Schoenendoos

Je moeder was een niemand geweest. Nu was ze nog steeds niemand maar nu een niemand zonder lichaam. Ze zwierf doelloos door de stad. Ze wist niet meer waar ze geweest was. Zocht ze ergens iets? Nee, ze zocht niets! Dus zocht ze naarstig verder naar niets, overal en nergens.
‘Waar is je moeder?’
‘Weet ik niet…..ze is nergens’
Ze wist niet wat ze moest, ze wist niet wat ze wilde. Elke dag vroeg ze je welke jurk ze aan moest doen. ‘Doe die maar’ zei je. Dan nam ze die andere. Ze vroeg je om raad. ‘Doe dat maar’ zei je behulpzaam, wist jij veel? Je was vier of vijf? Je wist niks, net als zij.
‘Of, nee doe dit maar’ zei je en dan deed ze het tegenovergestelde.
Ze keek onbestemd naar een horizon van nooit en nimmer. Daar achter lag een niets, buiten bereik. Een niets dat wachtte op hulp.
Ze droomde een nare droom. Over die vergeten schoenendoos op de linnenkast. Steeds vertelde ze erover, overstuur. De doos huilde zacht en toch vergat ze steeds om erin te kijken.
Later las je over traumdeutung. Wat je trof was de gelijkenis van traum en trauma.

Wat betekenen dromen anders dan dat je nu wakker bent?

Bagagedrager

Goedemorgen, mag ik u een brochure overhandigen waarom Jezus tweeduizend jaar geleden zo heeft geleden, voor u.
Nee, dank u, dat is al heel lang geleden.
Maar nog steeds actueel, er wordt nog steeds veel geleden.
Maar het leed van Jezus is toch geleden?
Hij heeft voor u geleden.
Maar heb ik daar ooit om gevraagd?
Nee, maar hij is ook voor uw zonden gestorven.
Preventief? Dat is toch zonde, laat iedereen zijn eigen bagage dragen.
Bent u dan niet dankbaar voor zijn opoffering?
Nou, nee, het is meer een soort chantage, ik moet wel zonden begaan anders is hij voor niets gestorven.
Dat is toch fantastisch, dat bij voorbaat wordt vrijgepleit van zonden?
Ik noem zoiets…. fantastoïde.
Bestaat dat woord?
Nee, maar daarom juist zo toepasselijk.
Ik doe hem wel bij u in de brievenbus.

Museumbezoeking

En vind je het wat, is het kunst?
Matig, ik vind het…nogal kunstmatig.
Gekunsteld?
Ja, het roept zo nadrukkelijk…”kijk mij hier toch eens even kunst zijn!”
Artificieel?
Ach, het ligt er zo dik bovenop weet je, en ik hou al helemaal niet van kunststoffen, dat stinkende polyester en die schreeuwende kleuren!
Mag kunst niet stinken, ook niet als het maatschappelijk geëngageerd is?
Nee, kunstmest mag stinken maar wat is de meerwaarde van stinkende kunst?
Ja, maar dit is van kunstmest en kunstmest stinkt nu juist niet, is dat dan weer wel kunst?
Ik weet het niet, conceptuele kunst zegt dat kunst een concept is, wat op zichzelf weer een concept is, het is een concept om concepten kunst te noemen, de leugen bewijst zichzelf door te liegen, het zegt op een heel omslachtige wijze helemaal niets!
Nou, wind je niet zo op, hoe vindt je dit dan hier?
Dat lijkt weer nergens op.
Inderdaad, niet bepaald een eyecatcher…
Het roept tenminste niet zo hardop dat het kunst is.
Nee, dit is weer het andere uiterste, dit fluistert;
“Wat stel ik voor, wat beteken ik nou helemaal? ,wat ben ik nou om te zeggen dat ik kunst ben?”
Het is ook niet gauw goed bij jou zeg, het is nota bene helemaal van natuurlijk materiaal.
Ja, ook weer zo’n schijntegenstelling, noem mij iets op de wereld dat niet van natuur is gemaakt? , alle kunststof en gif is uit natuurlijk materiaal samengesteld!
Sinds Duchamps is alles kunst, ik kan geen kunst meer zien…
Het enige wat jij nog kunt appreciëren is ‘de kunst van het weglaten’?
Weet je, kunst bestaat niet buiten het taalspel om, het is een spel met definities.
Maar is het niet leuk om te spelen met denkbeeldige betekenissen?
Misschien wel leuk, maar het is geen kunst, het is een koud kunstje.

Bram

Mijn hond heet Bram, een teefje, genoemd naar mijn vader, Abraham.
Hij was eens op een markt waar hij een vrouw tegenkwam. Deze vrouw had een nest jonge hondjes en probeerde die op de markt kwijt te raken aan liefhebbers.
Mijn vader die niets met honden had was meteen verkocht.
Hij zei wel een hondje te willen, als strategie om met haar in contact te komen. Om in contact te blijven zei hij dat hij niets van honden wist en of de vrouw hem wilde helpen. Zoals de vrouw zich over de hondjes had ontfermd zo ontfermde ze zich over mijn toekomstige vader.
‘Ik weet niet hoe ik hem moet noemen’ zei mijn vader.
‘Hoe heet je zelf?’, vroeg de vrouw.
‘Abraham’, antwoordde mijn vader.
‘Mooi, dan noem je haar toch Bram’, zei de vrouw.
‘Maar dat is een mannennaam’, zei mijn vader.
‘Dat weet zij toch niet!’, zei de vrouw.
‘Hoe heet jij eigenlijk?’, vroeg mijn vader.
‘Ik heet de moeder van jouw zoon’, had ze gezegd zonder blikken of blozen.
Dit verhaal vertellen mijn ouders altijd als ik vraag hoe ze elkaar hebben gevonden.
‘Dat zei ik destijds tegen elke leuke man die ik tegenkwam’ zegt Mam nu gierend van de lach, ‘alleen ze liepen allemaal gillend weg!’
Mijn moeder is een beetje gek, maar zonder die gekte was ik er nooit geweest. Bram is samen met mij opgegroeid, zij is iets ouder dan ik.
Ik lag als baby in haar mand, tussen haar dikke voorpoten, daar zijn foto’s van. Mijn vader en Bram zijn onafscheidelijk. Hij heeft nog steeds niets met honden, alleen Bram is onvervangbaar. Ik ben uiteindelijk geen zoon van mijn vader geworden maar een dochter, vernoemd naar mijn moeder. Ik voel me gewoon mezelf, gewoon allebei, ik hoef niet te kiezen. Eerst hadden we het wel eens over opereren, maar dat hoeft niet voor mij.
Bram is ook gewoon een meisje van twaalf.
Voor een hond is dat best oud, een oud meisje.

Airbag

Ik had geen tijd over om te koken.
“Over of er voor over?” vroeg mijn vrouw nog.
Om het antwoord uit te stellen reden we naar een buurtrestaurant dat zich toelegt op restverwerking. Ze redden daar ingrediënten van de rand van bederf en koken daar uitstekende fantasiegerechten van die in geen kookboek te vinden zijn.
Helaas waren ze dicht op maandag. Zo verzeilden we bij de buurtchinees die zich nergens in specialiseerde.
Van alle markten thuis, Kantonees, Roti, Indo, Javaans, Thais.
Vele keukens één smaak. Terwijl we wachten op de ober zie ik een man met zijn gezicht in zijn volle bord Bami vallen. Zijn vrouw reageert opvallend rustig en tilt zijn hoofd uit het bord, alsof het dagelijkse kost is. Met het servet veegt ze hem bij bewustzijn.
“Ik was even weg!” hoor ik hem zeggen.
Mijn vrouw heeft niets gezien maar ziet wel mijn verbijstering. Ik zeg: “kijk maar niet, ik vertel het je later wel”
Door het voorval herinner ik mij de buurman van vroeger die altijd een kussen op zijn tafel had liggen. Hij zat altijd voor het raam aan tafel. Soms sliep hij ook liggend met zijn hoofd op tafel. Later werd mij uitgelegd dat Ome Cor epilepsie had en daarom uit voorzorg een kussen op tafel had. Heel praktische mantelzorg, zo verwondde hij zich niet en kwam vanzelf weer bij. Dat ging jarenlang goed tot die laatste keer.
Eens moet de laatste keer zijn, dan zijn we even weg.
Pas toen we weer thuis waren kwam het antwoord op de vraag: “Voor over”

Zorgeloos 2

Wie bent u dan als ik vragen mag?
Ik ben nieuw hier.
U bent nieuw?
Ja, vandaar dat ik zo vroeg ben, om een beetje te wennen.
En hoe bevalt het u?
Heel goed, ik dacht; wat een leuke school, een school waar gezongen wordt, dat blijkt u dus te zijn.
Ik dacht dat ik hier de enige was die zo vroeg op school was, de docenten komen pas later, vandaar de ik zo vrij zong.
Voor mij bent u een zanger, blijf dat vooral doen, ik voelde mij hier meteen thuis.
Ach, wat leuk, zingt u dan ook?
Nou, dat mag weinig naam hebben, ik zing alleen onder de douche.
U maakt mij nieuwsgierig, wilt u iets zingen, ik heb ook voor u gezongen.
Nou, ik zing echt alleen onder de douche, de akoestiek is perfect, alsof je baddert in klank.
Dat klinkt fantastisch, zullen we dan een keer samen onder uw douche gaan zingen?
Nou…, dat lijkt mij een geweldig idee, wanneer kunt u?
Ik kan de hele dag, behalve s’morgens vroeg dan maak ik schoon, hoe heet u eigenlijk.
Ze noemen mij Badr!

Zorgeloos 1

Wie bent u?
Ik ben de schoonmaker!
Ik vroeg niet wat u doet, maar wie u bent.
Dan ben ik…Ismaël, de schoonmaker.
Mooie naam, maar u bent toch niet uw naam, net zo min dat u bent wat u doet!
Hoe bedoelt u?
Nou ik hoor u vaak zingen onder het schoonmaken, dus dan zou u ook een zanger kunnen zijn!
Ja, maar daar krijg ik niet voor betaald!
Dus dan zou u alleen zijn dat waarvoor u betaald krijgt…misschien werkt u wel onder het zingen?
Ik snap het, ik was ook wel eens af, ik schrijf wel eens een gedicht, plak wel eens een band, dan zou ik dus ook afwasser zijn, dichter en fietsenmaker!
Je kunt al die beroepen uitoefenen maar dat kan alleen omdat je zelf wezenlijk iets anders bent.
Ik vraag aan mijn zoontje Ibrahim wel eens wat hij later wil worden.
Wat zegt hij dan?
‘Ik wil later miljonair worden’ dan vraag ik wat hij vandaag wil zijn en dan zegt hij “Gelukkig”
En is hij gelukkig?
Ja, het idee dat hij later miljonair zal zijn geeft hem zo’n rust dat hij nu gelukkig lijkt te zijn met niets.
Dus zelfs al zal hij nooit miljonair worden leeft hij nu al zorgeloos als een vorst!
Mooi, geluk om niets, zingt u voor Ibrahim?
Iedere dag, zing ik hem in slaap.
U hebt een zondagskind.

Gemier

“Wij hebben niet lang meer te leven”
“Hoe bedoel je, je bent toch niet ziek?”
“Nee hoor, of je moet het lichaam een ziekte noemen…ik bedoel gewoon; een mens leeft hooguit honderd jaar, dat is geologisch gezien niets, een vingerknipje”
“Ach ja, jij kijkt als geoloog natuurlijk vanuit een ruimer perspectief naar dit menselijke gemier, tegelijk ben je zo overgevoelig als een seismograaf”
“Dat zeg je mooi, menselijk gemier…hoewel mieren nog gezamenlijk aan één hoop werken, vergeleken daarbij zijn mensen ongeleide projectielen”
“Kijk dat bedoel ik, overgevoelig…als bioloog kijk ik daar toch anders tegenaan, vergeleken met de eendagsvlieg hebben wij bijna een eeuwig leven, we kunnen elke dag als nieuw leven!”
“Wat ben je toch een optimist!”
“Ja, wat is er opgewekter dan voortplanting, daar zou toch zelfs een steen enthousiast van worden?”
“Wat bedoel je daarmee, dat ik mij moet voortplanten soms?”
“Nee, jij niet, maar je lichaam….wek je zelf op, anders versteen je nog!”
“Ik heb geen vrouw”
“Neem dan een tuin”
“Moeder aarde?”
“Een fantastisch wijf!”