Kunde

Er is een ding dat hinkt en linkt en lonkt en pinkt.
Kunde gij hinken en linken en lonken en pinken
zoals dat ding dat hinkt en linkt en lonkt en pinkt?

Mamagurka copyright 2017 (correspondent Vlaanderen)

Van de kaart

Over feiten en meningen gesproken: Zou je kunnen stellen dat feiten zich louter voordoen in het gebied en dat meningen altijd deel uitmaken van de kaart? En wat zou deze zin dan zijn, een feit of een mening?
Taal is sowieso van de kaart. Taal verwijst in het beste geval direct naar het gebied en verliest meteen haar doel, zoals de ladder van Wittgenstein weg kan zodra je boven bent.
In de vele gevallen verwijst taal naar zichzelf. De hele literatuur is een enorme lading cartografie. Door de wandelkaart zie je het bos niet meer.
Zou je kunnen stellen dat het gebied het domein van het zijn is en dat de kaart in het domein van het hebben valt. Feiten zijn en meningen heb je.

De kaart in je hoofd kun je niet uitgummen, maar je kunt wel het onderscheidingsvermogen beoefenen om het zijn van het denkbeeldige te scheiden. Het denkbeeldige kan niet vernietigd worden omdat het niet bestaat.
Het wonderlijke is dat het denkbeeld wel een directe invloed kan hebben op hoe de wereld wordt beleefd, zodra men erin gelooft gaat het werken. Geloof is de brandstof van de toekomst, nu alleen nog een goed denkbeeld vinden dat als voertuig kan dienen. Een denkbeeld waar iedereen beter van wordt.

Schok


Reynaert de Vos maakte een onuitwisbare indruk op mijn achtjarige zoon.
Hij kreeg er hartkloppingen van toen Reynaert de poten van de beer afstroopte om ze als laarzen te gebruiken voor zijn bedevaartstocht. Het werd voor hem het oerbeeld van ploerterigheid. De aanblik van de mensenvoetschoenen van Magritte brachten dezelfde schok te weeg. Hier was een mens gestroopt en dat binnen de beschaafde muren van het museum. Het schilderij ‘Dit is geen pijp!’ stelde enigszins gerust, maar niet voor lang.
In Richard de Derde schetste Shakespeare een avondvullend inkijkje in de geniale inktzwarte kant van de mens. De ploertigst denkbare held werd bijna wellustig in het zonnetje gezet tot verbijstering van de achtjarige.
De inktzwarte kant is dus in beeld gebracht, gedetecteerd. De kans om die kant te overstijgen is door te zeggen; “Ik ben Richard Reynaert de derde en ik loop op mensenvoetschoenen om mijn bedevaartsoord te bereiken.” Waarom? Gewoon om te ervaren hoe dat voelt om een ploert te zijn, om de schok te verwerken dat ook die mogelijkheid aanwezig is. Mijn zoon van acht is altijd nieuwsgierig gebleven naar het mogelijke.

De ‘echte’ Richard de derde was echt gebocheld en is onlangs opgegraven, ze konden hem identificeren door zijn bochel. Historici beweren nu dat hij best een aardige koning was in vergelijking met de rest.
Shakespeare zou hem onrecht aangedaan hebben door hem onterecht zo inktzwart te verbeelden. De zwarte kant van Shakespeare?

Blinde ambitie

Altijd op een onbewaakt ogenblik vroeg men aan het kind wat het later wilde worden, net als het in zijn spel verdiept was. Het kind kon zou gauw niets bedenken. Het wilde nooit iets bepaalds worden, kon het niet onbepaald blijven? Het zweeg in verlegenheid. Als ze doorvroegen of het net als vader slager wilde worden, verzekeringsagent of bij de vrijwillige brandweer knikte het kind met een zogenaamd deemoedige glimlach om er vanaf te zijn.
Waarom zou je eigenlijk iets willen worden, was het niet al genoeg dat je er was? Het kind voelde zich tekortschieten, kennelijk mankeerde er iets? De volgende kindervriend vroeg aan het kind welke dromen het droomde.
‘Ieder mens moest toch een droom hebben om na te jagen..’, dat was hun vaste overtuiging. Als het kind dacht aan het leven van deze mensen en aan de droom die ze leefden dan voelde het een lichte huivering. ‘Als je geen droom had dan had je leven toch geen doel, geen zin?’
Dat dit leven misschien zelf wel een droom was drong kennelijk niet tot volwassen dromers door, dacht het kind, verzonken in het spel. Het kind kon geen andere droom in zich ontdekken dan de vastberaden wens om alle dromen te doorzien.
Het begon zich bij alles af te vragen; ‘Is dit nu werkelijk?’ Het kneep zich in de arm. Meestal was de pijn in zijn arm werkelijker, en de wereld mooier.
Gelukkig waren er enkelingen die niets van het kind vroegen. Ze lieten het kind met rust.
Ze leken niet te dromen, ze bleven juist zo lang mogelijk wakker om hun mooiste verhalen te vertellen, van hen leerde je luisteren. Één zinnetje uit een verhaal was het kind altijd bijgebleven;

‘Om wakker te worden uit deze droom kun je je ogen beter sluiten’.

MadiwoDom

Ik ben zo madiwodom, zo ongeagendeerd.
Geen tijd heb ik om horloges te kopen,
geen tijd om klok te kijken, om tijd te klokken.

Ik leef buitentijds, buiten die goeie ouwe tijd,
buiten de nieuwste tijd, ik leef gewoon buiten.

Ik heb geen tijd om te sparen voor haast,
geen tijd om tijd te doden of te verliezen.

Het is niet iets om voor te schamen of trots.
Er is gewoon een radertje weg, het mechaniekje is kaduuk.
De wijzers liggen eraf en de cijfers door elkaar op een hoop.

Mijn wijzerplaat is leeg, door het gaatje laat zich tijdloze ruimte zien.

Misverstand van zaken

Het is niet zo eenvoudig vast te stellen wat een feit, een afspraak of een mening is.
Het zogenaamde objectieve ideaal is vaak niet haalbaar omdat het altijd een subject die iets objectief vast stelt. Wikipedia lijkt uitkomst te bieden, er staan voorbeelden van feiten en meningen:
Het regent , is een feit.
(Met deze kanttekening dat regen tijdgebonden en lokaal is, het regent niet overal en permanent, relatief objectief dus, maar niet onomstotelijk vast)
Het is rotweer, is een mening.
(Als het een orkaan is die je huis vernietigd zou je dat toch bijna als objectief feit kunnen zeggen dat het rotweer is…?’)
Gras is groen, dit is een feit aldus wiki.
(Ik zou dit eerder rangschikken onder de afspraken: we hebben afgesproken dat we deze kleur groen noemen, in verschillende talen heet deze kleur weer anders en kleurenblinden zullen deze kleur nooit als zodanig zien. Het is maar een handige aanname dat we deze kleur allemaal hetzelfde zien…misschien zien we allemaal andere nuances?)
Gras ruikt lekker, is een mening zegt wiki.
(Dit is niet eens zozeer een mentale mening als wel een zintuiglijke waarneming. Voor deze ene waarnemer is het een objectieve waarneming die toevallig subjectief als aangenaam wordt ervaren)
De lonen zijn te laag, hier zegt wiki: dit is een mening, want er is geen norm voor te laag!
(Als iemand met een normale veertig-urige werkweek niet in zijn basisbehoeften kan voorzien en kun je best objectief vast stellen dat het loon te laag is.)
De penguïn is een vogel, dit lijkt evident een feit.
(Al lijkt het mij ook een afspraak, kenmerk van een vogel is dat die vliegt, een penguïn vliegt niet. Maar hij legt wel eieren. Inderdaad, maar dat doen slangen en schildpadden ook)
Deze voorbeelden zijn natuurlijk eenvoudig en vrij onschuldig, maar als dit soort
simpele zaken al niet zo eenduidig te bepalen zijn hoe moeilijk wordt het dan bij complexere zaken en begrippen.
De wereld is een afspraak in taal en die afspraak moeten we steeds weer bevestigen en duidelijk maken om zeker te zijn dat we elkaar echt verstaan, anders berust de wereld op een misverstand van zaken.

Geen naam

Het ongeschreven gedicht,
haar laatste uur heeft nu geslagen.
Woord voor woord wordt ze nu te niet gedaan.

Zonder letterlichaam leefde ze tot nu toe anoniem,
mond op mond werd ze ongeschreven doorgegeven.
Nu gaat haar ongeschrevenheid in deze zinnen verloren.

Met elke zin wordt ze meer en meer bepaald en beperkt.
Haar legendarische status verdwijnt in kille onttovering.
Pas nu ze is verschenen kan ze ook weer verdwijnen.

Achteraf kan men dan zeggen; ‘het ongeschreven gedicht
is een slecht gedicht, het rijmt niet eens en heeft geen metrum,
het was wellicht beter immer ongeschreven gebl…..’

De poëzie van het ongeschrevene is onbenaderbaar zo ijl.
Om de wereld zonder taal te proeven ontkleedt men de geest
van alle praatjes en plaatjes, het onmiddellijke raakt je subiet.

Een goed slecht gedicht mag eigenlijk geen naam hebben.