2 procent

Wist je dat de chimpansee voor 98 procent hetzelfde DNA als de mens heeft?
Wat klinkt dat toch altijd pathetisch ‘de Mensch’, heel bijzonder en boven alle natuur verheven!
Professor Chimp zou zeggen: de mens verschilt maar 2 procent van de aap.
Ja precies, nog 2 procent te gaan en het doel is bereikt, we zijn weer dier onder de dieren.
Het zou interessant zijn om die twee procent precies te detecteren, dan zou je meteen weten waardoor ‘de mens’ een ontspoorde aapsoort is.
Nou, daar heb jij vast al een idee over…
Het zal inderdaad iets te maken hebben met ideeën, het vermogen om denkbeelden voor werkelijk aan te zien, voor echt.
Dat is een vermogen maar ook een enorme valkuil, want daar zit ook de waanzin. Het heeft geleid tot de Stradivarius, de fiets, de roman, de microscoop… Zeker, en tot de Kalasjnikoff, de atoombom en politiek.
Je bedoelt: ‘het politieke dier?’
Is het niet grappig dat men al jaren zoekt naar ‘The missing link’ terwijl datgene wat zoekt zelf de ontbrekende schakel is?
Twee procent maakt de waanaap.

Jong en lui

Luiheid wordt vaak verkeerd begrepen.
Elk mens heeft een vuur in zich maar niet iedereen functioneert op dezelfde brandstof.
De een ontvlamt bij het omhakken van een boom, de ander pas als hij de Mount Everest bedwongen heeft, weer een ander staat in vuur en vlam door een postzegelverzameling. Allemaal verschillende brandstoffen. Gooi je de verkeerde brandstof in de goede machine dan loopt die vast, ontploft of wordt lui.
Alle machines zijn goed. Mensen zijn echter geen machines, ze worden lui als ze verplicht worden de verkeerde brandstof te gebruiken.
Helaas en gelukkig komen mensen zonder gebruiksaanwijzing ter wereld, die moet bij elk afzonderlijk geval worden uitgevonden. Soms moet er zelfs een nieuw soort brandstof worden verzonnen. Dat zou de taak van onderwijs moeten zijn:
Voor elk kind de juiste brandstof vinden en de lont aansteken. Bij de juiste brandstof is leren een spontaan proces.
Luiheid is een frustratie van de oorspronkelijke natuur die niets liever wil dan ontbranden.
Het korte lontje dat ontstaat door frustratie zorgt ervoor dat mensen voortijdig uitdoven of ontploffen. Sommigen blazen zichzelf op uit woede om de verkeerde brandstof. Een zelfmoordterrorist is ook maar een mens.
Een bom energie die geen kant uit kan.

Visidee

In de heetste zomer van ’65 was ik zes, net vijf geweest.
Het openluchtzwembad ‘De Meeuwenplaat’ kampte met watervlooien, een plaag.
Men kwam op het briljante plan om stekelbaars en voorntjes uit te zetten in het bad, die zouden korte metten maken met de watervlooien. Goed idee, meteen doen!
De zweminrichting werd herdoopt tot natuurzwembad, zo kon er die zomer toch nog gezwommen worden. De vissen zouden het water schoon houden.
Toen ik aan de rand van de grote betonbak stond rook het er niet naar de bedwelmende chloor van het Sportfondsenbad maar gewoon lekker naar natuur, dooie vis en algen. Ik zag ze drijven, dood of zieltogend in de ondoorzichtige groene algensoep. Konden ze niet zwemmen? Waren ze verdronken?
De badmeesters langs de kant visten de lijkjes er met lange schepnetten uit.
‘Het is lekker water hoor!’ spoorde de witgeklede meester mij aan om erin te springen. Andere jongens speelden in het water, gooiend met kroos en dooie vis naar de gillende meisjes. Ik ging erin. De waterplanten strengelden zich om mijn benen in het groene water.
Het was denk ik de eerste keer dat ik last had van een vies idee dat mij fysieke afkeer bezorgde: samen zwemmen met dooie vis. Hun ogen knipperden nooit. Rond het middaguur moesten alle badgasten het water verlaten.
Het was tijd voor ‘het voederen der visschen’. De witte badmeesters gooiden korrels. Duizenden vismondjes gaapten door de waterspiegel naar de hemel.
Een stil zangkoor. Welgeteld ben ik één keer in het natuurbad geweest om mij op te frissen. Thuis rook ik na het douchen nog steeds vaag naar alg en het vieze idee.
Het openluchtaquarium raakte natuurlijk overbevolkt door de voortplantingsdriftige vissen en moest worden gesloten.
Nog steeds als ik mijn ogen niet kan geloven krijg ik vissenogen die wijdopen staan en niet meer willen knipperen. Ogen die niets willen missen van deze doorlopende voorstelling.

Verfilming

En hoe was de verfilming van het gelijknamige boek?
Je bedoelt die roman van Jean-Luc Bretelle?
Ja, precies ‘La vie de Poubelle’ met Celestine Crapeau in de hoofdrol.
Nou het is wel weer erg ‘Nouvelle Noir’…..
Dat is vreemd, Philippe Croupier is toch meer van de ‘Film Soir’.
Nee, je verwart hem met Ferdinand Roulette, maar Crapeau speelde mooi.
Speelde ze zich weer zo mooi zichzelf, zoals gebruikelijk?
Ja, net als in ‘Le Peau sensible’ van Yves Foulard.
Die toiletjuffrouw speelde ze ook schitterend in ‘L’Eau de Vie’.
Ja, met die onvergetelijke Pierre Mouchoir als vagebond.
Nou, die speelt anders ook altijd zichzelf!
Maar dat doet die dan ook weergaloos!
Toch zal je dat Catherine Le Boeuffe nooit zien doen.
Wat niet, zichzelf spelen niet?
Nooit, zij speelt altijd iemand anders.
Dat is waar maar hoe zou dat komen…omdat ze geen eigen persoonlijkheid heeft? Ja, of heel veel deelpersoonlijkheden…
Het meest sterke staaltje gaf ze ten beste in ‘Sans Gène’ van Armand Peuchaud.
Ja zeg, die film waar ze alle rollen zelf speelt, haar vader, haar moeder, haar kleinkind..
Fascinerend was dat vooral die scène in die baarmoeder, die monologue interieur die ze daar murmelt….
Dus Poubelle is een aanrader?
Zeker, alleen de muziek van Camille Peignoir is weer zo voorspelbaar.
O, heerlijk, die stereotypisch sentimentele musettewalsjeskitsch.
Maar het werkt wel, moet je toegeven.
Ja, op je traanspieren.

Gevaargekte

Nou, je was weer lekker op dreef, met je helse verhalen!
Ik werd ertoe gedreven door de olieslagerijen van mijn jeugd.
Ja, gedreven door de duivel zeker?
Kun je niet lezen, ik schreef : de hel is mensenwerk.
En de hemel dan?
De hemel is afzien….
Afzien, dat lijkt me meer iets voor de hel.
Rustig, ik was nog niet klaar, de hemel is afzien van de neiging om in te grijpen in dat wat intrinsiek al goed is, afzien van veranderen, van verbeteren.
Nou, dat zou een mooie puinhoop worden als we alles in het honderd laten lopen.
Volgens mij is het nu juist een puinhoop vanwege die neurotische obsessie om in te grijpen in wat al goed is.
En de dood dan, is dat goed? Jij wilt toch ook lang leven?
Jij noemt de dood slecht en daarmee is dood slecht voor jou, ik wil zo lang leven als mij is gegeven, de dood is voor mij intrinsiek goed.
Belachelijk, dus jij wilt dood?
Ook, ik wil leven dus wil ik ook dood, ik heb geen haast, maar ik stel het ook niet uit.
Je bent mijn beste vriend maar je klinkt nu als een gevaarlijke gek.
Dat is lief dat je dat durft te zeggen, ik sluit ook niet uit dat ik gevaarlijk gek ben.
Maar even terug naar die olieraffinaderijen, daar was jij toch niet echt blij mee.
Dat is een goed voorbeeld van misplaatst ingrijpen in de natuur, kijk maar eens hoe deze industrie onze omgeving wereldwijd heeft vergiftigd, een oceaan van plasticsoep.
Hadden we zonder kunststoffen ons zo kunnen ontwikkelen als mensheid?
Natuurlijk, we konden tweeduizend jaar zonder die onafbreekbare troep, wat hebben wij toegevoegd aan de natuur?
Nou, we hebben natuurparken aangelegd, het wereldnatuurfonds en…
Dat zijn maffiapraktijken , eerst bedreigen en dan bescherming bieden.
Zit dat dan in de natuur van de mens?
Nee, het is de cultuur van de mens die zich tegen de natuur keert, tegen zijn eigen natuur in. De mens is tegennatuurlijk?
Nee, hij is niet zo, hij gedraagt hij zich tegen zijn eigen natuur in.
Waar komt die zelfvernietiging dan vandaan?
Uit angst voor de dood?
Uit doodsangst jezelf langzaam uitroeien?
Wie is er nu gevaarlijk gek?

Wijkman

Ik ken een buurman die niet direct naast mij woont maar een paar straten verder. In hetzelfde wijkje. Hoe noem je zo’n iemand een wijkman?, of een kennis? Kennis is te veel gezegd, ik heb hem maar één keer ontmoet.
Hij heeft een gewone koelkast met een groot vriesvak, dat bleek.
Ik vond de wijkman op straat gebogen over een dode ijsvogel.
‘Tegen een ruit van een auto aangevlogen’ zuchtte hij in verwondering.
Het prachtige, voormalige beestje lag slap in zijn hand en puntgaaf.
‘Ik neem hem mee naar huis’ zei hij vredig.
‘U kunt hem laten opzetten’ gaf ik als suggestie.
Hij trok een vies gezicht;’Dan blijft er niks van over, glans gaat eraf, de ziel is weg!’
‘Nee, ik vries hem in, bij de anderen’ zei hij opgetogen.
‘Heeft u er nog meer ingevroren dan!’
‘Zeker, een hele vriezer vol, wilt u ze zien?’
‘Graag!’ zei ik.
Zo kwamen we in zijn bijkeuken met tl-licht.
Begeesterd toonde hij mij bijzondere vogels die ik nooit in levende lijve had gezien. Ze kwamen uit plastic bakjes van de afhaalchinees.
‘Je kunt ze tien seconden even op je hand leggen om ze goed te bekijken’ instrueerde hij en gaf mij een stijf lijkje in mijn handpalm.
Ze waren allemaal gaaf en schitterend van de vrieskou, bezield van schoonheid.
‘Wat is het mooiste exemplaar van uw mausoleum?’ vroeg ik hem.
‘Dat is deze hier, het Vuurgoudhaantje, daar is alles mee begonnen, liefde op het eerste gezicht!’
De Ral, de Snor, het Baardmannetje, het winterkoninkje, Tapuit.
‘Allemaal ijsvogels’ zei hij terwijl ik het Vuurgoudhaantje bewonderde.
‘Oogverblindend mooi, dank u wel voor het laten zien van uw schat’
Hij borg de vogellijkjes allemaal weer zorgvuldig op in het vriesvak.
De ‘verse’ ijsvogel ging in een plastic zakje.
‘Geen bakjes meer, ik moet maar weer eens naar de Chinees!’

Wanneer ik ’s avonds met de hond door de wijk loop zie ik het neonlicht in zijn keuken en het Vuurgoudhaantje voor mij geestesoog. Maar ook Chinese etensbakjes doen mij steeds denken aan mijn wijkman.

Olieslachterij

Je jeugd speelde zich af onder de rook van de chemische industrie, het Botlekgebied, Rozenburg. Het rook er niet bepaald naar rozengeur,
wel geurde het naar rotte eieren en zwaveldamp. Één keer kwam je op het terrein. Het was werkelijk de hel op aarde; een stank die je kon snijden, metaal, vuil industrieel licht, gassen, stoomspuitende ontluchters, vlammen uit de aarde, dit alles gehuld in een permanente machinale dreun die je letterlijk fysiek deed sidderen. Tussen de immense olietanks en schoorstenen scharrelden onderhoudsmonteurs rond in pakken, rubber handschoenen, gemaskerd en onder de smeer. Als besmeurde zwarte insecten, ongedierte.
Dat mensen hier dagelijks werkten kon ik niet bevatten.
In het Shellkrantje las je de overlijdensadvertenties en de pensioneerden. Velen overleden nog voor hun pensionering nog meer even daarna. Na gedane arbeid was het goed rusten op de eeuwige olievelden.
Op rommelmarkten vond je vaak onderscheidingen van overleden jubilarissen van de aardolieslagerijen. Penningen, horloges, oorkondes, getuigschriften.

Je kon daar niet vrij ademen, walgend van de lucht deed je een sjaal voor je mond.
Alleen wanneer de wind richting raffinaderij waaide was het buiten uit te houden. Wijselijk bleef je veel binnen.
Hoe konden mensen vrijwillig besluiten hier te gaan wonen, mijn ouders?
Op een nacht ontplofte de raffinaderij, een enorme explosie en vuurzee kleurde de nachtelijke hemel, als een bloedsinaasappel. Alle ruiten van de slaapstad sneuvelden.
Je was overtuigd dat de oorlog was uitgebroken en beleefde het als een opluchting. Het zou de giftige lucht wellicht klaren.
Pas veel later kon je het bos in vluchten, Beerschoten, de Bilt, waar het weer werd gefabriceerd, schone lucht.
Eindelijk kon je je verdere leven wijden aan de diepe ademhaling en de zucht van opluchting. De duivel bestaat niet, de hel wel. Het is mensenwerk.
De hel is af, nu de hemel nog.

Himmel

Ik ben de buurman van mijn buurman. Ik ken mijn buurman niet.
Hij kan altijd bij mij aankloppen, maar hij doet het tot nog toe niet.
Als ik thuis kom, gaat hij net weg. Toch lopen we elkaar nooit tegen het lijf. Hij neemt steevast de achteruitgang, via de tuin. Het is geen onwil, de loop der dingen scheidt onze wegen. Door een verkeerd bezorgde ansichtkaart uit Gstaad, Zwitserland, weet ik toevallig zijn voornaam.
We blijken hetzelfde te heten, Gustav, ik heet Guus.
Onwillekeurig is hij mij gaan intrigeren, voor ik het wist betrapte ik mij zelf op het bespioneren van Gustav. Ik schaam mij niet voor nieuwsgierigheid maar waarom ging ik niet gewoon naar hem toe om kennis te maken? Een overdreven gevoel voor privacy behoedde mij voor direct contact. Ongetwijfeld was Gustav daar niet van gediend, anders had hij toch zelf wel toenadering gezocht.
Jaren liepen stil aan onze huizen voorbij zonder contact.
Op een dag kwam ik thuis, er stond een ambulance voor zijn huis. Familie vertelde mij dat hij was overleden. Ze nodigden mij uit voor de crematie.
Als goede buur moest ik toch ook gelegenheid krijgen om afscheid te nemen vond zijn familie. Ik dorst het niet af te slaan, laat staan dat ik zou vertellen dat we elkaar eigenlijk niet kenden.
De dienst was uiterst sober. Na afloop vernam ik dat Gustav asiel had gevonden in Nederland, gevlucht voor de overweldigende bergen. Nederland was een verademing voor hem, de platheid, het vlakke land.
‘Himmelland’ zo had hij Nederland vaak genoemd. Gebergte ingeruild voor hemelruimte.
Stadse anonimiteit had hij heerlijk gevonden, na de verstikkende sociale controle van het Zwitserse bergdorp.
Er woont nu iemand anders naast mij, die ik eveneens nooit zie. Voor mij woont Gustav er nog steeds, een vreemd vertrouwd gevoel.

WK Leven

Leven is de traagste sport.
Gaan, zo traag als haren groeien.
De langste adem wint gestaag,
wie het laatst nog ademt zal de eerste zijn.
Een marathon is maar kinderspel, te snel.
Het gaat hier niet om snelheden of afstand.
Blijf gerust rusten op je rustplaats,
blijf desnoods eeuwig in je startblok.
Het draait om gespaarde krachten,
niet om voortijdig verschoten kruit.
Winnen is eenzaam zonder publiek,
publiek dat schitteren zal van afwezig zijn.
De laatste mens wint de hoofdprijs,
een lege schedel, de kaalste bokaal.
De trofee van de laatste adem wacht als
een grafvondst op buitenaards besef.
Het zal ‘onze’ aliens niet echt verbazen,
zo vertrouwd zijn ze met het vreemde.