Kwee

De lezer las de eerste zin. In de tweede zin las zij dat hij zich verbaasde over zo’n beginzin, terwijl zij zich meer verwonderde over het feit dat de lezer kennelijk vanzelf een hij is. Ze voelde haar aanvankelijke verwondering overgaan in een lichte ergernis over dit zoveelste staaltje van masculine dominantie, zelfs in de haar zo dierbare taal. Aan het eind van deze alinea was ze verworden tot een woedende furie. Hij zou ervan lusten.

Tot haar teleurstelling bleek de auteur bij nader inzien een vrouw te zijn die dit verschijnsel even goed op de kaart wilde zetten. De woede zakte tot het nulpunt. Taal zat nu eenmaal vol aannames. Chirurg, rechter, professor, loodgieter.
Even proefde ze van de alternatieven: chirurgette…..rechteresse…. professignorina, loodgietster …ze moest erom lachen.

Voor een vrouwelijke man of een mannelijke vrouw had haar dierbare taal wel een passend woord….een kwee. Wellicht lag de oplossing van emancipatie wel in onzijdig zijn.

Wonderzoek

Mijn bebaarde oude vriend woont naast de Keukenhof, het is als het ware zijn achtertuin. Hij heeft vrij entree vanwege zijn bejaarde staat, ik geld als introducee.
Gewoontegetrouw lopen we door het tulpenparadijs. De meeste tulpen hangen erbij als leeggelopen ballonnetjes, slap aan bleke stelen. De vlag hangt ook, in top, uit te druipen van een winterse bui. Alleen op papier is het lente. Ons gesprek stroomt gewoon weer verder waar we gebleven zijn, terwijl we de plassen ontwijken.
‘Het leven is het vreemdste wat mij als mens ooit is overkomen’ zegt hij lachend, wijzend naar de treurtulpen.
‘Dit is ook weer vreemd om te zeggen want het suggereert dat ons ook nog iets anders dan het leven kan overkomen…’
‘Ja, dat zo’n woordje ‘leven’ alles omvat, noem maar eens iets wat daarbuiten valt…!’ ‘Een woordje, een stukje klank met een enorme pretentie’
‘Ik weet als dier niet eens wat een mens is, het lijkt mij eerder een mogelijkheid dan een voldongen feit’
‘Is de mens geen definiërend dier?’ Stelt hij olijk.
‘Die is leuk, dat is ook weer een definitie, een zelfbevestiging’
‘Kennelijk twijfelt de mens zo, dat hij zelfbevestiging denkt te vinden in ‘kloppende’ definities’ ‘Wat mankeert er aan twijfel?’
‘Zeker,moeten ons niet bevrijden van kloppende definities, denkbeeldige strohalmen?’

‘Twijfel is prima brandstof voor blijvende verwondering en onderzoek’

‘Wonderzoek?’
‘Is onderzoek zonder woorden niet veel directer?’
‘…………………….’ zwijgt hij wijzend naar de grond.

We kijken maar de sokken in zijn sandalen die volgezogen zijn met regenwater.
De sokken trekt hij uit, dan maar blootsvoets in de sandalen, het zonnetje breekt door.

Aanloopkat

Geluksdwang lijkt een collectieve dwangneurose te worden.
Er heerst een dwang om gelukkig te zijn of te worden, het is een bijna morele plicht. Maakbaarheid zegt dat het onze eigen schuld is als we niet gelukkig zijn. Het vreemde is dat geluk nog altijd aan objecten wordt gekoppeld.
Het sterft van de Boeddhabeelden in de westerse wereld maar het inzicht wordt zorgvuldig vermeden.
Verlangenloosheid is geen object. Hoe meer je geluk najaagt hoe harder ze bij je vandaan loopt. Als geluk niet interessant meer is komt ze onverwacht op je schoot zitten als een vreemde aanloopkat. Je weet niet waar je het aan verdiend hebt.
Want geluk is gratis en dus onbetaalbaar. Wat is verlangenloosheid anders dan genoeg hebben aan wat er op dit moment is. Er hoeft niets bij, er hoeft niets weg.
Dit is wat er is, er is niemand aanwezig die ergens om zeurt of ergens vanaf wil.
Alleen niemand heeft genoeg aan zichzelf, dit is een constatering die niemand begrijpt. Wees dan maar niemand en verwacht geen kat.

So What

Ik las een verhaal van en over Raymond Carver met een geweldige plot.
In dit verhaal schrapt een redacteur van zijn uitgeverij 74 procent van zijn werk. Werkelijk een heel kerkhof van ‘Darlings die gekilled worden’ . De redacteur wordt met naam en toenaam genoemd, voor de geloofwaardigheid,
als huurmoordenaar van de literatuur. De suggestie wordt gewekt dat Carver niet kon schrijven en nooit de ‘Carver’ zou zijn geweest zonder deze ‘moordenaar’…
Zoals bekend werd Carver beroemd om zijn uitgeklede stijl, die dus niet aan hem zelf te danken was. Saillant detail is nu dat de ‘corrector’ van die 74 procent geschrapte tekst
‘restverhalen’ construeerde. Deze verhalen die hij puur voor zijn eigen plezier samenstelde zijn nu gebundeld onder de titel ‘So What!’. Ze vormen een hilarische en tegelijk beklemmende opsomming van cliché’s, stereotyperingen, stopwoordjes, platitudes etc. Het verhaal ‘Stalker’ schetst een achtervolgde schrijver die zowat na elk geschreven woord over zijn schouder kijkt, het zweet breekt hem uit. Wat hem precies achtervolgt blijft duister tot het einde, een plot zonder plot.

Sommigen twijfelen nu of Carver niet een pseudoniem was van de redacteur.
Een overbodige twijfel als u het mij vraagt, elke eigennaam is een pseudoniem van het openbare mysterie.