Stil gebaar

Op een schijnbaar gewone dag liep er een zwart hondje achter Hoelang aan.
Het dier volgde hem als zijn schaduw, hij liep zelfs precies in de schaduw van Hoelangs lange gestalte waardoor je hem niet makkelijk opmerkte.
Hoelang had niets in de gaten toen hij in de avondschemering naar zijn vriend Oude Bast liep.
‘Zeg Hoelang, sinds wanneer heb je een hondje? ‘ vroeg Bast met zijn hoge stem.
Hoelang keek verrast om zich heen en vond in zijn schaduw een klein zwart hondje dat kwispelde.
‘Ik zie geen gezicht zo zwart is zijn snuit, geen oogjes’
Hoelang tilde het beestje op en zag dat zijn lange zwarte haar voor zijn oogjes hing.
‘Heb je een schaar, Oude Bast? , dan geven we hem een gezicht’ ‘Een kraai bestaat niet in de nacht’ zei Bast en gaf een snoeischaar.
Voorzichtig snoeide Hoelang het haar weg voor de oogjes, ze begonnen te glimmen bij het kaarslicht.
Het hondje rolde wellustig over de grond.
‘Kijk nou, deze jongen is een meisje’ wees Oude Bast naar het kale buikje.
‘Ben je verdwaald?’ vroeg Hoelang terwijl hij haar aaide.
Ze keek schuin omhoog.
‘Ze denkt vast dat jij haar baasje bent, Hoelang!’, ‘ ik zie haar al dagenlang achter je aanlopen’
‘Denk jij dat honden denken?’
‘Ik denk het wel, ze trekken vaak een frons in hun voorhoofd,met echte rimpels net als denkmensen!’
‘aha, denken is dus rimpels maken en scheef kijken’
‘Als rimpelingen in de vijver’
‘Wat, denk je nu ook al dat water denkt?’
‘Ach, het is niet ondenkbaar, zou dus kunnen’ zei Bast.

Hoelang fronsde zijn voorhoofd om te voelen hoe denken rimpels maakt en andersom, rimpels die zorgen baren.
Als voelend aan zijn voorhoofd probeerde hij aan het denken te denken en zich het leven van een denkmens voor te stellen… Intussen was de hond tegen Hoelangs voeten aan gaan liggen.
‘Wat denk je?’ vroeg Bast.
‘Als ik denk aan het water en voel mijn rimpels, het lijkt dan net alsof ik diep denk, maar dit mooie hondje moet toch van iemand zijn, iemand is haar kwijt en mist haar waarschijnlijk’ ‘Dat zou kunnen, maar ben jij van iemand?’
Hoelang vroeg zich af van wie hij was.
‘Niemand is toch van iemand’
Hoelang pakte het hondje op.
‘Waar kom je vandaan kleine, waar is je huis, zoek je baasje, dan volg ik je.’
Hij zette het op de grond, maar het verroerde zich niet.
‘Zo te zien heeft ze haar baasje gevonden, jij boft maar Hoelang’
‘Hoe noem je haar, Geen Gezicht?’
‘Ja, zolang we haar huis niet vinden heet ze GeenGezicht’
Samen vierden ze de komst van de kleine.
Hoelang liep op de tast naas huis, in de alomvattende duisternis was geen hond te zien, hij voelde de kleine tegen zijn been aanleunen.

In de komende dagen vroeg hij aan iedere voorbijganger van wie het hondje kon zijn, niemand wist het.

De volgende dag kwam Wolkenhoeder het dorp binnenlopen, zijn kudde bevolkte de nauwe straatjes van het Lifeng.
‘Hee, Hoelang, ik hoorde het van Malse Twijg dat jij mijn hond hebt gestolen’
‘Wat, is dit jouw hond? neem hem maar om je schapen te hoeden’
‘Welnee, ik ben blij dat je hem hebt gestolen, hij waakt niet over de schapen, hij slaapt bij ze middenin de kudde, veilig en warm’
‘Ik heb niets aan zo’n hond, dagenlang heb ik hem voorgeblaft, maar dat kon hij ook al niet, de schapen waren niet voor hem, ze liepen alle kanten op’

‘Het is een vrouwtje, Wolkenhoeder, maar als ze onbruikbaar is dan past ze misschien wel goed bij mij’
‘Aha, daarom, ze is te lief, ze luistert wel goed, maar ze doet nooit wat je zegt’
‘Dank je wel, voor dit onbedoelde geschenk’ zei Hoelang opgelucht.
‘Wat ga je nu met haar doen’ vroeg de herder nog.
‘Niets natuurlijk, het nutteloze laat zich nu eenmaal nergens voor gebruiken’

Geen gezicht bleek later doof te zijn en alleen gebarentaal te lezen.
Hoelang noemde haar nieuwe naam met een stil handgebaar.
Niemand wist hoe het hondje heette, een geheim tussen haar en haar baas.

Oersoep

Hoelang wandelde met zijn neus in de lucht naar zijn huis om het geurspoor goed te kunnen opsnuiven.
Lifeng was berucht in de wijde omgeving om haar soep.
Het was een vage rooklucht maar onmiskenbaar warm.
De geur werd steeds sterker toen hij bij het huis van Slingerend Pad kwam.
De vrouw van Slingerpad, Bemoste Schors stond een soep van stenen te koken, je hoorde ze dansen op de bodem van de ketel’
Hoelang klopte iets te hard op de deur waardoor die uit het scharnier viel.
‘Hoelang, je kent je eigen kracht niet’ lachte Slingerend Pad.
Onverstoorbaar roerde Bemoste Schors door de magere soep, toen ze Hoelang zag bood ze hem een houten lepel met lauw vocht aan.
‘Wil je even proeven, of de soep al op smaak komt?’
‘Graag, mijn maag rammelt al van verheuging’ zei Hoelang,
‘van wat voor stenen trek je de soep?’
‘Van bemoste zwerfkei, rozenkwarts en een snufje kiezel’
‘Er zit alleen nog geen zout in!’ waarschuwde Slingerpad.
‘Nou, dat kun je goed proeven’ zei Hoelang al slurpend.
De dorpsgenoten stonden smakelijk samen uit de pan te lepelen.
‘Ja, er hoort ook eigenlijk geen zout in, volgens het oorsronkelijke recept’
‘Nou, laat het dan ook maar weg, dat is wel zo puur’
‘Dat treft , we hebben geen zout in huis’
‘Wat bedoel je met ook, van wie heb je dit recept?’ vroeg Hoelang.
‘Van onze dierbare meester Waterige Wind, die zei al dat het heel subtiel van smaak is’
‘Om je de waarheid te zeggen proef ik ook weinig groenten’ merkte Hoelang op.
‘Klopt feilloos, je hebt een goede smaak, het is echte bergbouillon, op bergen groeien geen groenten’
‘Het smaakt anders niet erg sterk oor een bergbouillon’ vervolgde Hoelang.
‘Nee dat kan, ik ben het vocht nog aan het inkoken, het nat moet nog meer indikken zodat de gewenste smaak komt bovendrijven, volgens de legende moet je zo lang doorkoken dat de stenen zijn opgelost!’
‘Het spijt me wel, Slingerpad, maar ik proef in feite helemaal niets!’ zei Hoelang.
‘Wilde jij beweren dat deze legendarische steensoep van mijn dierbare meester nergens naar smaakt?’
‘Sterker nog, het smaakt zelfs niet naar nergens!’
‘Ik geef toe de smaak is wel heel subtiel’
‘Het vult wel als je er veel van eet’ vulde Bemoste Schors aan.
‘Luister, jullie kunnen gewoon niet koken!’ riep Hoelang opeens.

‘Dat zei meester Waterige Wind ook al: jullie kunnen niet koken, alleen soep kan koken’
‘Wij waren zijn slechtste leerlingen omdat we hem niet konden volgen’ gaf Bemoste Schors toe, ze zuchtte en keek diep in de emmer kokende soep op het houtvuur, er dreef steeds een dikke luchtbel op die na enig gepruttel uiteenspatte als een knipoog. Slingerend Pad roerde onbewogen verder.
‘Maar beste Hoelang, misschien heb je geen goede smaak of een heel andere smaak, hoe kun je dat weten?’
Hoelang proefde zijn tong nog eens en erkende:’ Inderdaad, het smaakt anders dan ooit, zo heb ik mijn tong nog nooit geproefd, heb je een glaasje water voor mij?’
‘Om de smaak weg te spoelen?’ vroeg Slingerend Pad met een grijns.
‘Ja graag, met een stukje brood erbij’
‘Nu snap ik het’ zei Hoelang, ‘Jullie koken geen recept maar een legende en dat proef je’

Denkbeeldhouwer

Vandaag de dag wandelde Hoelang dwars door de naaste omgeving van het naburigste dorp om zijn blik te verruimen.
Gaandeweg ontdekte Hoelang dat er geen einde komt aan de naaste omgeving, dat ook de naaste omgeving weer omgeven wordt door de verste verten, die weer door het grenzeloze worden omvat.
Het duizelde hem een beetje dat zijn vertrouwde omgeving zich zo voor zijn ogen uitbreidde tot in het onmetelijke.

Even buiten het naburige dorp liep hij langs een hoge haag, via een doolhof van hagen kwam hij in een binnentuin die toch buiten was.
Hoelang zag overal prachtige open ruimtes tussen de groeisels, ergens in het midden stond een man die behoedzaam hakkende bewegingen maakte rond het midden van een open ruimte, het leek op Tai-chi?
‘Wat een beeldige tuin is dit’ zei Hoelang bewonderend.
‘Mooi dat u daar oog voor hebt, voor een beeldentuin, de meesten zien het niet’
‘Waar bent u mee bezig, als ik vragen mag?’
‘Ik houw hier een nieuw beeld’ verklaarde de man wijzend naar de middenruimte.
‘Waar komt u trouwens vandaan’ zei de houwer die zich voorstelde als Kale Rots.
‘Ze noemen mij Hoelang zolang ze mijn eigenlijke naam niet weten, ik kom hier uit de naaste omgeving’
‘Ach, ik hoor het al, je komt uit Lifeng, dat zegt je accent’ ‘Wat voor beeld wilt u houwen?’ ging Hoelang verder.
‘Een, eh, een denkbeeld’ zei Kale Rots
‘Maakt u vaker denkbeelden?’
‘Louter denkbeelden’ hij kneep zijn ogen toe en beschouwde het beeld op afstand.
‘U bent dus denkbeeldhouwer’
‘Dat zou ik mij kunnen inbeelden, maar het gaat om uitbeelding’ Hoelang wees naar een andere ruimte,
‘Wat stelt dit denkbeeld voor?’
‘Het heet “De Vormgedachte”
‘Ik zie alleen ruimte’ zei Hoelang verwonderd.
‘Dat klopt, dat is bij ieder beeld, de ruimte erom heen schept de beeldvorm, maar mijn beelden zijn zeer ruimtelijk, ze beelden feitelijk de ruimte zelf uit!’
‘Dus de hele omgeving vormt het beeld?’ vroeg Hoelang
‘Zo zou je het ook kunnen zeggen’ zei Kale Rots opgetogen.
‘Maar waar is het beeld zelf dan gebleven’
‘Dat is natuurlijk denkbeeldig’ verklaarde de houwer geheimzinnig.
‘Uw werk is verfijnder dan subtiel’
‘Mijn werk vereist volmaakte materiaalbeheersing, als je iets teveel weghaalt blijft er niets van het beeld over’ waarschuwde Kale Rots, ‘Het is de kunst van het net genoeg weglaten’

‘Wat kost zo’n beeld?’ vroeg Hoelang.
‘Het is onbetaalbaar, voor niemand te koop, een denkbeeld kun je immers niet bezitten, het neemt jou in bezit!’
‘Hoe gaat dat in z’n werk?’
‘Kijk, je maakt ruimte in jezelf, zo dat het beeld bezit van je kan nemen, en blijf waarnemen, als het denkbeeld even niet beschouwd word verdwijnt het als sneeuw voor de zon’
‘Zijn ze zo kwetsbaar?’ vroeg Hoelang
‘Welnee, onverwoestbaar zelfs, omdat ze niet of nauwelijks bestaan, onverwoestbaar als de schaduw van een geur,
het onverwoestbare zit in het schouwen’
Hoelang was er stil van.

‘Welke denkbeelden heeft u nog meer gemaakt?’
‘Ik zal u een rondleiding geven als u wilt?’
‘Heel graag’ Hoelang volgde Kale Rots op de voet.

‘Holle Volte!’ Kale Rots gebaarde richting een nieuwe open ruimte.
Hoelang zag het voor zich hoe de holte zich vulde met alles, de naaste omgeving incluis, ze liepen rustig verder.
‘Dag van Nacht’ wees de houwer aan.
Hoelang zag hoe dag en nacht versmolten tot één tijdloos gebeuren.
‘Zie hier, Het Verzintuig!’
Hoelang kwam ogen tekort om alle verzinsels te kunnen volgen die uit het denkbeeld leken te sproeien als een fontein.
‘Mijn lievelingsbeeld, “De Droge Golf”
Hoelang werd overspoeld door een plotselinge dorst bij de eeste aanblik.
‘Heeft u iets te drinken voor mij? ‘
‘Natuurlijk’ zei Kale Rots met een grijns,’drink wat uit de bron bij het volgende denkbeeld’
Hoelang dronk het droge denkbeeld weg en waste zijn ogen even uit, hij wist niet wat hij zag.
Ik wil je nog één denkbeeld laten zien’
Kale Rots nam Hoelang bij de arm en leidde hem langs
‘De Inraking’ langs ‘Het Geurbeeld’ naar ‘Het Toeschouwende”
Hoelang zag ‘Het Toeschouwende’, hij zag het zelfs moeiteloos met zijn ogen dicht.
Hoelang vergat de tijd en wist niet hoelang hij al zo zat te kijken tot er een vlindertje op het denkbeeld ging zitten waardoor het onmiddellijk bezweek onder het lichtgewicht.

‘Wat vindt je ervan?’ vroeg de de denkbeeldhouwer.
‘Prachtige beelden’ verzuchtte Hoelang, ‘maar dat laatste zien is wel het mooist’
‘Zeker weten’ zei Kale Rots, ‘dat laten deze beelden zien, als je er oog voor hebt, zien zonder denkbeeld’
Hoelang liep door de naaste omgeving terug naar huis, het geurspoor volgend van soep…
Lifeng stond bekend om haar specialiteit.

Hoelang

Hoelang woonde zolang hij zich kon herinneren in China en toch was Hoelang geen chinees.
Dit kan natuurlijk ook iets zeggen over zijn matige geheugen of de afwezigheid daarvan.
Hoelang leek alleen vanuit de verste verte gezien op een chinees, zodra hij dichterbij kwam leek hij totaal iets anders, met zijn blauwe ogen en lange ranke gestalte.
Hij sprak vloeiend chinees toch merkte iedere chinees dat het niet zijn moedertaal was.
Er zijn verschillende verhalen over zijn herkomst, de meest voorkomende is dat hij slapend gevonden werd in een treinwagon op het eindstation van Lifeng, een gehucht van een handjevol huisjes op het bergachtige platteland.
Voor de treinstation aangelegd werd had het gehucht niet eens een naam.
Men vroeg zich af waarom een spoorlijn aanleggen naar een gehucht zonder naam?
De autoriteiten hadden verklaard dat een spoor toch ergens moet eindigen dus waarom niet in het midden van nergens?

De vreemde reiziger had geen bagage bij zich, zelfs zijn geheugen was ver te zoeken, zo was helder geworden bij zijn ontwaken.
In kleine gemeenschap stond hij voorlopig bekend als Hoelang vanwege zijn lange lengte. Voor chinese begrippen was hij uitzonderlijk lang, hij stak boven iedereen uit, verder leek hij onopvallend.
Gaandeweg leerde hij chinees spreken, gekleurd met dat typische lokale accent waardoor hij in de wijde omgeving werd herkend als afkomstig uit Lifeng.
Hoelang zat op het lokale openluchtschooltje bij de kinderen in de klas, onder de moerbeibomen.
Alsof hij opnieuw als een onbeschreven blad ter wereld was gekomen, klaar om zonder voorkennis zijn nieuwe moedertaal te leren.
Het dorp had hem gastvrij opgenomen in hun midden, omsloten zoals een oever een vijver omringt.
Met zijn jonge klasgenoten kon Hoelang lezen en schrijven, na school klommen ze in hem alsof hij een boom was.
Hoelang was thuis zonder te weten waar dat lag of wat dat was. Het voorlopig eindpunt van een onbedoelde reis naar…
‘Voorlopig is alles hier en alles is hier voorlopig’, zo dacht Hoelang.
‘Alles is voorlopig behalve het blijvende, het is dus het beste om hier te blijven’

Fenomenologie van de Hoed

Fenomenologie van de Hoed

‘Al wat hoger is dan een kuiltje is voor Freud een fallussymbool’

In ‘de Fenomenologie van de Hoed’ van Fedor Krymp wordt de stelling geponeerd dat een man die zijn toevlucht zoekt onder een hoed zeer waarschijnlijk lijdt aan het Uterus-syndroom.
‘Het verlangen om te remigreren naar de baarmoeder.’
Hij wil zichzelf behoeden voor… voor wat eigenlijk?
Tegen wat zoekt hij dekking, hoofdbedekking?

In het hoofdstuk ‘de hoed van Freud’, Freud was zelf een verwoed hoeddrager, valt te lezen dat ‘de meester van de projectie’ de stelling onderbouwt dat het dragen van een hoofddeksel in wezen niets anders betekent dan ‘een gestyleerde poging om het hoofd terug te brengen in de baarmoeder.’
‘Iedere geborene zit immers wel voor kort of langere tijd vast in de geboorteopening, de langere duur zou later leiden tot een verklaarbaar neurotisch verlangen naar een hoed, of een ander klemmend hoofddeksel.’
Freud voert zichzelf op als het levende bewijs en vindt uiteraard bij zijn patiënten, let wel iedereen is een patiënt, overvloedige bewijzen voor zijn theorie.
De voordelen van het ongeboren zijn evident, alle mogelijke problematiek lost op in die paradijselijke staat.
Critici die de validiteit van zijn stelling betwijfelden beschuldigde Freud van lafheid en zwakte om toe te geven aan regressieve behoeftes.
Hoe verdedig je je tegen zo’n aantijging, het beste is natuurlijk aantijgingen ruiterlijk te beamen.

De lafhartige critici vergeleken Freud met ‘een goochelaar die zijn fabelachtig banale projecties uit zijn hoge hoed tovert en de wereld ongevraagd op zijn misvormde voorstelling van zaken trakteert.’
Verder verweten ze Freud zich te gedragen als ‘de herder van de psychologie’ die zijn schapen, lees patienten, wil behoeden voor de bedreigende wereld door zijn kudde naar de slaapverwekkende schaapskooi van de banale verklaring te leiden.

Verklaringen zijn vaak doodverklaringen, dat is de banaliteit van de wetenschap.
Doet H2O recht aan het wonderbaarlijke van water of is het een dooddoener?
Met de hoed van de wetenschap behoedt de wetenschapper zich voor het mysterie van het bestaan, het geeft de illusie van totale controle.
Al moet je toegeven dat het dragen van zo’n verklarend hoofddeksel een bepaalde pretentie wekt ook al wordt die nooit waargemaakt.

Slopende ziekte

Salvador Besem leed aan manische curiositeit.
De diagnose liet lang op zich wachten, niet in de laatste plaats omdat Salvador de eerste patiënt was.
Er waren wel meer mensen nieuwsgierig, maar het fanatisme van Salvador was uitzonderlijk.
De tengere jongen had tot zijn zevende jaar niet gesproken en de wereldse verschijnselen met een verbijsterde blik waargenomen.
Op zijn derde jaar begon hij de dingen open te maken, om ze van binnen te kunnen bekijken.
Zijn knuffels knipte hij open om hun wezen te onderzoeken.
Electrische apparaten schroefde hij open, porcelein maakte hij fijn, hij verzaagde meubilair.
Trots legde hij de resten van zijn onderzoek in zijn moeders bed, zoals een kat zijn dooie prooien aan de baas schenkt.
Men begreep zijn sloopziekte niet.

Zijn ouders werden tot waanzin gedreven door dagelijks de helften van hun dierbare huisraad te moeten vinden.
Hoe ze ook op hem inpraatten het kon zijn brandende nieuwsgierigheid niet blussen.
De jongen moest worden vastgebonden om niet alles te halveren. De psychiater weet het fanatisme aan zijn spaanse temperament. Moeder Imelda Besem-de Plata was een volbloed Spaanse.
Haar blonde haar verfde ze ravenzwart uit heimwee naar een gemist zigeunerbestaan.
Ze kon niet aarden in de hollandse kleibodem van Zeeuws-Vlaanderen, waar haar man spruiten verbouwde.
In gebroken Catalaans mompelde ze zich schor over duende en tziganetradities.
Haar gepijnigde blik deed vermoeden dat er een giftige doorn in haar ziel priemde.

De dwangbuis bood de jonge onderzoeker een kans om zich te concentreren op zijn obsessie.
Tijdens zijn vastgebonden staat bleef Salvador rustig de dingen halveren, maar nu denkbeeldig.
Hij ging hierbij grondig te werk.
Zich strikt beperkend tot één ding halveerde hij consequent de helft die er over bleef, de andere helft gooide hij weg.
Salvador bereikte een euforische staat waarin iets en niets moeiteloos in elkaar overvloeiden.
Het voelde als een verlossing, al wist Salvador niet waarvan.
Imelda vluchtte naar familie in Figueras, vader volgde haar onnavolgbare sporen, gezien de ansichtkaarten die hij stuurde. Salvador Besem vond onderdak in de faculteit voor kleinste deeltjesfysica.
Na vier jaar stapte hij over naar filosofie, vakgroep vergelijkende mystiek.

Wonderlijk toch dat je tien jaar naast je buurman kan wonen zonder iets over hem te weten.

Iedereen is blij in mei

Lente jubelt door de lucht
vogels zingen blij
vliegers nemen een hoge vlucht
boven de bloemenwei

bomen bloesemen voluit
alle honden spelen vrij
kinderstemmen in het park
iedereen is blij in mei

de ijscokar heeft veel plezier
zolang de zon maar lacht
vlaggen wapperen voor de sier
in een briesje warm en zacht

het reclamebord vertelt de mens
wat hij nog verlangen moet
maar je hebt geen andere wens
onder de zon is alles goed

er is één ding wat ik zeker weet
leven heeft haar grenzen
we dromen verder onder de grond
ook al is er niets meer te wensen

kinderen spelen in de zon
honden rennen vrij
ik zou dit zingen als ik kon
iedereen is blij in mij

ik zou echt zingen als ik kon
hier in de bloemenwei

(zeer vrij hertaald naar G.Page: Everyone’s Happy)

Osman Zöbel

Osman Zöbel was vriendelijk en innemend.
Zijn rigoureuze openheid maakte echter dat men hem op een zekere afstand hield.
Osman merkte vaak dingen op waar men van schrok, alleen oude bomen, vooral oude eiken en beuken konden zijn opmerkingsgave wel waarderen, soms ruiste een hele beukenlaan als Osman voorbij kwam.
Of een oude muur die alles hoorde voorbij komen en door een lichtval van kleur veranderde.
In menselijk gezelschap hield hij zich op de hoogte door zich op de vlakte houden, hij werd zelf een luisterende muur.
Zijn uiterlijk was altijd verzorgd, kleding heel en schoon, hij combineerde onuitgesproken tinten, die samen de uitwerking hadden van een schutkleur.
Ongeacht de achtergrond leek Osman Zöbel op den duur op te lossen in zijn omgeving.
Er viel eigenlijk niets speciaals op hem aan op te merken of het zou juist dat kenmerkloze zijn.

Dit maakte hem voor sommige mensen verdacht, men vermoedde een geheim agent achter die facade van onopvallendheid, een stille, een spion…
Waar hij van leefde werd nooit duidelijk, er waren vage geruchten.
Hij zou een fortuin hebben geërfd of anoniem in de beurshandel speculeren.
Het leek dat hij van de wind leefde maar daarvoor was hij niet frivool genoeg.
Grote zaken betrad hij lichtvoetig, details behandelde hij in volle ernst alsof zijn leven ervan afhing.
De dood, om maar een grote zaak te noemen, beschouwde Osman onder ons gesproken en gezwegen als een van de best uitgevoerde illusies.
Je wist dat het een trucage was, al kon je de vinger er niet achter krijgen.
Dat de verpakking van de ziel vakkundig werd weggetoverd maakte voor Osman de ziel alleen maar meer aanwezig en wel dankzij de kleinste details.
In die zin zag hij een grote overeenkomst met die andere grootheid die de neiging had zich te verschuilen naarmate je er meer over sprak, zo verlegen dat alleen totale negatie als uitnodiging kon dienen.
Het was zomaar begonnen na de verdwijning van het lichaam van zijn jongere broer Nusrat.
In de kleinste details begon de ziel van Nusrat tegen hem te spreken.
Een blad dat trilde, een lichtval op een bloem vlak voordat de blaadjes vielen, de vreemde geur, een woord waar hij niet op kon komen, de smaak van sneeuw, een pluisje op zijn vest, een vlek in het tapijt.
Het gaf hem een warme golvende gloed in de hartstreek alsof alle zielen zich daar verzamelden.
In de combinaties van dergelijke sensaties sprak Nusrat’s ziel boekdelen tot zijn broer.
Osman sprak terug in gebaren, rituelen, hij neuriede wijsjes, sloot zijn ogen om beter te zien.

Waar anderen vluchtig aan voorbij gingen daar zag Osman betekenissen opgloeien als vuurvliegjes in de nacht van onverschilligheid.

Huismond

De spreker was zijn tong zomaar verloren.
Terloops was het ding uit zijn mond gevallen, tijdens een gesprek met een heerschap van zekere reputatie.
Het natte ding lag nu op de straattegels tussen hen in.
De heer merkte het niet, of liet niet merken dat hij het had zien vallen.
Of misschien was het voor een heer van zijn statuur slechts een onbetekenend detail.
De spreker knikte beleefd en beaamde het uitvoerige betoog.
Hij kon ook weinig anders meer dan knikken.
Vreemd genoeg miste hij ding nauwelijks, het gaf wel ruimte in zijn mond.
Eerlijk gezegd vond hij de tong de laatste tijd nergens meer naar smaken, alsof het ding helemaal uitgeproefd was.
Deze bespiegelingen kwamen in hem bovendrijven terwijl hij naar de grond staarde.
Het bevreemdde hem dat er geen spatje bloed te zien was, alsof de tong zich vrijwillig van hem had afgescheiden.
Wie had hier wie verlaten?
Zou hij zijn tong uit het zicht proberen te schuiven met zijn schoenpunt?
Of kon hij er beter op gaan staan.
Nee, het idee gaf hem een krimpend gevoel in zijn hersenpan. Het heerschap keek hem plots nogal verstoord aan.
‘Waar kijk je naar, wat valt er te zien?’ vroeg hij bars.
Impulsief wees de spreker omhoog naar het verse straaljagerspoor in de blauwe hemel.
De heer keek verbijsterd en gebaarde in het wildeweg
‘ Maar dat is toch geen argument, dat is toch..!’
De voormalige spreker kon slechts beamen, hetgeen olie op het vuur was.
Toen zijn gesprekspartner woedend was weggelopen zocht hij de straat af naar zijn tong.
Het vlezige ding was verdwenen en zonder passend afscheid.
Na dit voorval verbeeldde hij zich dat zijn tong als een slak de wereld was ingegleden, op zoek naar een beter huis dan zijn mond.
De smaak van de wereld is ongekend.