Ambiance oblige

Bij het verlaten van het voor ons doen sjieke restaurant haal ik galant de jas van mijn vrouw op uit de garderobe. De ambiance roept verplichte nobelheid op. De ober escorteert mij richting uitgang. Ik zie meteen de mooie dieprode kleur van de mantel, zuiver scheerwol. Ober knikt mij toe. Vastberaden pak ik hem uit het rek en help mijn vrouw in haar jas, voelt vertrouwd.

‘Wat is dat nou, hij past niet meer’ zegt ze verbaasd.

‘Er hangt geen andere rode jas, hij zal toch niet verwisseld zijn?’

‘Dit is niet mijn jas, kijk maar, er staat een ander merk in de kraag!’

‘Heeft een andere dame nu jouw jas aan die veel te groot zit?’

Inmiddels speurt de behulpzame ober vergeefs naar de andere rode jas in de garderobe, alleen gedekte tinten…schutkleurig.
‘Zullen we deze jas dan maar hier achterlaten voor het geval die dame erachter komt’ stel ik voor, ‘dan maar zonder jas naar huis’
Ik overweeg mijn eigen jas uit te trekken voor mijn vrouw.

‘Hoe kan dat nou toch!’ zegt ze, ‘dat zou iemand toch meteen merken?’

Ik kijk nog eens goed tussen de jassen die er nog hangen en vind er een bruin jagersjasje, een waxcoat.
‘Ha, dat is hem’ verzucht mijn vrouw, ‘ik had helemaal mijn rode jas niet aan, die hangt natuurlijk thuis!’ Consternatie en opluchting bij het personeel.
Binnen enkele minuten: Jas, gevonden, gepast, gekrompen, gestolen, verwisseld, dief gevonden, misverstand opgelost. Ik bied mijn excuses aan voor mijn galante miskleun.
Hij leek er precies op zeg ik nog.
De jas wordt extra dierbaar nu we erom kunnen lachen.

Wat is leven zonder goddelijk misverstand?
Als ik het goed begrijp begrijp ik er niets van.

Laatste naamdrager

Wij zijn schilders van huis uit. Mijn overgrootvaders schilderden al.

Nu ben ik laatste naamdrager van ons familiebedrijfje
Ik voel mij verwant aan Mondriaan, de strakke stilering van een raamkozijn.
Monochrome vlakken. Net als hij werk ik graag met tape ik plak de kantlijnen af.
Het meest ultieme moment blijft als ik de tape lostrek en de strakke rand zich toont. Zo’n vaste hand heeft niemand.
Mijn favoriete kleur is menie, oranje grondverf. Helaas moet dat meestal overgeschilderd. Ik werk alleen in opdracht. Voor vrij werk is geen markt.
Mijn wens is nog eens naar Reijkjavik te gaan waar alle houten huisjes een andere kleur dragen. De eerste keer, op huwelijksreis, was ik sprakeloos van de kleuren.Het was haar geboorteplaats als dochter van de ambassadeur in IJsland. Zij bestudeert hallucinogene korstmossen in een lab, de symbiose tussen schimmel en alg. Het mos groeit 1 millimeter per jaar.
Het verwondert mij nog steeds dat zij op mij viel, een eenvoudige huisschilder uit Bos en Lommer. Zonder aan te passen pasten wij naadloos vanaf het prille begin.

De laatste tijd heeft ze heimwee naar de lange nachten van IJsland. Ze mist de kraakheldere poolhemel. Het vuilgele stadslicht beneemt haar het zicht op de sterren. Ik zie haar ogen oplichten als ze erover spreekt.
Wat mij betreft gaan we, genoeg schilderwerk daar.
Er groeien daar korstmossen van 50 cm , vijf eeuwen symbiose.

Rekwisiet

Romanpersonages en filmacteurs zijn onmenselijke wezens/onwezenlijke mensen.
Ze hebben geen uitwerpselen en hoeven nooit te plassen.
Doen ze dat tussen de shots en de hoofdstukken door?
Ze lijken op engelen die het ook zonder toilet moeten stellen. Of zouden die het als de vogels doen?
Zelfs in ‘Birds’ van Hitchcock valt er geen vogelkak uit de hemel. Het zou de film veel griezeliger en viezer maken, levensechter. In boek en film wordt het kleinste kamertje gemeden als de pest.
Alles vindt plaats in de bovenkamer waarin alles geïdealiseerd is en mooi uitgelicht.
Het is curieus want roman en filmpersonages paren en vermoorden elkaar aan de lopende band, smeuiïg in beeld gebracht met de meest intieme details.

Het uitwerpsel is het meest verwaarloosde requisiet in de literatuur en filmwereld. Er lijkt sprake van een ongeschreven dogma, een taboe op uitscheiding.
Zou het komen door het feit dat creativiteit meestal in de kleinste kamer ontstaat,
die stille broedplaats? Zou de kunstenaar onbewust bang zijn om die heilige inspiratiebron te beschrijven, uit angst om die bron droog te leggen?

Ik ken maar één kunstenaar die dagelijks zijn uitwerpsel fotografeerde. Zijn naam ben ik vergeten maar zijn vuistdikke boekwerk met hiëroglyfen zie ik nog levendig voor me. Het ontstaan van het schrift in drukletters.

‘Gewoon’

De meubels stonden de volgende dag nog op dezelfde plaats. Dat dat ook kon. Het verwonderde hem altijd weer, objectconstantie was hem wezensvreemd. Met een binnenhuisarchitecte als moeder was permanente verandering de normale modus geworden. Ieder moment dat je het huis betrad kon de hele inrichting zijn omgegooid, herschikt, verplaatst, verwijderd. Wellicht had hij daarom zo’n hekel aan die pedante interieurontwerpers en andere gestileerde mode-iconen. Een gelukkige bijwerking was wel dat alles wat gewoon op zijn plek bleef hem diep kon verwonderen. Het had voor hem iets aandoenlijks, de onbeweeglijkheid der dingen.

Op een gegeven moment was moeder bezeten geraakt door een nieuw concept;

‘De Open Inrichting’ ze las het in haar vakblad ‘Gewoon’

Deze ‘beweging’ had de focus ‘minder is meer’ , de ruimte zelf als voornaamste meubel… Een interieur diende uit te blinken in sobere kaalheid.
Het een na het andere dierbare object verdween uit ons huis. Niemand wist waar de huisraad bleef.

Nu woonde hij voor het eerst alleen. Zijn eigen huis was niet ingericht, net zo min als hij zijn eigen leven had ingericht. Een oningericht leven wilde hij met de laagst mogelijke organisatiegraad.
In dat laatste slaagde hij wonderwel door nalatigheid en geoorloofd falen.

Voren

De plooien in de pasgewassen gordijnen
lijken helemaal niet op voren in de akker van mijn jeugd
en ook niet op de gefronste voorhoofden van zorgelijke ouders die planten goedbedoeld verdronken of verdroogden.

De plooien lijken nog het meest op rimpelingen in de geest
die vruchtbaar braak liggen als voor het eerste begin,
overwoekerd met wonderlijke onkruiden.

Nooit de behoefte gehad voren te trekken of om het prille begin te verstoren.

Onkruid heeft aan zichzelf genoeg en voedt al wat grazen wil.