.
Pollice verheugde zich op de ontmoeting de volgende dag.
De tekenaar bleek Pollice te kennen, hij was als luisteraar bij verschillende vertellingen aanwezig geweest.
Nu hij hem ontmoette moest hij erkennen dat Pollice inderdaad verdacht veel op zijn tekening leek.
De man begon zich te verontschuldigen voor zijn tekening, maar Pollice wilde daar niets van weten en prees het werk zo de hemel in dat hij de originele tekening kado kreeg.

Lucello kwam Pollice ontzetten door te vertellen dat Grosso op die bewuste dag op dat en dat uur bij hem in de kliniek op de sofa had liggen slapen.
Opgelucht lieten de agenten de verteller gaan, ze waren op hem gesteld geraakt en hadden in vervoering naar zijn avonturen geluisterd

Pollice had na de verklaring van Luciano gevraagd of er ook onbewuste dagen bestonden op welk uur dan ook.
‘Alleen als je niet bewust bent van het feit dat al het verhalende een droom is’ had zijn vriend uitgelegd.

Sindsdien herkent Pollice zijn zelfportret in elke boom, zonsopgang of bemoste kei.

De gevederde stem

Op het moment dat de befaamde componist Maestro Mirafiori over de legende van de Ravin van Montcorvino hoorde raakte hij zo begeesterd dat Pollice Grosso meteen verzocht werd om het libretto te leveren voor een opera, per telegram.
“Het is al een opera, er hoeft alleen nog maar muziek bij en mooie aria’s.” had de maestro uitgeroepen.
Het duurde een maand voordat het bericht Grosso bereikte, in de vorm van een postbode die hem het telegram voorlas.
Grosso voelde zich vereerd met de uitnodiging om aan de Opera te werken.
Gelukkig was zijn vriend Luciano Lucello bereid een brief te schrijven aan Mirafiori om te danken voor de graag aanvaarde uitnodiging.
Toen de brief verstuurd was vroeg Pollice aan zijn vriend: ‘Wat is trouwens een libretto?’

Na een uitbundige kennismaking met de componist werd de samenwerking beklonken met de beste wijn van Montcorvino.
Het probleem dat Grosso kon lezen noch schrijven werd opgelost als hij Pollice als souffleur bij de uitvoering het verhaal in goede banen zou leiden, een novum in de operawereld.
Een levende verteller die de scenes aan elkaar fabuleerde en ter plekke kon variëren en afwijken.
Iedere uitvoering zou zodoende uniek worden.

Het enige echte probleem was een bereidwillige raaf te vinden, deze raaf zou moeten zingen, of worden afgericht om de doen alsof.
Er werden rond Montcorvino meerdere raven gevangen om te worden afgericht voor de opera, dat zou drie maanden duren volgens de dierenarts die de dressuur op zich wilde nemen.
Mirafiori zou in drie maanden de muziek schrijven.
De premiere kon dan over een half jaar plaatsvinden.
De raven werden gekortwiek en hongerig gehouden zodat ze aanwezig bleven en omkoopbaar om tegennatuurlijke handelingen te verrichten in ruil voor lekkere hapjes.
Voor een lekker hapje deden de raven graag alsof ze bereidwillig waren, maar na het hapje werden ze onmiddellijk ongenietbaar brutaal en onhandelbaar.
Om de rol te vervullen moest de raaf snavel bewegingen maken of met opengesperde bek doen alsof ze een aria zong.
De bek werd volgesmeerd met een kleverige pasta waardoor het dier permanent zijn bek leeg probeerde te likken, onderwijl moest Grosso proberen in de maat van die snavel het verhaal te vertellen, de repetities eindigden in een chaos.
Om de aria’s te verbeelden werd een tweede raaf gebruikt die een stokje tussen de snavel kreeg dat hij kwijt probeerde te raken.
Pas toen de raaf in het dwingende oog van de dierentemmer pikte werden verdere pogingen gestaakt.

De muziek van Mirafiori was prachtig en de aria’s onvergetelijk, uiteindelijk werd er een poppenspeler ingehuurd om de figuur van de raaf te manipuleren.
De opera werd en groot eenmalig succes, een ongestuurd spektakel, maar door Pollice’s uitwijdingen duurde de voorstelling eindeloos.
Na de premiére werd de opera door een reizend poppentheater op het repertoire genomen.
Alleen de aria’s van ‘de gevederde stem’ hoor je nog wel eens uit kapperszaken klinken.

De hele mislukking om de raven te trainen bewees wel dat de liefde van de Ravin uit de legende echt moest zijn geweest, ware liefde laat zich niet omkopen met lekkere hapjes.

De staf van Tebaldi

Voor het college begon waren de vrienden al druk bezig te oefenen hoe je aan het woord kon blijven.
Er werd veel drank ingezet, de favoriete strategie was bijschenken zodat je publiek zwijgzaam blijft drinken.
De schenker hield het hoogste woord tot hij zelf een slokje nam.
Pollice zag het derde college vrolijk tegemoet, nog even en de toehoorders waren zo lam als een kudde schaapjes.
Het was nog geen tijd, Pollice had er echter zin in en stampte met met een oude herderstaf op de houten vloer van de zolder en het was stil.
De studenten ‘Orale verhaalkunde’ keken hem verwonderd aan terwijl hij het woord nam en niet meer losliet.
‘Kijk, wanneer het lastig is om aan het woord te blijven kun je gebruik maken van een attribuut’
Pollice toonde een vreemdgevormde stok en verklaarde op bezwerende toon:
‘Dit hier is de herdersstaf van Gioco Tebaldi, de oudste verteller die ik ooit heb ontmoet, hij gaf mij deze staf en vele ongevraagde adviezen die mij nog steeds als leiddraad dienen.
Deze staf heeft meer verhalen aangehoord dan ik ooit zal kunnen vertellen, van generatie op generatie is deze staf al doorgegeven van verteller aan verteller, de staf zit dus vol verhalen, legendes, mythen en fabels’

‘Let wel, alles kan als attribuut dienen om het verhaal kracht bij te zetten, het ene werkt alleen iets krachtiger dan het andere,bhet ding werkt als het ware als een bewijs uit de tastbare werkelijkheid voor de ontastbare werkelijkheid van het verhaal.’

‘Om de kracht van deze staf te ervaren laat ik hem jullie even vasthouden en vertellen’
Er ging een lichte huivering door de zolder.
Lucello keek sceptisch en geamuseerd bij dit staaltje van magisch denken en trok zijn wenkbrauwen op.
‘Lucello, mag ik jou als eerste de staf overhandigen’ zonder het antwoord af te wachten gaf Pollice de stok aan zijn vriend.
Luciano schrok een beetje, maar merkte dat hij onmiddellijk ongewild begon te fabuleren;

‘wanneer een fysiek attribuut niet helpt, dan kunnen we een zeer geconcentreerd taalattribuut inzetten om de impasse op te lossen’
‘ Om een voorbeeld te geven citeer ik graag onze ten onrechte onbekende dichter Giorgio Caproni, het heet:
‘een briefje alvorens niet weg te gaan’

Mocht ik niet terugkomen,
Weet dan dat ik nooit vertrokken ben.
Mijn gereis
Was uitsluitend hier
Blijven, waar ik nooit ben geweest.

Luciano gaf verbijsterd de staf door aan Mario de postbode, die naadloos het betoog overnam;

‘Dit is nu een treffend voorbeeld van een narratief bouillonblokje, het vat iets onzegbaars samen, je kunt je vinger er niet opleggen, maar de vage smaak van betekenis laat je nooit meer los’
‘De wegen van het verhaal zijn ondoorgrondelijk…’
Pollice gebaarde om de spraakmakende om de staf weer door te geven.
Na het woord ondoorgrondelijk liet Mario de staf uit zijn handen vallen.
Pollice schrok omdat hij het geschenk van Tebaldi koesterde als een schat, een levende bron van inspiratie.
Hij schudde de staf voorzichtig en hield hem aan zijn oor om te luisteren of hij het nog deed.
Het gezelschap hield de adem in…tot Pollice fluisterend verlossende woorden sprak:
‘De wegen van het verhaal zijn ondoorgrondelijk en wonderbaarlijk, met de lijm van betekenis is ze in staat om alles wat los en vast zit onlosmakelijk te verbinden’
Pollice haalde opgelucht adem en wikkelde de staf in een zijden doek.

Eenmaal thuis had Luciano Lucello nog nageplozen wie Caproni was, of hij bestond en of het gedicht zo bestond zoals hij het, zonder het te kennen, had geciteerd.
Het was alsof de wetenschappelijk bodem onder zijn bestaan wegzakte, natuurlijk was dat slechts schijn, er had nooit een bodem in gezeten.

De golfslag van woorden

De golfslag van woorden

Het vervolgcollege ‘ Orale verhalen’ vond plaats op het hooggelegen terras van Ristorante Pollodoro, met uitzicht op eindeloze boomgaarden.
De vrienden begonnen om de beurt aan wat het begin van een verhaal zou kunnen worden.
Luciano Lucello wilde beginnen:
‘Ik heb niets voorbereid’ zo begon hij.
‘Prima’ zei Pollice bemoedigend, ‘dan is onvoorbereid zijn het thema, een mooi thema.
Ik bereid nooit iets voor, er vallen immers geen voorzorgmaatregelen te treffen.
Een oraal verhaal kent geen enkele voorbereidingstijd.
Het verhaal wordt altijd nu verteld, onmiddellijk, er is geen bedenktijd, vandaar dat de verteller vertrouwd moet zijn met de blinde paniek van het niet meer weten om verder te kunnen.
De verteller balanceert op het randje van de waanzin’
Pollice rolde even met zijn grote zwarte ogen.

‘Kun je iets zeggen over tijdloze verhalen en hoe je die kunt vertellen’ vroeg Mario de postbode, die nooit kon nalaten de briefkaarten die hij bezorgde even te lezen.

‘Er zijn zeer inderdaad geconcentreerde verhalen’ antwoorde Pollice, ‘die het vermogen hebben om je je hele leven bij te blijven nadat je ze eenmaal hebt gehoord.
Dit soort verhalen noem ik bouillonblokjes omdat ze de hele zee van leven op smaak kunnen brengen, maar hierover later…
dat zou te ver voeren, we moeten koers houden…’

‘een begin beginnen is dus geen probleem’ vervolgde de gastdocent;
‘het onderwerp ontstaat dus gewoon door blind van wal te steken, je stapt van de kade af, aan boord van een boot die voorbij komt, maakt niet uit welke, ook al is het een zinkend schip, zinkende schepen baren de mooiste verhalen,
een schipbreuk is een goudmijntje voor iedere verteller…’

’trouwens lijden wij niet allemaal schipbreuk op dit ruimteschip aarde dat de woeste zee van mogelijk heden bevaart?
Of dwaal ik nu af, waar waren we gebleven, bij het aanmonsteren…’

Er werden wat handen in de lucht gestoken die beleefd om het woord vroegen.
Deze werden door Pollice vakkundig veronachtzaamd om het college te kunnen vervolgen.
Een boot waar de vaart in zit kan nu eenmaal moeilijk remmen.

‘Eenmaal aan boord is het wel zaak om aan het woord te blijven, aan het woord blijven is aan de bal blijven,
soms kaats je de bal het publiek in als je verhaal dreigt vast te lopen, met de reacties maak je het verhaal aannemelijker,
het publiek draagt immers zelf actief bij aan de loop van het betoog’
‘Aan het woord blijven is een golfslag opwekken waardoor de boot gaat deinen, zo voelt het publiek dat ze echt onderweg zijn naar… naar wat eigenlijk?’
‘Kort gezegd: zolang het doel onbekend is ligt het verhaal op koers’
‘Dit noemen we het onbekende verwachten’
‘Wanneer het verhaal echt stilvalt dan is dat door overmacht, dan is het een teken dat het verhaal de verteller heeft overgenomen, het leeft haar eigen leven ongeacht wat de verteller wil, uiteindelijk heeft een verteller dus niets te zeggen, de verteller is slechts een dienstbaar middel’.

‘Deze spontaan intredende stilte is het natuurlijke rustpunt van de vertelling, geen einde maar een rustpunt,
ook een verhaal moet op adem komen’.
‘Dan staan we samen weer op de zonnige stille kade te turen naar de bootjes.
Deze kade is onze thuishaven’.

‘Zijn er nog vragen?’ vroeg Pollice.
De vrienden op het terras keken een beetje dromerig en afwezig de verste verten in.

Analfabetisch College


Vrienden van Pollice Grosso, die hem liefkozend ‘Zwamneus’ noemden, hadden hun vrees geuit dat zijn orale kunst verloren zou gaan wanneer hij het niet zou overdragen.
Pollice zelf was ervan overtuigd dat er altijd weer nieuwe kletskousen en zwamneuzen zouden opstaan, als paddestoelen uit onzichtbare sporen.
Vanwaar dat blinde vertrouwen?
“Omdat er een onstelpbare behoefte is aan ondertiteling van de film van ons bestaan, zonder ondertiteling kan niemand het verhaal volgen, hoeveel boeken verschijnen er niet jaarlijks?” vroeg Pollice.
“Ongeveer twintigduizend leesboeken” berekende Aldo van uitgeverij ‘Il Bomba Pigro’
“En ondanks al die dodeletterboeken hebben jullie toch nog honger naar levende orale verhalen?” vroeg Pollice verwonderd.
Zijn vrienden bedoelden het goed en moesten erkennen dat hun vrees voortkwam uit het feit dat ze zijn goddeljke gezwets, geneuzel, gezwam en gezwatel niet zouden willen missen.
Na enig aandringen en onder overvloedige invloed van Prosecco stemde hun Zwamneus erin toe zijn kunst over te dragen.

“Goed dan, zullen we meteen beginnen?” Pollice wreef in zijn zwaarbehaarde handen alsof hij zich warmde aan een gloeiende vuur.
“Hoe moet je een verhaal beginnen?” zo luidde de eerste vraag.

De analfabete hoogleraar stak van wal;
“Kijk goed in je en om je heen en luister.
Een verhaal heeft geen onderwerp nodig om over te gaan, het onderwerploze is het mooiste onderwerp, elk ander onderwerp is ook goed!
Het verhaal gaat altijd en overal door, ook al lijkt het nergens over te gaan, over de spaties tussen de woorden,
de leegte tussen de regels, de stilte na en voor de storm.
Zoek dus nooit naar een onderwerp, begin gewoon maar te praten, het kan namelijk niet nergens over gaan.
Nergens bestaat niet en niets is zonder betekenis zelfs niets heeft betekenis, een betekenis die de doorslag geeft.
Niets bestaat niet en daarmee is ze het meest alomvattende bestaan wat je je niet kan voorstellen, schitterend dankzij afwezigheid.
Wij zouden geen moment zonder kunnen bestaan”.

Hier liet Pollice een lange stilte vallen, niet dat ie zo lang was of kort, dat was eigenlijk niet te bepalen.
Het was een stilte waar tijdbesef even wegviel, een stilte middenin de storm.
Zo, de kop van het eerste college was eraf, nu aan de slag, geen daden maar woorden.
De volgende keer zouden de vrienden de beurt krijgen om om te laten horen dat ze een verhaal kunnen beginnen.

“Verhalen is meestal praten om niet de handelen, om handelen overbodig te maken, om de noodzaak van handelen te voorkomen.” besloot Pollice het college.
“Wie het daar niet mee eens is, gaat zwijgend op in het directe handelen, de rest is gezwam”

Geest uit de fles

In het digitale tijdperk
(weet je nog hoe dat vroeger was?)
gooide de afzender op het laatst iedere fles
die hij leeg dronk in zee met een briefje erin.

de flessen werden gevonden
(door verschillende ongeadresseerden)
De boodschap was handgeschreven
“Beste lezer, laat mij met rust, bij voorbaat dank!”

De wens werd alom gerespecteerd
niemand viel de afzender lastig,
de lezers waren blij en opgelucht,
dat was toch weer een zorg minder.

Uit redenen van privacy
was de brief niet ondertekend.

Nu we het digitale zijn ontgroeid
communiceren we gewoon weer telepathisch
zonder tussenkomst van taal
of technologische middelen.

Het was wel weer even wennen,
communicatie zonder gebruiksaanwijzing,
zonder voorprogrammering of afstandbediening.
(niet opladen, bij geen spanning de beste ontvangst)

Voorheen moest je goed op je woorden letten,
nu op je gedachten en denkbeelden,
voor je het weet bestel je het onwenselijke,
geestelijke spam, je prullemand is zo vol.

Dingen lijken sprekend

Onderweg laat Pollice de dingen meestal tot de verbeelding spreken, zodat ze een eigen leven kunnen gaan leiden in dit verhaal.
Hij arriveerde bij het huis van de onbekende die hem had uitgenodigd om het verhaal van zijn leven te vertellen,
Pollice zou alleen luisteren.
De voordeur zei: “stop, wat moet je hier, noem het juiste wachtwoord.”
De deurbel verklaarde: laat mij weten dat je hier staat, waarschuw mij als het huis in de brand gaat, plaag mij met vermeend bezoek”
De brievenbus vertelde:” schrijf maar een brief, een verzoek of een uitnodiging of zomaar een briefkaartje.”
Het slot smeekte: “Open mij toch, ik ben zo eenzaam, ik mis je zo, liefste sleutel.”
De deurmat verzocht nederig:
“vertrap mij en wees welkom, ik veeg uw zolen schoon”
Het naambordje riep uitbundig: “hier woont diegene die luistert naar zijn naam, wie is hier zo genaamd, wie laat zich nu diegene noemen, juist diegene dus.”
Op het naambordje stond in sierlijk letters de naam van de bewoner, helaas kon Pollice het niet lezen.

De deur van het huis stond op een kier, hij ging naar binnen.
“Joehoe” riep Pollice, “is daar iemand?”
Hij kwam in een keuken terecht, waar hij flarden van een gesprek opving.
“Het leven is dienstbaar zijn en dingen op een hoger plan brengen,” sprak de tafel streng tegen de vier stoelen.
“Nou, je moet het leven wel zien zitten” zei de kruk.
“ja, iets anders zit er niet op”, zei de leunstoel die gerieflijk achterover hing.
“Maar”,sprak de schemerlamp,”Het leven is in mijn ogen een schijnvertoning, het is iets anders dan het lijkt”
“Ach wat, dat lijkt maar zo, schijn is ook maar schijn” sputterde het zoutvaatje op het lege aanrecht.
Het dressoir zei op opgeruimde toon; “allemaal onzin, het leven is gewoon opbergen, ordenen en pronken, dingen zijn persoonlijkheden.”
“Flauwekul,” riep de kapstok, “ik heb geen enkele persoonlijkheid, iedereen hangt ongevraagd zijn persoonlijkheden aan mij op, kaal en naakt waren de dingen rond, zonder jas van taal”

Pollice kon het verhaal van de dingen niet volgen en liep naar buiten de olijfboomgaard in.

Waar een oude olijfstronk zacht mompelde:
“Het leven is grillig, moeizaam en stug”
Het gras aan haar voet betoogde
“Welnee, het is juist mals, veerkrachtig en soepel”
De blauwe lucht zuchtte,
“Het leven is licht als veertje, zacht en onvoorspelbaar”
De rots kreunde,
“Wat een onzin, het leven is zwaar, hard en koud”
Een hommel bromde “Het leven is zo geurig, zo zoet en smeuïg”
De heggemus tjilpte “Leven hipt heerlijk weg, het vliegt en zindert”
Het landschap zei “Dit leven is zo ruim, zo wijds, zo licht”

Opeens stond de onbekende voor hem.
“Bent u het?” vroegen ze bijna tegelijkertijd, ze knikten elkaar toe.
“Ik heb geluisterd, maar wie van al deze dingen heeft er nu gelijk?, vroeg Pollice
“Allemaal natuurlijk.” verklaarde de onbekende luchtig,
“samen vormen ze het hele verhaal.
Het begon Pollice te duizelen, zoveel stemmen.

“Vertel nu uw verhaal maar, ik luister” stelde Pollice voor.
“Maar de dingen hebben u alles al verteld”
De onbekende trok zijn wenkbrauwen op en schudde lichtjes zijn hoofd.