Papil

In restaurant ‘Papil’ waart meesterkok Wasabi rond met zijn assistenten.
Als een chirurg in een witte overjas bedient hij elke klant persoonlijk. Het eerste restaurant zonder tafels, louter comfortabele stoelen met hoofdsteun.
De assistent houdt de bezoekende gastronoom een bord voor de mond waarop hij of zij zijn of haar tong kan neerleggen.
‘Probeer de tong te ontspannen en sluit de ogen’ fluistert de assistent bezwerend terwijl maestro Mitsuko zijn steriele injectiespuit krijgt aangereikt. In opperste concentratie geeft hij de inenting in het uiterste puntje van de rustende tong.
De definitieve culinaire ervaring is nu een feit, ver voorbij alle Michelin-sterren.
Het klinkt als pure sciencefiction maar het is dagelijkse praktijk in Reijkjavik.
Eten kauwen en doorslikken is een achterhaald concept, het gaat bij ‘Papil’ alleen nog maar om de smaak. Met zijn rondreizende smaaklaboratorium ontwikkelt Mitsuko Wasabi smaakserums volgens een ingenieus destillatieprocedé. Het revolutionaire is dat letterlijk alles als ingrediënt kan dienen: of het nu een antiek Perzisch tapijt is of een dode vulkaan, een Gazelle damesfiets, een Statenbijbel of een kamelenzwezerik…. alles kan tot een smaakessence worden gedestilleerd.
“Met dit soort wereldessences vertellen we een smakelijk verhaal aan de betreffende tong. Het geheim is dat de tong zelf als het ware inwendig gemarineerd wordt door smaakextract.” legt een assistent ons geduldig uit.
Hoewel een bezoek even duur is als een ziekenhuisopname is het restaurant al jaren tevoren volgeboekt.

“Honger is een ziekte die slechts tijdelijk genezen kan worden’ aldus de meester zelf.

Een injectie werkt gemiddeld drie dagen, de vierde dag snakt men naar een volgende inenting.

Tussen

Men noemt mij ‘Babel’, om diverse redenen. Mijn echte naam doet er niet toe. Ik ben op afroep beschikbaar bij dreigend misverstand. U hoeft niets te begrijpen, maar als tolk heb je een bemiddelende rol, je fungeert als neutraal medium.
Ik moet mij verdiepen in beide partijen om kloven te overbruggen. Hun monologen zijn oeverloos evenals hun eisen die ik omsmeed tot timide verzoekjes.
Dat er valt te manipuleren vanuit deze positie is evident maar gelukkig moeizaam aan te tonen. Manipulatie is een lelijk woord voor diplomatie. Een tolk is van oudsher, een grensganger, balancerend op de grenslijn.
Dankzij het feit dat men elkaar niet verstaat kan de tolk ongezien grenzen overschrijden. Verdenk mij er niet van dat ik neutraal ben, ik heb zo mijn eigen agenda’s.
Inderdaad agenda’s, van elke vertaalklus hou ik twee agenda’s bij met alle intenties en standpunten om de speelruimte tussen de woorden optimaal te kunnen uitbuiten. Ik speel naïevelingen tegen elkaar uit, laat ze tegen elkaar opbieden.
Noodgedwongen levert men zich in vertrouwen over aan mijn luisterend oor, in de hoop dat ik hun belang zal behartigen en verdedigen. Beide partijen betalen mij geheime bedragen en geschenken toe.
Kwade tongen beweren dat ik slecht tolk zodat ze elkaar nooit helemaal gaan begrijpen, dat mijn schoorsteen zo uitbundig rookt dankzij misverstanden. Sommigen zien ons tolken als geheime aanstichters van algehele spraakverwarring.
Wie mij beschuldigt van dergelijke duivelse praktijken daag ik uit om zelf de nodige talen machtig te worden. Ik geef het ze te doen om ieder woordje op een goudschaaltje te wegen, om begrip op te brengen voor het meest kleinzielige.

Feitelijk leef ik in niemandsland als tussenpersoon. Koningen besturen landen. Een tolk bestuurt werelden, werelden van verschil.

Autodidact

Mijn zoon van acht stond op een nacht naast mijn bed, hij pakte m’n hand. Ik wist meteen dat hij het was met zijn beweeglijke onderzoekende handjes.

‘Wat is er, wil je weer wat weten?’ vroeg ik, ‘is er haast bij?’

‘Is god een autodidact?’ vroeg hij klaarwakker.
Ik moest lachen om die heerlijke vraag. Onder het laken probeerde ik mijn grijns te verbergen.

‘Natuurlijk, dat moet wel, god heeft geen enkele opleiding genoten’

‘Het is dus een doe-het-zelver!’
‘Ja zoiets, god heeft zichzelf alles aangeleerd, het is een echte amateur’

‘Wat is dat?’
‘Een amateur is een liefhebber!’
‘Waarom moet ik naar school, als god ook nooit naar school is geweest?’

‘Je hebt gelijk, welterusten’
‘Hoef ik dan niet naar school?’ drong hij aan.
‘Als je zulke vragen stelt kun je advocaat van de duivel worden’

‘Is de duivel dan ook een amateur?’
‘Nee, dat is een professional’
‘Hoe wordt je dat?’
‘Door naar school te gaan’

Gezak

Er zit een gat in je broek,
het is een zak,
de zak is leeg.

Een hand tast in je zak.
Het voelt niets dan zich,
een handwarm getast
vingers raken de tel kwijt.

De hand vertrekt door het gat,
buiten de zak drukt lucht de hand,
voelt als een koele handschoen.

Hangende hand, een zakje met vingers.
Zwaarte trekt zacht aan de toppen.
Niks aan de hand dan gezak.

Ode aan de lafaard

Hoeveel ruzies zijn er niet gemaakt en hoeveel conflicten zijn niet uitgevochten dankzij de lafheid om het risico van fysiek geweld te vermijden?

Hoeveel oorlogen zijn er niet voorkomen dankzij de angsthaas?
Hoeveel kanonnenvlees loopt nu nog vrij rond dankzij laffe generaals?

Misschien danken wij ons voortbestaan wel meer aan angsthazerigheid dan aan heldhaftige geweldenaren. Gelijk hebben en halen brengt zelden geluk voort.

In de drone is nu een mengvorm van lafaard en held ontstaan. Het schept de mogelijkheid om lafhartig op veilige afstand de held uit te hangen. Zonder risico op rechtsvervolging.

Die Verhandlung

Alexzz Qzubitzz wazz een vlieg, tenminszte dat hadden zzze hem wijzzzgemaakt. Als jongvolwazzzzene woonde hij nog bij zzzijn ouderzs thuisz. Alexzz had al een vlaszachtig sznorretje dat hij zzorgvuldig poetszte, echt al een jong heertje. Vadervlieg werkte alz hoofd szanitair bij de gemeentelijke riolering, bepaald geen vetpot. Moeder verdiende wat bij bij bij de Bijenkorf als toiletjuffrouw.
Vader en zzzoon konden het zzamen niet zzo goed vinden. Alexzz zzat altijd met zijn neuzz in de boeken, dol op allesz wat je maar kon leezzen. Alsz jongsztebediende vloog hij sztage in de openbare bibliotheek.
“Je wordt zzzelf nog eens een letter!” vermaande zijn vader hem, ” je verdient er geen szztuiver mee en wij maar zzappelen” Alexzz voelde zich platgedrukt door zzijn barsze vader, zijn vader was de lompszte vlieg die hij ooit had gezzien. Alleen zzijn moeder hield in het geniep wel van poëzzzie, achter de brede rug van haar nogal opvliegende man. Zze genoot als Alexzz haar een gedicht influiszzzterde.
Op een dag zzat de jongen in de bieb weg te zzzwijmelen bij een versz rijm toen plotszeling de dichtbundel dichtklapte, flatszch!

Alexzz wasz in één klap uitgelezen. Op de fatale pagina liet zzijn sztoffelijk overszchot een vlek na. Menig lezer lasz er een komma in die de tekszt definitief van betekenisz veranderde.

“Ik zzei het nog zzo, pazz op, poëzzie iszz dodelijk ” Had vader droogjesz opgemerkt terwijl hij zzijn tasz pakte om naar de szportszchool te gaan. Gewichtheffen wasz zzijn luszt en zzijn leven. Moeder Vlieg vluchtte in haar werk. Elke keer wanneer zze de ingebakken vlieg in de porszeleinen toiletpot zzag meende zzij haar zzoon te herkennen.

Vergeetariër

Soms wordt je ongevraagd getrakteerd op een wiener schnitzel. Als niet vleeseter is dat geen probleem, je eet het gepaneerde
ding gewoon zonder te morren op.
Voor mij is een goede sfeer aan tafel het belangrijkste ingrediënt van de maaltijd, zonder dat kruid is voedsel onverteerbaar.
Mijn moeder was geen keukenprinses, geen ramp, maar de sfeer aan tafel was te snijden.
Nu lag er dus zo’n snijdsel helemaal uit het Wienerwald te dampen op mijn bordje vergezeld van magere erwtjes, ronde worteltjes en halfbakken aardappeltjes.
Om dit zonder gewetensbezwaar te kunnen eten moet je vergeetariër zijn. Je vergeet even dat je op een taai stukje varken kauwt.
Vannacht kwamen in een droom alleen de wortelknikkers nog even langsrollen, één voor één op de muziek van “Geschichten als dem Wienerwald”
‘De geest van een gek is een feest zonder hek’ las ik op de scheurkalender, Egon Torstenson.

Waterschrift

Tijdens mijn leven als goudvis dagdroomde ik hoe het zou wezen om mens te zijn.
Even voor de duidelijkheid; ik hou niet van de term ‘vorig leven’ of ‘volgend leven’. Leven vindt immers steeds nu plaats. Ook elke herinnering eraan is altijd nu.
Wel moet ik u bekennen: pas op met dagdromen, voor je het weet moet je zo’n droom waarmaken.
In mijn transparante kom bekeek de mens mij van alle kanten, nergens kon ik mij achter verschuilen. Ik benijdde mensen vooral om hun vermogen om te reizen, een mooi woord voor vluchten. Mijn leven speelde zich af in de kom.
Ik zag de mensmonden jaar in jaar uit naar lucht happen buiten de kom. Sinds kort weet ik pas dat zij taal spraken en in hun eigen spraakwater leven.
Nu ik zelf mens in wording ben, weliswaar nog een onmondig kind, merk ik pas wat het is om goudvis te zijn geweest.
Ik herinner mij alles nog glashelder: de stilte, het heldere doorzichtige zijn, het moeiteloos voortglijdende leven, mijn lichaam voelde als lauw in lauw water, koel en sereen. Nu besef ik des te meer hoe gelukkig een goudvis is. Ik taalde nooit naar taal. De lichamelijke zwaarte van nu valt mij het zwaarst.
Als mens zal ik ooit het volgende gedicht schrijven:

“Het oog van het verhevene is als een goudvissenkom,
het kijkt rondom van binnenuit, alles leeft binnen haar blikveld. Wij zijn gezien en gehoord door die stille blik.
Het verheft ons leven tot we ons gewichtloos overgeven,
zwemmen is zweven, schrijvend in water”