Soeperen


Photo: © Jelle Touw 2017

Ober, mijn soep lijkt wel geschift…!

Dat is ook de bedoeling meneer, smakelijk eten!

Hoe bedoelt u, smakelijk?

De schifting is geheel volgens het recept.

Maar het smaakt zo apart…ik bedoel dit is toch niet te eten!

Dat klopt, deze twee ingrediënten stoten elkaar zo af dat u de smaken apart van elkaar kunt proeven. In het nieuwe koken draait het niet om het eten, maar om het proeven!

Jajaja…maar dit is toch geen combinatie, bitterzoet met zuurzout…?

Inderdaad, tot nu toe was dat geen combinatie omdat schiften niet onder de toegestane bereidingswijzen viel, regelgeving.

En nu mag het dus wel, van Europa?

Ons hele kookconcept is op schiften gebaseerd, waar voorheen smaken werden vermengd houden we ze nu zorgvuldig apart, het vereist wel een gedegen kennis van stoffen met afstotende eigenschappen.

Ach, vandaar dat het complete periodieke systeem hier aan de muur hangt!

Inderdaad, u krijgt meer smaken voor uw dure geld, elk chemisch element heeft haar eigen smaak. Wij verkopen geen maaltijden, maar wij verschaffen smaakervaringen.

Wel een aparte benadering, bijna scheikundig.

Absoluut, wat u zegt, scheikundig….’ons nieuwe kookconcept’ is afstoten om wille van de meeste aparte smaken.

En de klant mag proefkonijn zijn?

Die vergelijking gaat enigszins mank, meneer…proefkonijnen eten gratis.

Haar verf

Mijn moeder leek op de kopzijde van de oude guldenmunt; Koningin Juliana. Als twee druppels water leek de koningin op mijn moeder. Kennelijk was de oude vorstin een rolmodel voor vele naoorlogse vrouwen.
Hetzelfde permanentje en vlinderbrilmontuur. Wekelijks zaten alle ‘moeders des vaderlands’ volgeprikt met krulspelden onder de haardroogkappen die ik als ruimtevaarthelm gebruikte.
Het speelde in de dagen rond de eerste maanlanding. Mijn ouders zag ik graag als buitenaardsen, als infiltranten die mijn planeet dreigden over te nemen.
Toen mijn moeders haar begon te grijzen kon ze haar haar terugverven in haar natuurlijke haarkleur, aldus beloofde de enthousiaste verpakking. Dat ging meestal goed, al viel de kleur altijd anders uit.
Op een keer probeerde ze een nieuw merk met een ander en veel beter chemisch bestanddeel.
Uit school trof ik moeder aan met een vuurrood gezicht boven het granito aanrecht van Bruynzeel. De bovenkant van haar hoofd was bizar opgezwollen en deed zeer. Ze had het al drie keer met ijskoud bluswater uitgespoeld maar het nieuwe merk bleef doorbranden. Onze huisdokter kon niets doen.
‘Het zal wel zakken’…had hij gezegd…en dat deed het.
Als een zwemband van vocht zakte de zwelling tergend traag. Moeder zag er die avond uit als een Neanderthaler. De volgende dag leek haar hoofd op een peer, daarna kreeg ze een hals als een hamster die net had gehamsterd. Je zag het dagelijks zakken. Een Michelinmannetje met één band. Als laatste beproeving werden haar voeten zo dik dat ze geen schoenen meer aan kon.
De arme ziel kon zich een week niet op straat vertonen.
Mooi worden bleek een pijnlijke en gevaarlijke zaak.
De schrik zat er goed in. De giftige verf bleef evenwel goed zitten.
Na deze vergiftiging ging ze voorzichtig terug naar haar oude haarverfmerk. Zo voorzichtig dat ze een te kleine dosering nam en het resultaat bleekjes afstak bij het effectieve gifmerk.
Onderwijl bereisde ik onder mijn haardroogruimtehelm sterrenstelsels. Ik wist wel betere planeten te fantaseren dan deze.
Planeten met creaturen zonder hoofd, zonder haar erop dat grijs kon worden, gewoon gifgroen, kaal van top tot teen, ideaal.
Murmelend in de stofzuigerslang die tevens dient deed als laserkanon gaf ik mijn ouders boodschappen;
‘Hallo..hier..Aarde!…hebben..wij..contact?’

Slurfkunst

‘Ik rotzooi maar wat aan’, zei Karel Appel ooit.
Appel liep zelf ooit als een losgeslagen olifantsstier door de porseleinkast van de beeldige kunst.
Zoiets zul je een slurfkunstenaar nooit horen zeggen over zijn eigen werk.
Slurfkunst behoeft geen ondertiteling.
Mensen projecteren hun eigen ambities graag op hun kinderen, dat is bekend in het ‘oerwoud der beschaving’ (F.Wildesheim)
En vaak projecteren ze die ook op andere onschuldige dieren. Zoals in dit geval; de Thaise olifant die kennelijk kunstenaar moet worden in de ogen van de trotse ‘ouders’…. Pappa en Mamma Mens.
Gelukkig heeft het slachtoffer een dikke huid en speelt het spel ruimhartig mee in ruil voor een trosje bananen.
De flamboyante kunstolifant kwast behendig het canvas vol met slurfachtige curven.
Zijn partner doet op de achtergrond alsof ze bevallig poseert. Het wordt uiteraard een naaktportret.
De olifant is zelf al een kunstige speling van moeder natuur, waarom zou die zich moeten bewijzen als kunstenaar?
Wat een fantasie is er nodig om zoiets wonderlijks als een olifant te ontwerpen, olifantasie?
De slurfkunstenaar schijnt trouwens ook heel verdienstelijk trompet te spelen, vooral als hij op ramkoers ligt met zijn omgeving.
Een dubbeltalent dus.

Tweegeenheid

Het is moeilijk te bevatten, dat de spiegel leeg blijft ook al lijken er twee boeddha’s
te zien, te zijn.
Een plus een is geen.
De spiegel geeft een projectie weer van dat wat kijkt.
In het menselijk oog vindt dezelfde projectie plaats van een wereld die ons aankijkt.
Hoe je dit ook bekijkt, je ontkomt niet aan het inzicht dat er zonder bewust zijn er niets te zien valt. Noch de projectie in de spiegel, noch de projectie in het oog.
Een plus een is geen, nul, benulzijn.
Dit fenomeen doet zich voor bij elk zintuig.
Zonder zintuigen geen waarneembare wereld.
Een wereld van wederzijdse projecties.
Wat heeft hier benul van?
Het onbevattelijke…
een mooi woord voor: ik weet het niet.

Op grote voet

Ik ben geboren in een te groot lichaam.
Voor de babyvoetjes die ik nooit had kon mijn kleine moeder geen schoentjes vinden.
Ze hield mijn beentjes warm met ovenwanten. Zeggen dat mijn lichaam mij niet past zou ondankbaar zijn, maar het zit echt te ruim, het slobbert om mij heen als een veel te wijde tent. Op school altijd de grootste van de klas en al gauw groter dan de meesters en juffen.
Soms heb ik het gevoel dat mijn lijf een hele menigte zou kunnen herbergen.
Kortom, ik loop mij een ongeluk van de ene uithoek naar de andere.
Met ‘ik’ doel ik natuurlijk op mijn arme ziel, die dat hele lichaam in haar eentje moet opvullen. Alsof je in je eentje een kasteel bewoont, en dat zonder personeel.
Dat klinkt als een slappe weeklacht, als een luxeprobleem…
Leven in een te groot lichaam valt, geef ik toe, nog mee in vergelijking met leven met een groot lichaam in een te kleine wereld, want je stoot je de godganse dag aan alles en nog wat. Alles knelt, je kunt geen kleding vinden, stoelen zijn te laag, bedden te klein, deuren te smal.
Die pietepeuterige buitenwereld is letterlijk niet te hanteren. Je eet noodgedwongen met de opscheplepel uit een emmer om je ergste honger te stillen.
Maar het meest vermoeiend is nog wel de medemens. Je bent permanent bezig om al die kleine mensen gerust te stellen omdat ze schrikken van jouw monsterlijke afmetingen. In het begin nam ik ze nog wel eens als kleine kinderen op schoot, maar dat maakte ze nog banger.
Panisch riepen ze om hun moeder.
Als je in een te groot lichaam woont ga je onwillekeurig toch steeds meer mensen mijden. Je probeert je klein te maken en de binnenruimte te bemannen met zelfbedachte deelpersoonlijkheden,
om wat aanspraak te hebben.
Sommige buitenmaatse lotgenoten laten zich tentoonstellen als bizarre bezienswaardigheid, maar dat gaat mij te ver. Je bent toch geen rijksmonument of openbaar kunstbezit?

Wegwerk

Een van de langste dingen op aarde door de mensch gemaakt is ‘de autostrada’, toch ziet vrijwel niemand dit ding onder ogen, laat staan het gehele ding. De platgereden slang van asfalt, lang en vertakt als een rivier.
Waarnemen vraagt rustige traagheid.
Een snelweg is niet bedoeld om bij stil staan.
Of je moet het geluk hebben om pech onderweg te krijgen. Dan pas sta je noodgedwongen stil dankzij je haperende voertuig. Zo ontdek je dat de weg ook een eigen leven leidt door gewoon daar op haar plek te blijven liggen. Ze ligt daar te weerloos te verweren in weer en wind. De zon teistert haar huid van asfalt, die zwelt en slinkt door temperatuurwisselingen tot ze hier en daar barst en openscheurt. Lijdzaam ondergaat ze
de ondankbare weggebruikers die haar platrijden.
Dat is het bijzondere van het bovenstaande ‘Wegwerk’, een weggedeelte is uit de snelweg weggesneden en aan de muur van het museum tentoongesteld.
Het Wegwerk reist rond over de kunstwereld. Dit is de poëzie van de kunst. Een stukje snelweg op vakantie. Ze is zelf mobiel geworden.

Formule

De slak is geen formule1-coureur.
Zijn leven is geen trage race.
Hij kruipt over onze natgeregende ruit,
omhoog. Zo lijkt het. Een doorzichtig circuit.
Geen bochtenwerk of inhaalmanoeuvres,
concurrentie ligt ver achter hem.
Na een uur blijkt de slak weggezakt,
de chauffeur gleed al slapend achteruit.
Zijn helm lag op de grond,
een gebroken slakkenhuisje.
De volgende dag op het raam,
een remspoor van slijm.

Faamblaam

Zeg zaggiedat? Dat was die…dieje …je weet wel.
Wie, wat je weetwel…bedoel je die ene..vanne…
Ja, die ja!
Beroemp vanwege zijn grote bekendheid.
Waar kent jij die van dan?
Nou, van horen zeggen, op televesie.
Maar waar staat-ie bekend om dan?
Nou, dazze veel over hem prate…
Ja gekko, maar wat zegge ze dan over hem?
Nou…dat-ie zo bekend is netuurlijk!
Is het een zangert? Of een schrijvert, wat is-ie?
Hij acteurt geloof ik.
Wat, in echte films?
Nee, in reclamespots…fillems zijn trouwens nie echt echt hoor!
Goh, wissik niet joh!
Nee, weet jij veel soms?
Nou, as ’t hem niet was dan leek-ie der wel verdacht veel op.
Zou het een dubbelgangert zijn dan of z’n tweelingzus?
Zou mij niet verbaze.
Kijk nou, daar gaat-ie weer!
Nou kom op, vraag het hem!
……………..
Zeg assik vrage mag; bent jij het nou…echt?
Ja, ik bent het.
Zie wel Karel hij is het.
Zei ik toch!
Hij is het helemaal… mooi zo!
……..
Over wie hebben jullie het nou?
Over jou toch?
Hoe heet ik dan, zeg op?
………….
Ik ben benieuwd!
We kunnen niet op je naam komen, hoe heet je ook al weer.
Ja, dat gaat ik jou toch niet aan je neus hange, als ik zo wereldbekend ben!
Wat, ben je ’t nou of niet?
Nee gozert, alleen me hoof lijkt erop, verder niks!