Nescio revisited

Jongens waren we, maar rare jongens.
We dachten dat we mensen waren of iets zouden worden wat daar op moest gaan lijken.
Wisten wij veel? We wisten niet eens dat we al wat waren, laat staan dat we wisten wat dat wat inhield.
Eigenlijk wisten we nagenoeg of helemaal niets, ja dat we er waren, dat kon niet worden ontkend.
Wel wisten we feilloos door de zekerheden van de volwassenen heen te prikken, dat wat ze wetenschap noemden, die voorlopige en voorbarige conclusies van dingen en zaken die tot begrippen werden gereduceerd. Volwassenen dachten iets te begrijpen als ze een begrip uit hun hoofd hadden geleerd, aandoenlijk.
Het kostte de meesten van ons veel moeite om zich neer te leggen bij ons niet-weten. Verzoening met het onaanvaardbare was nu een keer geen menselijke karaktertrek. Integendeel, het hele idee mens is verzet, dat maakt hem tot mens.

Verzet tegen de natuur in het algemeen en tegen zijn eigen oorspronkelijke natuur in het bijzonder. Zichzelf als dier aanvaarden was wel het allerlaatste.
Zo is het ons evenwel vergaan, vandaar dat we nog steeds rare jongens zijn gebleven in de ogen van…ja, in de ogen van wie of wat eigenlijk?

Gelukgekte

Op de glasbak vond ik Japans porselein, een drakenpotje.
Als kind hield ik al van draken, van oosterse draken.
De europese draak is een kwaadaardig wezen dat verslagen moet worden, Sint Joris had er zijn handen vol aan.
Dinosauriërs konden mij bekoren, maar toen ik de oosterse draak ontmoette vielen die in het niet.
Dino’s waren dood, deze draak was springlevend in mij.
De oosterse draak is een geluksdraak, een ongrijpbaar, vluchtig wezen, paradoxaal, onvoorspelbaar, creatief.
Je klimt op zijn rug en je maakt een vlucht.
Heeft de oosterse draak je eenmaal ingepalmd dan is de geest uit de fles, totale gekte ligt op de loer.
Gelukkig is de draak nergens bang voor.
Geluk en gekte liggen dicht bij elkaar, gek van geluk is de draak. De oosterse draak weet dat er niets te verliezen is.
Sommigen zullen het een monsterlijk potje vinden en dat is het ook. Een draak is een monster, weerzinwekkend prachtig.

Pooltiek fonetisme

Nister Ploeg vant misterie van binlanszake
voertebat met wedekame
over hiep thee krent aftrek.
De nister zegt volgende:
Het kan tuuk niezo zijn
dat gezien dat daant rekkende ekemie
duidige wetgeving wor taangepast
dat zou symboolpooltiek zijn.
Doposisie diente mosie van want rauwen in.
Demosie wormet een kameerdereid veworpen.
Wekrabben verderaan de korst, luxe jeuk,
alsdus onze parmentair slaggever in daag.

Fabel van het onderscheid


Kijk mij nou, ik ben een mooie sneeuwvlok, zei het tegen de zee.
Nee, luister, ik hier ben een heel bijzondere wolk, zei het tegen de lucht.
Zie mij nu eens een uitzonderlijk suikerklontje zijn, zei het tegen de zoete thee.

Stelt allemaal niks voor, zei de mysterieuze schaduw,
kijk naar mij, ik ben het licht dat zich achter de tienduizend dingen verstopt,
ik los op in het zicht zodra je achter de dingen kijkt.

Het zelfde wil zich onderscheiden omdat het hetzelfde is.
Het andere zoekt gelijkgestemden om zich samen anders te voelen.

Dit verschijnsel is een van de tienduizend wereldwonderen,
die allemaal verenigd zijn in het ene feit van wonderbaarlijk zijn.

De wereld is helemaal het einde

Het einde van de wereld bestaat.
Wij zijn er geweest.
Een pretpark van Disney waar je als toerist
naar het uiterste verdwijnpunt van de horizon kunt lopen
om daar in de vertikale afgrond te kijken.
Het einde van wereld is het begin van de ruimte.
Spectaculair om ruimte zo dicht te benaderen,
angst en verlangen vallen daar samen,
dieptevrees ligt op de loer, een oneindige val in het heelal.
Een ruimtereis zonder aankomst, vallen als bestemming.
Je kunt het je niet voorstellen,maar bij langdurig vallen
wordt het vallen zelf een vaste grond.

Vaste grond zonder je voeten.
Een vreemde droom is dit leven.
Wat is slaap anders dan blijvend vallen.
Onze echte bestaansgrond heeft geen substantie.

Zeven zonen

We hebben ooit zeven zonen geadopteerd,
ze kwamen zo iel als jonge twijgjes.
Nu staan ze met bast en uitgeschoten pruiken,
we knippen hun stronkige koppen en tenen.
Anders worden het alsnog bomen van kerels.
Zonen hou je kort voor algemeen nut
als schuilplek voor mezen en merels.
Begeleiden ze zingend onze latere levensweg,
een wilgenrij als oudedagsvoorziening.
Wanneer zij krom en oudgegroeid volharden
zijn wij reeds hemelwaarts gesnoeid,
dan moeten zij het als wezen zelf rooien.

Fabel van de Saurus

Hoe gaat het?
De rivier stroomt of de bedding ligt droog en vol geslepen stenen.
Wat was er heerlijker om door een rivier te waden in de zon,
ijskoud smeltwater uit de bergen rondom, ijsvoeten op de zonwarme keien.
Een stroom zo breed als het dal, het ruisende geluk van het vinden.
Wat viel daar te vinden?
Gepolijste kiezels met bergkristal, zachte keiharde vormen,
verzamelen en weer in de rivier gooien om dat geluid te horen,
wekenlang ruisende oren.
Een enkele eivormige mocht mee in bed om te worden uitgebroed tot een onbekende saurus. Het lukte, die saurus was je zelf.

Sindsdien is er weinig veranderd, nog steeds waad ik door de rivier van informatie, verzamel, gooi terug voor de weerklank en neem een enkele mee naar bed om tot droom uit te broeden.
Als woorden de rivier zijn dan zijn stenen de echte directe ervaringen.
Woorden kunnen al stromend slechts verwijzen naar die echte keien.
Een drooggevallen bedding heeft niets meer te zeggen,
dat is van een schoonheid die zelden herkend wordt.
Zo gaat het.

l’eau d’heures 2

Philippe de Bougy voelde zich ontheemd in India, dat lag niet zozeer aan India maar aan zijn neus die nu een nutteloos ornament was.
Je thuis voelen is in eerste instantie je thuis ruiken, je nestgeur herkennen. Zonder neus was je gedesoriënteerd, bovendien was je je intuïtie kwijt. De neus, zetel van de intuïtie, zonder zetel kan je vertrouwen nergens zitten.
Het laatste sprankje intuïtie had hem naar India gelokt,
waarom wist de parfumeur niet.
Philippe vond het al heerlijk om zich in de anonimiteit van India onder te dompelen, niemand kende hem daar, weg uit de terreur van de bekendheid, dat alziend oog.

Weinig dingen zijn zo eenvoudig als een guru vinden in India, helemaal als je niet zoekt.
‘What is the problem?’ vroeg de guru in gebroken engels aan het nieuwe gezicht.
‘I can smell nothing!’ luidde het gebroken antwoord.
De guru begon aanstekelijk te lachen, Philippe kon het niet weerstaan mee te lachen, tot tranen toe.
‘Congratulations…you see, our whole effort here is to achieve nothing, and you can smell it! so please bring us there!’
Philippe begreep er niets van maar voelde zich bevrijd dat hij zijn geheim bij de guru neer kon leggen.
‘So what else?’ vroeg guruji.
Er verscheen een frons, ‘I lost my home, I don’t know where to find it!’
‘It is so simple that you overlook it…Home smells like nothing from now on, it had always no smell at all, but you didn’t recognize it, no smell is so very subtle…’
Het kwam bij Philippe binnen als iets wat er altijd al was geweest, meteen voelde hij een thuis op deze vreemde plek met deze vreemde mensen, zo vertrouwd.
Het drama was opgelost als sneeuwval in de tropen.
Hij rook nog steeds niets en toch was zijn intuïtie terug.

Nu voelde hij zich overal thuis, zelfs in Parijs.
In een bui van euforische overmoed bracht hij, tegen alle adviezen van zijn staf in, een geurloos parfum op de markt. Uiteraard werd het een flop, niemand begreep het.
Philippe de Bougy koos voor een anoniem leven, het maakte niet uit waar. Elk jaar bezocht hij guruji, om tot tranen toe te lachen.

L’eau d’heures 1

Philippe de Bougy had de top bereikt in Parijs als parfumeur, hoofd van een waar geurimperium genaamd L’eau d’heures, ‘Het water van uren’
Het was geleidelijk begonnen dat hij minder ging ruiken.
Hijzelf merkte het niet op, hij dacht alleen maar dat wat hij nog rook subtieler was.
Pas toen hij een keer letterlijk niets meer rook begon zijn hart te bonken.
Rook hij een herinnering aan geur?
Een bevriende arts onderzocht zijn neus en stelde de diagnose, Anosmie.
Niets meer kunnen ruiken, daar was geen woord voor en waar geen woord voor is bestaat officieel niet.
Had hij teveel geroken dat zijn reukorgaan was versleten?
Philippe herinnerde de arts aan zijn geheimhoudingsplicht, niemand mocht dit gaan weten.
Het imperium draaide verder onder zijn geurdoofheid, zo noemde hij het tegen zichzelf.
Gaandeweg ging hij zich meer zorgen maken, twijfel werd vertwijfeling.
Zijn naaste medewerkers van het lab merkten dat hij zichzelf overmatig parfumeerde,
de exquise stank sloeg op hun keel, niemand durfde het te zeggen.
Het eten in de duurste Michelin-restaurants smaakte hem ook steeds minder,
de meesterparfumeur raakte in een depressie.
Om het te verwerken nam hij een sabbatical en trok naar India waar niemand hem kende.
Het land van talloze geuren, waar hij als beginnend parfumeur zijn grondstoffen inkocht.

Generositeit

Ergens in Australië woonde een jonge jongen in the bush,
groeide op met Aboriginals in een caravankamp.
Wonen in een wagen, hunkerend naar een nomadisch bestaan,
ook al komt die kar nooit meer van zijn plek.
Op de radio hoorde hij jazz op piano en een exotische naam, Tristano.
Dat daar een pianist aan te pas kwam, wist hij veel,
ontdekt hij jaren later tijdens een roundabout,
in een kroeg speelt een kerel op een piano in ruil voor drank.
Dat wil hij ook wel, a muse for booze, klank voor drank.
Hij vraagt of hij hem les wilde geven, dat kan.
Kom maar langs in de caravan, die ene met nog wielen.
De volgende dag krijgt hij zijn eerste les:
Speel ‘round midnight’ maar, in alle toonsoorten en kom dan terug.
Hier was de bladmuziek.
Na vijf jaar ploeteren lukt het.
Dankzij al die fouten noten die hij zelf heeft leren
oplossen in goedklinkende heeft hij zijn eigen stijl gevonden.
Stijl is overwonnen onvermogen.
Nu pas realiseert hij zich dat hij die eerste en laatste les nooit heeft betaald.
Vraagt aan zijn meester wat dat kost.
Geef maar een fles had deze gezegd of speel wat.

Didactisch meesterwerk.