Ontvang erge bode

De boodschapper heeft het meestal gedaan als hij slecht nieuws aflevert.
Ook al is de bode een onschuldig doorgeefluik.
Het luik krijgt meestal de schuld van onwelkome boodschappen. Als het luik niets had doorgegeven dan had de ontvanger van niets geweten.
Soms kun je maar beter van niets weten, maar dat weet je pas zodra je het weet.
Dat bewust zijn niet kan ontkennen dat het iets weet is een hermetisch gegeven.
Des te wonderlijker dat het toch vaak gebeurt.
Het is alsof de ontvanger zegt; ‘ik heb dat pakket nooit ontvangen’ terwijl het pakket uitgepakt in de bovenkamer staat.
Ik neem veel pakketten aan voor onze buren die overdag uithuizig zijn.
Zo ben ik een medium tussen bode en ontvanger.
Het is leuk om zoveel pakketjes te ontvangen en zomaar uit te delen.
De bode is erg aardig en dankbaar dat hij zijn boodschappen kwijt kan.
Hij verontschuldigt zich vaak voor het feit dat het pakket weer niet voor ons huisnummer is.
Geen boodschap is een goede boodschap.
Ik zie de bode vaker dan mijn buren.
De pakketjes hoef ik niet uit te pakken, daar heb ik buren voor.
Soms kun je wel zien of raden wat erin zit.
In het begin van mijn mediumschap zei ik dan wel eens: ‘Zo, jullie kunnen weer lekker koffie drinken, een fijne avond nog!’
Dan keek de buurman mij geschrokken aan alsof ik helderziend was en hem betrapt had op een geheim genoegen.
Dat moest ik dus niet meer opmerken, ongewenste intimiteit. Voortaan doe ik dus alsof ik niet weet wat ik weet.
Zo neutraal mogelijk reik ik de surprises uit, als een stoïcijnse ambtenaar.
Ik voel mij dan — geheel ten onrechte — een genereus en goed mens, die blindelings de behoeftes van zijn buren aanvoelt en ze ook nog meteen belangeloos bevredigt.
Het is toch vermakelijk hoe de inhoud van de geest zichzelf voor de gek weet te houden.
Bewust zijn weet wel beter en heeft geen boodschap aan denkbeeldige persoonlijke verdiensten.

href=”https://openbaargeheim.nl/wp-content/uploads/2014/04/foto8.jpg”>

Begraven getoond

Iemand begraven is een intiem ritueel.
Vreemde ogen verstoren intimiteit.
Behalve bij staatsbegrafenissen, dat moet iedereen kunnen zien. Al het zichtbare van de dood wordt aan het zicht onttrokken.
Ik heb soms plaatsvervangende gêne bij het zien van Egyptische mummies.
Dan voel ik mij bijna een grafschenner.
In de Himalaya draagt men het lijk de berg op waar de gieren wachten.
De aaseters pikken het vlees van het versleten voertuig en vervoeren de ziel naar de hemel.
Als de gieren klaar zijn, komen de nabestaanden de schone botjes ophalen.
De ziel is verhuisd.

De Traciërs, onverschrokken strijders uit de Griekse oudheid,
treurden als er weer een kind werd geboren en vierden feest als er iemand overleed.
De dood was een verlossing, er werd feest gevierd.
Het leven was een aards tranendal in hun ogen.
Ze waren onoverwinnelijk omdat ze niets te verliezen hadden, ze wilden graag het leven geven.
Hun doden gaven ze de meest verfijnde gouden sieraden mee in het graf. Het waren geen barbaren.

Iemand vertelde mij het verhaal dat hij op zoek was naar een guru.
Via via verzeilde de zoeker in India, daar zou hij zijn guru opzoeken.
Tijdens het regenseizoen trekken de guru’s rond om de regenval te ontlopen.
> Steeds als hij de verblijfplaats van zijn toekomstige meester bereikte, bleek deze net te zijn vertrokken naar een volgende verblijfplaats.
Dit gebeurde drie keer tot hij de vierde keer eindelijk zijn guru vond, dood.
De meester was in zijn stoel overleden terwijl hij onderricht gaf.
Diezelfde avond hadden de leerlingen hun meester met stoel en al op een brandstapel gezet voor de crematie.
De zoeker bleef tot het vuur was gedoofd.
Thuis had men hem gewaarschuwd voor het heftige temperament van de guru maar dit sloeg alles.
De zoektocht die was ondernomen bleek een illusie, voor zijn ogen zag de zoeker zijn guru vedwijnen.
De eerste en laatste les voor de zoeker.

Bij de crematie van mijn vader wilde ik hem niet achterlaten in de kille ruimte.
Ik wilde hem zelf naar de oven brengen.
De uitvaartbegeleider had zo’n verzoek nog nooit gehoord, hij moest overleggen of het wel kon.
Het was intens en mooi.
Mijn vader stond ooit op het punt smid te worden; ijzer smeden dat had hij goed gekund.

href=”https://openbaargeheim.nl/wp-content/uploads/2014/04/foto9.jpg”>

Onverwoestbaar

Michelangelo zei al dat het beeld al volmaakt in het blok marmer verborgen zat, klaar om te worden uitgebikt.
In deze glaskolom staat een mensengel te wachten op bevrijding, zodat hij kan wegvliegen.

Eerst zien en dan nog niet geloven. Je weet meestal niet wat je ziet.
Denk niet dat zodra je iets een naam hebt gegeven dat je dan weet wat het is.
Het is een lege engel, het beeld is al lang gevlogen.
Het is een beeld van holte, letterlijk een beeld van niks.
De mensengel staat in Zwolle op een pleintje naast de kerk.
Het beeld is opgebouwd van laagjes glasplaat, waarschijnlijk door een laser uitgesneden. Daarna per plakje opgestapeld.
Het antibeeld, de antipode van de engelmens, is deze kolom van glasplaten, het negatief.
Als het zonlicht het beeld doorschijnt wordt de engel van niks licht.
En dat in zo’n zwaar blok glas. Breekbaar.

Niks is een subtiel materiaal, heel onkwetsbaar.
Zeer onbreekbaar.
Dit beeld zal altijd blijven bestaan.
Als de aarde is verdwenen, blijft dit beeld van niks.
Niks is onverwoestbaar

Verstuurd vanaf mijn iPad

God begon te varen

Er zijn vele Godsbeelden.
De kapitein op het schip is er één van.
God schiep een schip en begon te varen.
Ruiteschip Aarde, bevaart de zee van ruimte
Het is een goede zeeman, blind varend op de sterren
Hij kent de zee van mogelijkheden op z’n duimpje.
We zitten allemaal mooi in de boot.
De kapitein heeft beloofd alle opvarenden veilig aan wal te brengen alvorens het zinkende schip te verlaten. Hij kent alle wallen, hij eet er graag.

Het vervuilt aan boord, er is achterstallig onderhoud, te veel bemanning.
Sommige matrozen muiten en willen andere planeten enteren om mee verder te varen.

Het aardschip is geen vrachtvaarder, hij vaart nergens heen, er valt nergens iets af te leveren.
Er zijn bemanningsleden die met alle macht een andere kant op willen roeien, tevergeefs uiteraard. Het moederschip drijft en niemand weet wat haar drijft.
Het lijkt eerder een soort cruise, doelloos dobberend de tijd nemen, varen om het varen, met alle winden mee.
De kapitein vertelt, terwijl hij in z’n whiskyglas naar het ijsklontje kijkt, over zijn ontdekkingsreizen aan zijn gasten. Onze kapitein was een tijdje uit beeld, men dacht dat hij dood was. Hij lag zeeziek in het vooronder ’the old man and the sea ‘ Hemingway te lezen.

Niemand zit in het kraaiennest, wat een uitzicht…

Verstuurd vanaf mijn iPad

Pupazzo di Neve

Bij de open haard vertelde Bolzun aan Pollice over zijn eerste ontmoeting na zijn geboorte uit de vrachtwagen.
Hij had nog geen idee waar hij was, geen idee wie hij was, hij wist niet eens dat zijn geheugen was gewist, hoe kun je missen wat je niet weet?
Alleen de verwondering dat hij er was stond in zijn ogen te lezen.
Vlakbij zijn geboorteplaats, op de hoek van het ronde plein, had Bolzun een figuur zien staan in de voortuin van een statig huis, een figuur waar hij zich toe aangetrokken voelde.
De figuur droeg een hoed en een dikke wollen sjaal, warme handschoenen.
Zijn neus lag op de grond in de smeltende sneeuw, een winterpeen.
Bolzun boog voor de smeltende figuur en at van de wortel.
De sneeuwman knikte instemmend en nam zijn hoed en sjaal af om ze aan Bolzun te geven.
De bewoners van het huis waren naar buiten gekomen en bekeken in verwondering de verkleumde verschijning van Bolzun.
De kinderen hadden geroepen: ‘De sneeuwman is echt gaan leven!’
De vader had zijn hand geschud en zich voorgesteld, maar de Bolzun verstond er geen woord van, het Italiaans klonk hem niet als een taal maar als muziek in de oren.
Het duurde even voor hij ‘Bolzun Faversom’ kon uitbrengen.
Ze vonden het kennelijk een mooie naam want ze begonnen zijn naam te herhalen in allerlei zangerige varianten. ‘Faversom’, een legendarisch oud geslacht van sneeuwmannen.
Bolzun werd opgenomen in het gezin, diezelfde avond begon hij al Italiaanse woorden te leren.
Hij hoefde maar te wijzen of de kinderen noemden voor hem de namen van de dingen.
Ze vonden het fantastisch om de wonderlijke sneeuwman in hun vertrouwde wereld binnen te leiden.

Pollice had ademloos geluisterd naar het verhaal van zijn zielsverwant, het deed hem denken aan al die andere sneeuwmanverhalen die hij kende en aan dat oude herderslied dat
meesterverteller Tebaldi altijd in de winter voor zijn schaapskudde zong, daar hoog in Dolomieten:
het lied ‘Pupazzo di Neve’

‘leven is vloeibaar zijn

soms hard als ijs

zacht als sneeuw

ijl als wind in de wolken

zie de mens als een sneeuwpop

ze maakt almaar de reis van water

de zon doet de waterziel rijzen

als mist rust de ziel in de wolken wachtend

op de verse sneeuw van wedergeboorte’

De zee exit

De zee is eindelijk gebroken
in twee kurkdroge helften
de zee heeft een bekentenis gesproken

zij heeft ons al die tijd bedrogen
met droge ogen ons voorgespiegeld
van water te zijn, vileine onzin

ze bestond gewoon voor de helft
uit H2 en de andere helft uit O
de zee is heel nooit nat geweest

het was slechts een speling van de geest
de zee is niets minder dan een meer
het Meer van Minder dan de som der delen

Schoonmaakvuil

Bolzun Faversom (code U42) ervoer een lichte huivering als hij dacht aan zijn vorige leven als chemicus, hij sprak er niet graag over, vragen naar die tijd ontweek hij door zich niets te herinneren.
Er waren wel allerlei speculaties over zijn verleden:
Dat hij vergiftigd zou zijn met een serum dat zijn geheugen, gevuld met geheime formules, compleet had moeten uitwissen.
Hij wist teveel dingen die hij beter kon vergeten.
Als de formule van het composiet bekend zou worden kon dat de hele schoonmaakindustrie wegvagen!
Na het toedienen van het serum had de geheime dienst hem (zonder papieren) het land uitgezet.
Of het waar was?, het klonk in ieder geval als een spannend verhaal.
Het zwijgen van Bolzun maakte de speculaties geloofwaardiger.
Een hard feit was dat de schoonmaakindustrie bloeide als nooit tevoren en dat daarmee diezelfde wereld permanent vervuild werd met chemisch afval.
Lucello had wel interesse getoond in die formule voor het revolutionaire composiet, maar Faversom kon het zich niet herinneren, verder aandringen had geen zin, het zou nog komen of niet.

De naam Bolzun begon hem steeds beter te passen, als een tweedehands jas, het duurt altijd even voordat die als jouw jas aanvoelt.
Om zijn nieuwe levensverhaal een begin te geven beschreef hij zijn geboorte in een gedicht:

Mijn moeder was een vreemde vrachtwagen,
zij bracht mij leeg ter wereld
na een hobbelende levensweg
ben ik uitgeladen
midden op het asfalt van de straat
in de anonieme nacht
las ik vaag mijn naam
op haar huid van canvas
zij schonk mij ogen in de vorm
van een te dikke bril
nu zie ik de wereld door haar ogen
haar koplampen belichten
mijn levenspad
ik zie nog je achterlichten
kleiner worden richting mijn moederland

‘Dat is toch een mooi begin’ zei Pollice,
‘je moeder heeft een dichter gebaard’
‘Een mooi verhaal, ik had het niet beter kunnen verzinnen, het maakt mij nieuwsgierig naar de rest’
Pollice en Bolzun keken elkaar langdurig aan, het leek wel alsof ze één en dezelfde waren, de verhalen verschilden,
maar verhalen zijn uitwisselbaar.

Maestro Calvino

Maestro Calvino was ontwerper en leverancier van pruiken voor verschillende operahuizen.
Het liefst werkte hij met haar van paardenstaart omdat het zo sterk was, paardenhaar uit Mongolië was de allerbeste kwaliteit.
Haar van Mongoolse paardjes was zo dik dat het twee keer gespleten kon worden om soepel vallende pruiken van te maken.
Het was ook het duurste haar omdat ook alle vioolbouwers hun strijkstokken ermee bespanden.

Maestro Calvino was door Lucello uitgebreid ingelicht over de geheugenloze situatie waarin Bolzun Faversom verkeerde.
‘Maak een pruik in de geest van de legendarische Benvenuto’ zo luidde de opdracht van Lucello.
Die pruik zou als medium dienen om een levensverhaal te scheppen waar Bolzun zich in kon vinden.
Nu kon Calvino zich zeer goed inleven in de operapersonages waar hij pruiken voor ontwierp,
de zangers prezen zijn werk, want zodra ze de pruik droegen, speelde hun personage onmiddellijk de vereiste rol, moeiteloos.
Het was dezelfde magie die een goed masker in de Commedia dell’arte opriep in de drager ervan, niet voor niets betekende persona van oorsprong masker.

Het kostte Calvino een maand om Benvenutopruik te vervaardigen, de paardenpruik was zeer duur door de kostbare tijd die de maestro erin had gestoken, haartje voor haartje, krul voor krul.
Lucello wilde Calvino rijkelijk belonen, maar deze wilde alleen betaling als de pruik ook zou werken, het verhaal over Bolzun die zijn naam als strohalm van een vrachtwagen had geplukt had hem geraakt.
Bolzun was betoverd door het mongoolse paardenhaar toen Lucello hem de pruik toonde.
‘Hij is gemaakt in de geest van Benvenuto, wie weet kan deze pruik je aan een nieuw levensverhaal helpen?’
Bolzun zette de pruik op en ging languit op de sofa liggen.
‘Sluit je ogen maar, dan zie je beter waar je levensverhaal vandaan komt en naartoe moet,
kijk maar rustig rond, als je wat ziet luister dan naar wat het je vertelt’ zo bereidde Luciano Bolzun Faversom voor op dat wat er zou komen of zou uitblijven.

Na tien minuten begon Bolzun te beschrijven wat hij zag op het filmdoek van zijn oogleden:
‘Ik zie een schema aan de muur hangen, een soort alfabet, maar dan in analfabetische volgorde. er staan cijfers bij de letters,
‘Wat zeggen jou die symbolen?’ vroeg Lucello die al een vermoeden kreeg.

‘Ze spreken de taal van de stoffelijke wereld, waterstof, helium….ik weet het weer, dit is het periodiek systeem, ik ben hier scheikundige… heel mijn vergeten leven bestond uit toveren met losse stofjes om die tot nieuwe composieten te laten fuseren, mijn leven was een laboratorium’
‘Wat was je laatste composiet, beste Bolzun?’ vroeg Luciano opgewonden.
‘Ik heet hier geen Bolzun, mijn naam is hier U42
‘Dat is toch geen naam, dat lijkt wel een element’ merkte Luciano op.
‘Dat klopt , het is een codenaam, ik werk hier aan een geheime missie, meer mag ik niet zeggen!’
Hier besloot Lucello de geheugensessie af te breken,
Faversom zette de pruik af en was duidelijk zeer vermoeid en aangeslagen door de mentale excursie.

Zijn laatste uitvinding was een nieuw composietmateriaal waarin zoveel ruimte tussen de moleculen zat en met een sterke statische lading dat het niet alleen zelfreinigend was maar ook nog eens zelfversterkend.
Het nam vanzelf alle vuil en stof in zich op, dingen van deze stof gemaakt zouden nooit meer schoongemaakt hoeven worden.
‘Hoe wil je dat ik je noem?’ vroeg Luciano,
‘Bolzun of U42?’
‘Hou het maar even op Bolzun’ zei U42 zacht.
Het paardenhaar had de snaar gevoelig geraakt.

De geschoren gedachten van Benvenuto

De sofa veerde zacht, Bolzun Faversom droomde die nacht in de spreekkamer van Lucello over Pollice’s verhaal.
Over Benvenuto die als pasgeborene al een meter haar op zijn hoofd had.
Het was een stuitbevalling, het hoofdje kwam als laatste en daarna volgde die weelderig rossige haardos.
De vroedvrouw had nog nooit zoiets gezien.
Het was een mooi jongetje, maar iedereen zag een meisje in hem.
In beginsel wilden de ouders het haar zo laten, maar om verdere misverstanden te voorkomen werd het haar voorzichtig geknipt, de baby was voor het eerst kaal.
Na het knippen ging zijn haar echter nog sneller groeien.
Zoals een rozenstruik nog heftiger uitgroeit als je hem vlak bij grond snoeit.
Het afgeknipte haar werd gekoesterd als een kostbaarheid.
Het eerste haar was door een meesterpruikenmaker verwerkt tot een prachtige pruik.
Toen Benvenuto een kleuter was werd pas duidelijk dat met het knippen van zijn haar zijn gedachtenwereld tijdelijk verdween, totdat de eerste stekeltjes na een drie dagen weer uit zijn kale hoofdje groeiden en daarmee ook weer nieuwe verse gedachten ontstonden.
Kaalgeknipt wist het kind dagenlang niets meer te zeggen.

Wie het aandurfde om het eerste pruikje van Benvenuto te passen kreeg vanzelf zijn herinneringen aan het voorgeboortelijke te zien en te ervaren.
Na deze verhalen durfde niemand het pruikje meer te passen, men huiverde al bij het idee om weer ongeboren te zijn.

Faversom kon zich goed vereenzelvigen met de figuur Benvenuto, feitelijk voelde hij zich een nog ongeborene, hij droomde veilig verder over de geschoren gedachten van Benvenuto.
In zijn droom werd Benvenuto een schrijver die geen boeken publiceerde maar zijn haargedachten bij de barbier liet inbinden tot pruiken.
Wie zijn werk wilde lezen hoefde alleen maar de betreffende pruik op te zetten.
Zijn barbier werd uitgever, die redigeerde het werk door afgebroken of grijzende haren eruit te trekken.
De pruiken weren verhuurd tegen fikse prijzen aan een select publiek.
De collectie stond bekend onder de naam: Libreria di Parruche,
De Pruikenbibliotheek.
Benvenuto was totaal kaal gestorven, hij was compleet uitgedacht, terug naar de ongeboren staat.
Het was lang geleden dat Faversom zo lekker had geslapen, alsof het verhaal van Pollice als een pruik op zijn hoofd zat, de droom gaf hem rust.

Onderwijl deed Pollice geen oog dicht.
Hoe moest hij die beste Bolzun aan een verhaal helpen?
Grosso wist als geen ander dat je nooit een verhaal moest proberen te bedenken, toch kon hij het niet helpen dat hij het uit alle macht probeerde.
Midden in de nacht zocht hij Luciano op die eveneens de slaap niet kon vatten.
Ze hadden het over Bolzun en over welk verhaal hem aan een verleden zou kunnen helpen.
Lucello wees erop dat geheugenverlies een overlevingsstrategie kan zijn, als de indrukken dusdanig zijn dat er met geen mogelijkheid een zinvol verhaal van te maken valt, dan is uitwissen soms het beste verhaal, zielkundig gezien dan.
De vrienden kwamen er samen ook niet uit en besloten te wachten.
‘Wachten is de kraamkamer van de onverwachte oplossing, probeer het te vergeten, dan komt het onvergetelijke vanzelf aan het licht’

De volgende ochtend zaten drie heren samen aan het ontbijt, Bolzun Faversom vertelde hoe heerlijk hij geslapen had en hoe hij het verhaal verder had gedroomd.
Lucello hoorde het aan en kreeg een ingeving, hij moest zich inhouden om het niet meteen te vertellen, dat kon niet, het zou de werking teniet doen.
Terwijl Pollice met hun gast door de tuin wandelde belde Luciano met de barbier om naar een passende pruik te informeren.
Wanneer Bolzun een passende pruik zou opzetten dan zou hij voor zichzelf wellicht een passend verleden kunnen herinneren, dat was de ingeving.

Lucello begon het verhaal over Benvenuto zelf te geloven.
Hoe vaak had Pollice niet gezegd:
‘Geloven is een scheppend principe dat waar maakt’
Dat gold natuurlijk ook weer voor deze uitspraak en voor deze.

Bolzun Faversom


Na het oeroude oude verhaal stelde een man zich voor aan Pollice Grosso als ‘Bolzun Faversom, aangenaam, mag ik u bedanken voor dat prachtige verhaal overdie haren die als gedachten uit dat kale hoofd van Benvenuto groeiden’ zei hij terwijl hij Pollices hand met beide handen stevig vasthield.
‘Wat een prachtige naam’ zei Pollice, ‘Waar komt zo’n mooie naam vandaan?’
Het bleef even stil.
‘Ik wou dat ik het wist, mijn geheugen heb ik achter moeten laten in mijn moederland’
‘Waar ligt uw moederland ?’
‘Men vertelt mij dat ik op een Armeen lijk, Libanees of Albanese trekken heb, maar die talen komen mij niet bekend voor’
‘Hoe weet u dan dat u Bolzun bent?’
‘Een mens leeft tamelijk lastig zonder naam, die naam was het eerste wat ik las toen ik hier in Italië uit een vrachtwagen stapte, ik las het op de zijkant van de vrachtwagen toen hij wegreed…

‘Dus u hebt uw naam van een vrachtwagen gekregen?’ vroeg Lucello die zich in het gesprek mengde.
‘Ja, ik moest mij toch ergens aan vasthouden…die naam ‘Bolzun Faversom’ was de eerste strohalm waar ik mij aan kon vasthouden’
Pollice en Luciano wisten even niets te zeggen, hetgeen veelzeggend is.
Bolzun vertelde in zorgvuldig gebroken Italiaans zijn zeer korte levensverhaal.
Papieren had hij niet, hij leefde van dag tot dag.
Zich inschrijven bij een gemeentehuis kon niet, zonder papieren kon iedereen wel beweren dat hij Bolzun Faversom heette, men trok de naam na, maar nergens was er een spoor te vinden.
Ze beschuldigden hem ervan de naam te hebben verzonnen.
Men dacht dat hij een asielzoeker was, maar Faversom zocht helemaal niets, hij was hier gewoon zonder verblijfplaats, zonder identiteitsbewijs.
Pollice kon het meteen goed met hem vinden, ze verschilden eigenlijk niet zoveel vond Pollice, de een had geen verhaal de ander te veel verhalen.

Dat Bolzum Pollice die avond opzocht was niet zonder reden,
hij had een simpel maar noodzakelijk verzoek aan de verteller:
‘Ik zit om een verhaal verlegen, ik heb een chronisch gebrek aan verleden, aan geschiedenis, kunt u mij een levensverhaal verschaffen waarmee ik verder kan?’
Het was het vreemdste verzoek dat Pollice ooit kreeg, een verzoek van een niemand.
Pollice beloofde onmiddellijk de man graag te willen helpen, hoe wist hij nog niet.
Lucello bood Bolzun aan om in de Zielskliniek te komen logeren, er was altijd wel een kamer vrij, de spreekkamer.

Opvallend aan Bolzun’s verschijning was de hoornen bril met de zeer sterke glazen.
Toen Pollice hem daarnaar vroeg verklaarde Faversom:
‘Ja, mijn ogen zijn uitstekend hoor, maar deze bril is het enige dat ik over heb van mijn verleden, nadat ik mijn geheugen in de steek liet’
‘Ik weet het niet zeker’ ging hij weifelend verder, ‘maar deze bril zou van mijn moeder geweest kunnen zijn, want iedereen moet toch op zijn minst een moeder hebben’ veronderstelde Bolzun in een poging logisch te redeneren.
Luciano kon beamen dat iedere familie als verzameling voortkwam uit een moederschoot.
‘Stel je voor: zonder geheugen is plots de hele wereld vreemd en naamloos, een woestijn zonder zand’ prevelde Pollice
‘met een naam als eerste strohalm!’
‘Inderdaad, dat is mooi gezegd’ beaamde Faversom dankbaar.

Is er dan niets aan herinnering over?
Bolzun peinsde nog eens diep:
‘Het enige wat wel eens bovenkomt drijven zijn deze vreemde tekens:’
Hij tekende er wat op een servet.
Abracadabra voor de ongeletterde, maar Luciano herkende er onmiddellijk scheikundige formules in, symbolen uit het periodiek systeem der elementen.

Via de warme connecties van Lucello kon Bolzun op de universiteit van Florence gaan werken…
als schoonmaker.