Speelruimte

Mijn oude jeugdvriend is psychiater en naar eigen diagnose depressief. We zien elkaar niet vaak, dankzij de drukdruk-cultus

“Hoe gaat het nu, je kijkt nog tobberig”
“Klopt, ik ben nog steeds niet de oude”
“Je weet, ik kom van de kouwe grond, maar mag ik eens wat voorleggen, dan vertel ik je straks hoe ik hierbij kom?”

“Natuurlijk, je weet dat je altijd alles mag zeggen, graag zelfs!”
“Zou het kunnen zijn dat je ooit op een onbewaakt ogenblik besloten hebt dat je een ernstig, serieus persoon moet zijn?”

“Hoe bedoel je dat?”
“Ik bedoel, een verantwoordelijk, moreel verantwoord mens, dienstbaar…..kun je lachen om jezelf?”

“Nou nee, maar ga verder?”
“Wel, als je in wezen eigenlijk lichtvoetig bent om niet te zeggen frivool, dan botst dat met wat je denkt te moeten zijn”

“Hou je me nu voor de gek?”
“Wellicht, ik ken je van vroeger, je houdt van gek doen, je gekte uitleven!”

“Ja, maar dat was toen, we waren jonge honden”
“Alle toen is nu, al het straks trouwens ook,
je hebt eigenlijk een geest van laat maar waaien, van onbekommerd spelen, waarom geef je daar niet meer aan toe?”

“Je bent hartstikke gek!”
“Zou heel goed kunnen, wat niet wegneemt dat je wezenlijke speelse aard serieus genomen wil worden”

“Ik neem ernst dus te serieus ten koste van mijn lichtzinnige aard?”
“Ach, ik weet het niet…..ik zeg maar wat er in mij op komt, spelen neem ik ernstig en soms speel ik dat ik serieus ben, al die dingen bestaan moeiteloos naast elkaar”

“Ik geloof dat ik gek word, je speelt met begrippen, ik begrijp er niets van!”
“Precies, dat bedoel ik, ga zelf spelen met begrippen anders wordt je er zelf een speelbal van”

“…………., maar het leven is toch geen spelletje?”
“Ook definiëren maakt deel uit van het spel, een serieus spel, lachwekkend ernstig, verbijsterend licht en luchtig”
“Ha, ja als je het zo bekijkt, we zijn vrij om de spelregels te definiëren, niet aan gedacht, hoe kom je hierop?”

“Wel, je weet dat ik met honden werk en de laatste jaren met oude hulphonden?” “Nee, wist ik niet, vertel”
“Hulphonden hebben een houdbaarheidsdatum, daarna zijn ze depressief of niet meer te houden, ze zijn door overmatige dienstbaarheid van hun ware aard vervreemd geraakt”

“Een hulphond heeft hulp nodig? ”
“Zeker, ik help ze weer hond te worden, door ze te laten spelen, door ze te dollen, daar zijn ze van nature dol op!”

“Working like a dog, eight days a week”
“Een perfect recept voor depressie!”
“…mmmwaf!……”

Naakte maanden

Het was in de tijd dat de maanden zich kleedden met de dagen van de week. Oktober kwam zoals gewoonlijk laat thuis. Rillend hing hij zijn grijze maandag aan de kapstok om uit te druipen van slagregens. De dinsdag hing gladgestreken klaar voor de volgende dag, die was tenminste droog, al zat er wel nog een enorme vlek op de rug. Zijn vrouw Juni had het daggerecht in de warme oven laten staan. Dat deed ze altijd als hij late dienst had en zij alvast naar bed ging.
Ze hadden elkaar ooit bij de de verjaardag van Augustus ontmoet, Juni had die avond
een oogverblindende zaterdag aan. Oktober was meteen betoverd geweest door haar verschijning. Hij had zich geschaamd voor de versleten woensdag die hij al dagenlang afdroeg.
In die tijd had hij geen geld om zich een degelijke donderdag te kunnen veroorloven. Hun dochter Juli had vorig jaar een kleinkind Mei gebaard. Vreemd genoeg had Juli niets over haar zwangerschap verteld noch over de toekomstige vader, Maart of was het September? Onverwacht stond Juli op hun stoep met de kleine Mei, om te vertellen dat ze grootouders waren geworden. Ze waren dolblij en wilden meteen weten wie de dader was.
Juli kon het niet over haar lippen krijgen dus loog ze dat het waarschijnlijk Februari of November was geweest, April kon ook nog.
Het interesseerde Juli niets wie de vader was, ze wilde gewoon een kind voor zichzelf.
Ze wilde Mei alleen opvoeden. Op papier had ze een vader gehad maar Oktober was nooit thuis geweest. Hij was een vreemde die ze vagelijk van gezicht kende.
Toen Oktober dat ontkende had ze uit woede haar bord eten tegen zijn jas aangesmeten. “Ja, loop maar weer weg!’ had ze hem aangespoord.
Juni had de dinsdag samen met de vrijdag extra heet gewassen. De vlek op de rug was eruit, maar de vrijdag was gekrompen.
Die dag zat hem niet lekker.

Technotopia

Wie zich niet voortplant is een uitstervende diersoort.
Er worden geen genen doorgegeven, geen talenten, geen ziektes, geen gewoontes, geen trauma’s, geen erfenis. Daar zitten ook voordelen aan. Geboren worden is niet altijd een zegen. Het nirvana van het ongeborene heeft genoeg aan zichzelf.

Een dier zal er geen gedachte aan wijden dat hij de laatste van zijn soort is. Alleen de natuurbeschermer huilt krokodillentranen om het laatste exemplaar.
Hij is in staat om het dier te vangen en het te onderwerpen aan een fokprogramma. Dierentuinen lenen zich daar helaas voor.
In plaats van de leefruimte buiten de hekken te beschermen richten ze zich op het individuele dier. Niet zelden sterft het laatste exemplaar achter de tralies ver van zijn geboortegrond.
Een uitstervend mensdier doet er goed aan uit handen van de mensenredders te blijven. Sterven lijkt bijna het laatste natuurlijke domein te zijn in dit door technologie vergeven
tijdperk. Onze natuurlijke biotoop wordt stormenderwijs een technotoop. Alles wordt overwoekerd door het kunstmatige, het virtuele. Kunstmatige intelligentie is een potentiële dictatuur die ons leven zal dicteren. Exit scharrelmens. Afwijken van de norm zal er worden uitgefokt, ‘The computer says no!’

De uitstervende moet vechten voor het recht om op een natuurlijke wijze te mogen bezwijken.

Plantendans

Een betoverde tuin is onbeweeglijk. Ze ligt als verstard, in de stilste stand. Zodra de wind zucht begint ieder kruidje zich te roeren, elk blaadje, halmpje, takje wiegt zacht, verfijnd. Tot het echte waaien losgaat, de hele tuin danst nu in een grillige cadans. De tuin kleedt zich om tot een groene balzaal bezaaid met in vervoering dansende planten. Betovering is wakker gekust. Een tuin viert voortplantingslust.