Abstracte natuur


‘De kunstgaarde als tuin verdient staatsbescherming’ vertelt de hovenier van het landgoed terwijl hij ons een papier in handen drukt.
“Ook een modernistische kunstgaarde vraagt een kadrering die het karakter van haar beslotenheid waarborgt alsmede een beginpunt van het grenzeloze markeert” ,
zo lezen wij in de gestencilde folder die leest als een revolutionair pamflet.
“Het Suprematisme is een tuin waar uitsluitend het ongekende bloeit”

De inmiddels hoogbejaarde landheer blijkt een Russisch Constructivist te zijn.
Ooit gevlucht voor de ‘ingenieurs van de ziel’ van vadertje Stalin, eerst viel hun kunst in de smaak en even later uit gratie.
Uit de achtduizend grassoorten selecteerde hij er eentje voor het groene perk.
In de linkerhoek van de foto is te zien dat het werk, (nr. 46) restauratie behoeft,
de onuitroeibare madeliefjes vormen een smet op de monochronie.
Van mijn suggestie dat de madeliefjes juist het monochrone bevestigen wil
de kunsthovenier niets weten, het is zijn particuliere strijd tegen inmenging van buitenaf. Groen is volgens de kunstenaar de meest gemeden kleur in de moderne kunst,
waarom? : teveel associaties met moedertje natuur, te rustgevend en groeit er niet al een overdosis groen op de huid van de aarde?
Het groen stroomt speels door onder de beperking van het hekwerk dat hij destijds
in elkaar laste, uit bewondering voor zijn voormalige kunstbroeder El Lissitzski.
Hoe oprecht zijn eerbetoon is blijkt uit het feit dat hij destijds door El uit de beweging
van het Suprematisme is gezet vanwege zijn voorliefde voor de kleur groen, die kleur was veel te anekdotisch was om abstract te kunnen zijn.
“Maar de gehele natuur is abstract!” had hij nog tegengeworpen, het comité had hem en zijn overwegend groene oeuvre principieel afgewezen.
In hete zomers verschroeit het abstracte gras tot het geel ziet.
Tactiek van de begroeide aarde, droogte zaait het zaad.

Sterfleger

Ik heb eens een haas zien sterven, van ouderdom.
Later drong pas tot mij door hoe zeldzaam dat is.
Voortijdig ten prooi vallen is meer de gewoonte.
De haas was mager en schonkig, zijn vachtje mottig en grauw.
Zijn lepeloren gehavend, kennelijk had hij talrijke aanslagen overleefd, hagelschoten… Het was warm weer in zuid Frankrijk, het oudje zinderde in de hitte. Ik vond hem tussen het gras waar ik net had geplast, in het wild.
Aangedaan en vol opwinding ging ik mijn vrienden halen om ze de haas te laten zien. Toen we enkele minuten later rondom hem stonden was hij overleden, zachtjes omgevallen in zijn leger. We waren ontroerd.
De slimme haas had zich overgegeven aan de oneindige traagheid.
We hebben hem daar begraven, het lege leger bleef achter, als een warme grasholte. De haas was opgeleefd.

Een argwanende boer had ons van een afstand bezig gezien en kwam verhaal halen. Hij keek ons ongelovig aan. De Franse naam voor haas schoot ons niet te binnen. Lièvre, dat was het. Nu geloofde hij ons helemaal niet meer. Wie begraaft er nu een haas?
Watjes uit de stad.

Nette dieren


De hommel zit gevangen achter het vensterglas,
gescheiden van de hemel door een harde onzichtbare grens.
We vangen hem in een wijnglas met een ansichtkaart.
Voor hij wegvliegt veegt hij eerst nog even zijn pootjes af
aan de rand van het glas, om de hemel niet te bevuilen.

Even later zit er een dikke bromvlieg in het kozijn.
Hij wast met zijn voorpootjes zijn zwarte gezicht, zonder zeep.

Surrogaatgod

Mijn moeder was filosofe, niet dat ze ooit filosofie gestudeerd had maar ze praktiseerde dagelijks een heel eigen levensovertuiging.
Boeken las ze niet, ‘Je verleest je verstand’ had haar vader haar gedoceerd.
Ze sprak vaak in bondige aforistische stijl: ‘ Aan de achterkant wonen geen mensen’
Wanneer je een koekje van haar eigen deeg weigerde stelde ze de filosofische vraag: ‘Wat mankeert eraan, is het soms weer niet goed genoeg voor meneer de baron?’ Mijn sprakeloosheid maakte haar vraag retorisch, mijn zwijgen stemde toe. Soms kon ze dit nog iets verder toelichten met:
‘je wordt toch altijd door een strontkar overreden!’
De leerstellingen waren als een ondertiteling waar mijn brein levendige beelden bij maakte, talloze malen zag ik strontwagens meedogenloos over mijn moeder heen karren.

‘Gottegot, wat is mijn lot, een leven lang werken en dan kapot’ Een interessant detail is dat ze volkomen atheïstisch dacht te zijn.
Wanneer ze ons na het boodschappen doen in ledigheid aantrof kon ze cynisch toebijten: ‘Zo, daar zitten ze dan de Heeren der Schepping’

In haar levensfilosofie had ze een surrogaat van een oudtestamentische god geschapen, een verbeterde versie, toegerust met extra absurditeit.
Ze was niet op andere gedachten te brengen, niet dat andere gedachten zoveel beter zijn maar als je nu toch denkt te moeten denken kun je net zo goed iets leukers bedenken.
Of steeds iets anders, het venijn van denken zit hem niet zozeer in wat men denkt maar in de mechanische herhaling van steeds maar hetzelfde.
Moge een hele leuke God haar ziel hebben en haar eeuwig laten lachen.

Metaforismen

-Ik ben niet bijgelovig want dat kan ongeluk brengen,

-Vroeger had ik achtervolgingswaan, nu weet ik het zeker.
Monitoring klinkt een stuk aardiger dan paranoia.

-Is uw glas halfvol of halfleeg?
Mijn glas is helemaal vol met leegte, het stroomt alsmaar over.

-Er is een samenzwering gaande die het idee wil verbreiden dat mensen op zichzelf staande individuën zijn, afgescheiden wezens, los zand.
De wrange grap is dat alleen dit denkbeeld zichzelf waarmaakt,
zoals elk geloof een eigen werkelijkheid schept.

-In werkelijkheid is de mensheid meer analoog aan de mierenhoop, de termietengemeenschap en het bijenvolk. Met dit verschil dat mensen
met veel grotere hersenen dan deze miniatuurdieren het voor elkaar
krijgen om hun eigen soort stelselmatig het vernietigen.

(kleine selectie dagboekfragmenten uit de nalatenschap van Rokus van Geenen,
mijn vader die na zijn dood steeds meer voor mij is gaan leven)

Monitorisme

Er zit een gat in de registratie!
Wat? een gat?
Ja, het detectieapparaat heeft niets opgenomen, dat gebeurt nooit.
Nou, niets aan de hand toch, was er zeker even helemaal niets om te registreren?
Ja, dat zou je denken, maar het duurde wel drie minuut en twaalf seconden.
En wat kwam er toen?
Toen werd ik geregistreerd, ik kwam in beeld.
En daarvoor was er niets?
Juist, helemaal niets, en er valt altijd wat te registreren, tot nu toe, toch?
Dan werkt het apparaat niet goed meer?
Ja, of iets zorgde ervoor dat er niets werd geregistreerd,
iets van buitenaf veroorzaakte deze blinde vlek…
Wat hebben we dan gemist?
Nee, dat zou vreselijk zijn, iets van buiten manipuleert ons detectiesysteem.
Dan kunnen ze ons alles wijsmaken!
Rustig blijven nu, we melden dit voorlopig niet, we doen alsof er niets gebeurd is. Inderdaad, we moeten dit eerst zelf uitzoeken.
Zeker weten, voor er onnodig paniek uitbreekt.
Ja, want voor het zelfde geldt dat er niets aan de hand is.
Niets bijzonders in ieder geval.
We schrijven niets op.
Dit gesprek heeft nooit plaatsgevonden.

Is niets registreren eigenlijk niet ook een registratie?
Nee, dat hebben we niet geleerd, het handboek zegt daar niets over.

Rustig maar, ik heb niks gezegd.

Afstandpunt

Wat is het juiste standpunt en afstand?
Zodra je een schilderij anders dan frontaal benadert wordt het beeld vervormd.
Het perspectief klopt niet meer, verhoudingen zwellen en krimpen.
De schilder heeft het werk frontaal geschilderd, hij is almachtig in zijn ideaalbeeld. Absoluut juist.
Daarom is het spannend om schilderijen vanuit een ander hoek te benaderen,
Het schilderij waant zich onbekeken. Er valt in elk geval nog meer te zien, bij elke beweging vervormt het platte beeld verder, het vervloeit stapsgewijs.
Frontaal lijkt het beeld zelfbewust, zelfverzekerd, vanaf de zijkant bekeken naïef.

Bij ruimtelijke beelden is dit nog veel meer het geval, soms wordt het onherkenbaar.
Een standbeeld maakt niet duidelijk wat voor de kunstenaar het juiste standpunt is. Het is veel minder dwingend dan en schilderij.
Ik hou erg van een achterkant, vooral van een bewust verwaarloosde achterkant, dan blijkt een figuratief beeld plots ook abstract.
Mijn moeder zei vaak; ‘aan de achterkant wonen geen mensen’, die opmerking
opende mijn ogen voor de achterkant van het bestaan, het was alsof ik er een hele wereld bij kreeg.
Alleen het standpunt onder of boven het beeld is taboe.
Stel je een brochure voor van sculpturen van bovenaf gefotografeerd, amorfe inktvlekken.

Bij muziek is stilte een goed standpunt, maar er zijn vele stiltes. Vraag maar eens aan musici,
zij kennen talloze soorten stiltes zoals eskimo’s soorten sneeuw onderscheiden, zoveel als er noten zijn.
Stiltes zijn de sneeuw in de muziek, de notenstroom raakt bevroren.
Sommige stukken eindigen als een sneeuwbal in je gezicht.

Snel heden

Snel heden

Onmiddellijkheid is sneller dan snelheid.
Weten wat er gebeuren gaat is weer sneller dan onmiddellijkheid.

Synchroniciteit is een onmiddellijk contact tussen dingen, dieren en mensen. Een direct contact vrij van afstand, vrij van grenzen, sneller dan het licht.

Is het niet grappig dat in totale stilstand zijn sneller is dan het licht? Gelijktijdigheid is niet meetbaar, er valt geen interval te meten.

Om ontvangst te krijgen moet je kamer natuurlijk wel leeg zijn,
hoe kun je gasten ontvangen als je huis overbevolkt is?

Obsessief denken is het vermogen om alle ontvangst kanalen
te verstoren, een effectieve stoorzender.

Bekoring


Je werd geboren als een bekoorlijk wezen.
Op de wereld gezet om heen en weer geslagen te worden,
zo hard mogelijk op je kale kop.

Je bestemming was om de grond te raken,
in het ene vak of het andere, buiten de vakken telde je niet mee.
Je enige kans was dat je je kop verloor, dan lieten ze je liggen.
Zonder kop vonden ze je waardeloos, je had geen richting meer,
geen kop om op te slaan.
Nog even zochten ze naar je kop in het veld, maar dan gaven ze je op.
Nu had je alleen nog maar een rokje, een rokje van kant.
Goed, je was dan wel van echt plastic,
maar je had nog een heel hoofdloos leven voor je.
Op de meest vergeten plekken zou je voortaan vertoeven,
denkend aan je schepper, Lord Badminton.

Schoorsteen

Sebald Heimer kon, maar deed niet.
Er waren genoeg redenen om iets wel te doen of niet te doen.
Helaas waren deze redenen altijd precies in balans met elkaar zodat er geen enkele reden voor of tegen over bleef.

Pas nadat zijn huis was afgebrand.
(een schoorsteenbrand door een kraaiennest)
ontdekte Sebald dat alle redenen tegen elkaar wegvielen en besloot voortaan geen aandacht meer te schenken aan verlammende beweegredenen.
Hij ging meer voelen dan denken.
Meer en meer werd hij bewogen door de tienduizend dingen.
Sebald ging bewegen, meebewegen, tegenbewegen.

Hij merkte op dat hij vanzelf dingen ging doen, gedachtenloos.
Het leek er zelfs op alsof de dingen zichzelf deden, hij stond erbij en hij keek ernaar.
De mensen uit zijn omgeving herkenden hem niet terug en keken vreemd aan tegen de dingen die hij opeens deed en vooral de manier waarop hij ze deed.
Sebald kenden ze als een redelijke man, maar de manier waarop hij handelde was in hun
ogen volkomen onlogisch en onpraktisch.
Op de vraag waarom had Sebald geen antwoord, hij kon slechts opmerken dat het gebeurde onder zijn handen hetgeen hem zelf ook verwonderde.
Een kraaiennest had zijn leven gered.