Leestekenhond

Leestekenhond

Het leven heeft geen zin maar vele zinnen.
Onze hond plaatst leestekens in de zinnen van ons leven.

De komma’s rollen uit zijn kont, punctueel,
soms schrijft zijn staart een vraag of uitroepteken?!

Hij redigeert onze gesprekstof, laat zinnen goed lopen.
Tegen onzinnen tilt hij zijn poot op, om te wissen.

Zonder hond rolt ons gesprek voort zonder adempauze…
Hij laat ons hart kwispelend verheugen op de volgende zin.

O wacht even, stil, hij gaat zitten als een eekhoorn,
maakt bij deze alinea uiterst geconcentreerd zijn punt.

Goed fout (romanfragment)


Ik had een onderduiker in huis genomen.
Zo dacht ik mij ervan te verzekeren dat ik een goed mens zou zijn als de oorlog zou uitbreken.
De kennis klopte bij mij aan, op de vlucht voor de autoriteiten die de vrede met geweld handhaafden, hij wilde niet het leger in.
Zijn lafheid gaf hem de moed om de strijd voor vrede te ontvluchten.
Bij nachtelijke huiszoekingen werd hij nooit gevonden.

De gewapende vrede duurde zo lang dat ik de kennis tenslotte helemaal was vergeten. Pas toen de oorlog uitbrak herinnerde ik mij plots ‘mijn’ vergeten kennis.
Ik zocht hem op in zijn geheime schuilplaats achter het behang om te vertellen dat de vijand ons vredige land de oorlog verklaard had. Binnen een paar dagen werd het land bezet.

Het was een bevrijding voor de onderduiker, na zoveel schuiljaren kon hij eindelijk de zon weer op zijn huid voelen.
Door de vijand werd de vergeten kennis onthaald als een held. Ik kreeg een onderscheiding van de vijandelijke autoriteit
voor het veiligstellen van de ondergedoken kennis.

Na een kortstondige bezetting werd de vijand een vriend,
het verzet vond dit een passende strategie, de vijand inlijven door overgave.
Oorlog verliest het op de lange duur altijd van de vrede, bij gebrek aan mankracht.
We werden uitgeleverd, aan wie heb ik nooit begrepen, ik zit hier tot nu toe levenslang.
De geheime kennis bleek een dubbelspion.
In het schijnproces was hij gepromoveerd tot rechter.
De aanklacht luidde dat het fout was om goed te willen zijn.

Ik moest dat erkennen om strafvermindering te krijgen,
daarna volgde de veroordeling.
Toen ik protesteerde verklaarde de rechter:
“zie het positief, nu mag u mijn onderduiker zijn, dat ben ik u verschuldigd”

Niets is onhaalbaar


Hier is geen verhaal van te maken, dit totale gebrek aan gebeurtenissen. Geen hoofdpersoon te vinden, zonder vaste woon of verblijfplaats, bizar gewoon.
De gevolgen zijn bekend, zonder persoon geen verwikkelingen, geen plot.
De dingen zijn eveneens weg, verdwenen of op vakantie, naar waar?
Overbodig ze hier op te sommen want ze dragen geen namen meer. Niemand die ze betekenis geeft en ze leven inblaast.
Zelfs de nabije omgeving die de entourage zou kunnen vormen voor een verhaal is ver te zoeken.
Er valt kortom niets te vertellen en dat doe ik dan ook vol overtuiging en inzet.
Ook een onverhaal heeft bestaansrecht.
Waarom zou je het onvertelbare vertellen?

Tussen de regels door hoor je het geschrevene verzuchten;
‘Ach, was ik maar iets Oblomov-achtigs, dan zou ik niets doen, maar zelfs dat kan ik niet’
Niets is onhaalbaar, wat een mogelijkheden.

Chauffeurkunst


Trails nr 87 (200cmx300cm) 2009

Egon Steinpilz (1977 München) begon als bescheiden graficus met droge naaldetsen, subtiel werk.
Geleidelijk aan begon hij met zeefdrukken, steeds grotere formaten.
Nu maakt hij monumentaal werk door met zijn Landrover door zorgvuldig geprepareerde verfbaden te rijden en daarna over enorme lakenstof.
De voorbereiding is even precies als bij zijn droge naald etsen.
Hoe groter hij te werk ging hoe voorzichtiger hij werd.
Elk spoor dat hij rijdt is eenmalig en onherroepelijk.
Dit late werk wordt hogelijk gewaardeerd om de spontaniteit en de versheid van het spoor.
Na de finale rit bestrooit hij het doek met ijzervijlsel om een mooi patina van roest te laten ontstaan.
Het laken spant hij op raam zoals echte schilders, maar dan achteraf.
Zijn meest recente werk is inmiddels te groot voor de musea.
Ze hangen als enorme vlaggen aan puien van wolkenkrabbers.
De laatste overzichtstentoonstelling hing in 42nd Street New York.

‘Roest is het ademen van metaal, mijn ziel is van ijzer, mijn werk is vijlsel’ aldus de kunstenaar/chauffeur.

Parabel van het onvergetelijke

De lezer komt verhaal halen bij de schrijver die net aan een nieuw verhaal begonnen is: ‘Over een schaduw die een trap beklimt’.
De slotzin weet hij al: ‘Eenmaal boven aangekomen wierp hij de schaduw weg, de trap kon gewoon blijven liggen.’
(met dank aan Wittgenstein de filosoof, niet de eenarmige pianist)

‘Ik zoek al lezend altijd naar het hele verhaal’ vertelt de lezer ongevraagd, ‘waarom schrijft u niet eens het hele verhaal?’
De schrijver is een beetje overdonderd en zegt;
‘Ik zal uw vraag graag beantwoorden, maar waarom leest u eigenlijk, om te vergeten of om u zich te herinneren?’
‘Dat weet ik niet, ik zoek het onvergetelijke’ formuleert de lezer weifelend.

‘Maar wat nu als het hele verhaal zou vertellen om te stoppen met lezen?’
‘Als dat het hele verhaal zou zijn, dan las ik nu geen letter meer’
‘Zou dat onvergetelijk genoeg zijn voor u?’ vroeg de schrijver. ‘Het is voor mij in ieder geval op dit moment onvoorstelbaar’

‘Waarom schrijft u eigenlijk’ vroeg de lezer, ‘om vast te leggen of om los te laten?’
‘Dat weet ik niet, verhalen zijn gevangen vogels, om ze vrij te laten moet je ze eerst vastleggen, en je kunt ze los laten, maar of ze leren vliegen weet je nooit’

‘Nogmaals, waarom probeert u niet eens het hele verhaal te schrijven?’
Het bleef lang stil.
‘Vergeet niet dat een schrijver ook maar een eerste lezer is,
een eerste lezer die niet weet wat hij leest, dat is het onvergetelijke van schrijven’

‘Misschien is dit wel het hele verhaal en wachtte het alleen op een uitgelezen moment om te worden verteld?’
‘Het zal blijken of het onvergetelijk is, zo niet dan is het een vergetelijk verhaal’

Zonder vergeten kan nooit iets hervonden worden.

Ontologica

“Dat omnihilisme is mij toch wat al te alomvattend,

daar kan ik helemaal niks mee weet u”

“Inderdaad zeg, maar moet dat dan?”

“Nee, dat zeg ik, wat moet je met een gat

dat ons van binnenuit omvat, dichten soms?”

“Nee, dichten helpt niet, het blijft gapen

die open wond van niet-weten.”

“Alles erop en eraan?” vraag ik.

“Hoe bedoelt u?”

“Melk en suiker?”

“Nee, dank u , niets graag”

“Alstublieft!”

(opgevangen in de wandelgangen van een ontologisch congres
waar ik jaarlijks de koffie verzorg)

Verkenningsvlucht


Wij leefden op stand, in een prachtig pand van de Mexicaanse Ambassade, op het fraai geornamenteerde plafond welteverstaan.
Mijn heerlijke jeugd speelde zich af tussen de ornamenten.
Geboren op de arm van een gouden kroonluchter, wie wordt er zo koninklijk geboren?
Mijn vader, strontvlieg van professie, was opgeleid in het hoogste echelon van de luchtmacht.
Moeder, van zeer goede huize, (hygiëne ging haar voor alles) kon zich veroorloven de hele dag haar vleugels te poetsen
en eitjes te leggen op de gouden luchter, overdags warm door de zon en ’s avonds bij het diner verwarmd door het lamplicht, een perfecte broedplaats.
Het ongedierte beneden ons dineerde veel en vaak.
Wanneer de Zuid-Amerikaanse notabelen en ambassadeurs kwamen logeren en dineren was het feest, chili con carne, ons favoriete nagerecht voor de volgende dag.

Zoals bekend hebben wij vliegen geen land, wij heersen over het luchtruim. Vader voerde ons en dagelijks sanitaire verkenningsvluchten uit. Hij klaagde wel eens over de korte oogsttijd na de invoering van het watercloset met stortbak.
Een aantal keren was hij bijna door de vijand doorgetrokken.

Ik heb het gezicht en karakter van mijn moeder maar het temperament en voorkomen van mijn vader.
Vroeger dacht ik dat ik met een verkeerde geest in het goede lichaam was geboren of andersom.
Wij vliegen zien alles op z’n kop.

Bij mijn eerste verkenningsvlucht ben ik doorgetrokken.
Ik dacht, dit is het einde, een emotionele achtbaan.
Het was een abrupt afscheid van mijn gelukkige jeugd op dat plafond. Wonderbaarlijk overleefde ik het, ik kwam ergens bovendrijven in een open riool. Het bleek een hervonden paradijs.
Al mis ik mijn familie, ik acht mijzelf een zondagskind,
soms meen ik ze te zien vliegen.

Schutkleurig

Vreemde mannen in schutkleuren sluipen door de straat, schichtig spiedend
’s Middags zijn ze weg behalve één volhardende die zich al ijsberend warm probeert te houden.
‘Wilt u koffie? vraag ik’, om hem te kunnen uithoren.
‘Ja, graag, wat aardig, dat maak ik nooit mee’.
‘Een gevulde koek?’

Het blijkt een vogelaar.
‘Er is hier een Azuurmees gesignaleerd, komt alleen in Rusland voor,maar hij is geringd, kan dus ook uit een voliére ontsnapt zijn, ben net in Georgië geweest, volgende maand ga ik naar Marokko, mijn vrouw vind het maar niks’
Onwillekeurig dwaalt mijn geest weg naar de KGB, Solsjenitsjin en de Goelag, de geest is gek, vreemd vertrouwd.
Ik vertel hem over het vuurgoudhaantje dat ik twee keer zag,
de tweede keer lag het wonder in mijn hand, doodgevlogen tegen de schuifpui, in de vriezer bewaard voor een liefhebber.

‘Zal ik u waarschuwen als ik die Azuurmus weer zie?’ stel ik voor.
‘Dat zou heel aardig zijn, maar vergis u niet, als het echt een Azuurmees is dan staat het hier morgen vol met honderden vogelaars, met kannonnen van telelenzen, vorige maand in Rotterdam Kralingen stonden we voor een voortuintje, de bewoner werd agressief, heeft ons met zijn tuinslang de straat uitgespoten’

Hij wijst mij nog op een ijsvogelnest in de buurt.
Ik vertel het enthousiast door aan een buurman.
‘In Gambia zijn ijsvogels als mussen zo gewoon’ zegt hij voor hij zijn motor start.
Ik zie in gedachten zwermen vogelaars neerstrijken gehuld in schutkleurig verenkleed. Ze vliegen de wereld af om hun presentielijsten af te vinken.
Surrogaat voor de jager-verzamelaar.