Fedor Zimt 1

Fedor Zimt, woonachtig in Riga was een keurige doorsnee burger, zette netjes op tijd zijn vuilnis buiten en sprak zelden of nooit een onvertogen woord. Maar dit keer kon hij zich toch echt niet anders uiten: ‘ Godgloeiendehemeltjelief!’
De spin op het losgelaten behang was er van geschrokken en achter de spiegel gekropen. Die bewuste avond was Fedor gewoon om tien uur stipt naar bed gegaan toen hij in het schemerlicht iets op zijn hoofdkussen ontwaardde…iets rozigs….een iets…het leek op een fluwelig zacht flapje…Fedor hart bonkte ervan…Toen hij het schemerlamplicht op zijn kussen liet schijnen zag hij een mooi gevormd oorschelpje liggen…rozig en met lichtzilverig dons bedekt…alsof het onschuldig lag te slapen.
Eerst voelde hij in paniek als bliksem door zijn hartstreek schieten…Fedor keek schichtig om zich heen…de enige getuige was de spin die om de lijst van de spiegel de ontdekking had gadegeslagen…
Fedor’s handen grepen naar zijn hoofd…zochten houvast in zijn krullende rode haardos…angstvallig gleden zijn vingers langzaam af naar…rechts voelde hij zijn koele oorschelp, maar links tastten zijn bevende vingers over glad vel…waar ooit zijn dierbare linker oor…meteen bekeek hij de plek in de spiegel…de huid was daar spiegelglad…geen spoor van een wond, geen litteken. Fedor bekeek het gave oor op zijn kussen.
Hoe zoiets intiems plotseling tot een vervreemdend ding kon worden verbijsterd hem. Dit ‘ding’ was onmiskenbaar zijn eigen oor, maar…wat moest hij ermee?
Moest hij ermee naar het ziekenhuis om ‘het ding’ weer te laten aannaaien?
Schaamte weerhield hem voorlopig daarvan…Hoe moest hij uitleggen dat het zijn oor was, welke verklaring zou hij kunnen geven? Niemand zou hem geloven…een oor dat zich zelfstandig afscheidt van het hoofd.
Uit pure vertwijfeling begon Fedor tegen zijn oor te praten…’Wat is er met ons gebeurd, Oortjelief, zomaar gescheiden…zonder spoor van geweld?’
Het oor zei niets terug, hoe zou ze dat ook kunnen…een oor is ontvangend van aard, geen zender, dacht Fedor.
Fedor was gaan zitten met het kussen op schoot met daarop zijn oorschelp die lag te luisteren. Een lichte ontroering golfde door Fedor’s hart, zelden had hij zoiets onschuldigs aanschouwd…Wie ziet ooit direct zijn eigen oor? Niemand toch…wat een zeldzaam voorrecht, dacht hij. Nu pas durfde hij het oor voorzichtig op te pakken. Aangedaan voelde hij de warmte ervan gloeien in zijn handpalm. Hij bekeek het van alle kanten…het was puntgaaf…geen spoor van de scheiding te vinden. Na lange tijd daar te hebben gezeten voelde Fedor de natuurlijke aandrang in zich opkomen om zich uit te spreken tegen het oor…

Aard


Photo:Jelle Touw © 2018

Kijk pap, deze paard heeft een baard.
Ja inderdaad, leuk, een baardpaard!
Waar is dat voor..die baard?
Geen idee….het hoort misschien bij de aard van dit soort paard.
……Hoort bij opa’s aard dan ook een baard?
…omdat ik hem wel eens baardaap noem?
Ja, grijze baardaap…
Opa noemde mij vroeger wel eens: ‘Aap van een jongen’.
Wat is eigenlijk een aard, Pap….heb ik ook een aard?
Vast wel..iedereen heeft een eigen aard.
Bedoelen ze dat met eigenaardig?
Ja, iedereen is eigenaardig…
Maar dan is iedereen weer hetzelfde…
Nee, elk mens is net weer op een andere manier eigenaardig…
…. een mens is dus een eigen manierdier…?
Nou, er zijn ook veel gewoontedieren.
Hoe bedoel je gewoonte?

Nou, je hebt bijvoorbeeld mensen die hun baard laten staan omdat ze het mooi of warm vinden…en je hebt mensen die gewoon te lui zijn om zich te scheren.

Wat is Opa voor een mens?
Opa is heel bijzonder, hij is te lui en vindt een baard ook mooi …en hij is geen van beiden, want hij knipt zijn baard vaak bij, want niet scheren is ook veel werk en dat vindt hij dan weer niet zo mooi…wat vind jij van zijn baard?

Die kriebelt lekker.

Banaan

Ek sal probeer jou te skrijf my jeug
in die agterwijk van die groot hawestad.
My pa het hard gewerk as skipaflaaiman!
Pisangbootjies gelos en steenkoolsakkies gesleep naar die walkant.
Als hy pikswart trug was gekom hy ruik so fijn naar pisang.
Wy het hem mooi ‘Pa Pisang’ genoem.

Hy vertel oër die heimweeïge seereis, oër die gevaar,
hoe die skip is gesink, gestoot op die klip.
Weken dryf Pisang Pa op die wild Kaapsee!
Niksnie geëet nie en het hy die meermin uit die golfies gevis,

‘Die meerminvrou is jou moe gewor’ , seg myn Pisang Pa,
‘en nu dan jy sal slapies doen, klein dolfyn!’
Ek droom elk nag van Meermin Moe,
van waar haar staartjie is geblyf?

Afkomstig

Waar komt u vandaan als ik vragen mag?
Ik ben afkomstig uit de Schaamstreek.
Ach, dat ligt niet zo ver van hier.
Nee klopt, dat ligt daar achter die heuvel…in de private zone.
Is dat niet dat afgesloten natuurgebied…?
Precies, dat stilte en tevens broedgebied…
Terra incognita…het is in handen van particulieren…je ziet er veel vogelaars turen.
Dat terrein waar het geboortekanaal doorheen loopt?
Dat kanaal dat in de crisistijd nog door werkelozen is gegraven?
Juist, daar…een prachtig oord!
Jammer dat het niet toegankelijk is.
Nee, maar goed ook, dat zou de natuur verstoren.
Alleen in de paartijd is het beperkt toegankelijk.
Tussentijds struin ik wat rond in de Grasduinen.
Nou, die Grasduinen ken ik nu wel, ik ga liever pierewaaien.
Zou je dat wel doen, het is hoogtij!
Ik ga alleen op hoogtijdagen.

Venster


Photo:Jules Macramé © 2018

Het venster gaf een feest met uitzicht op het nieuwe jaar. Ze verwelkomde alle druppels die bij haar op visite waren.

‘Wat fijn dat jullie allemaal heelhuids zijn aangekomen, na een lange reis…op deze allereerste dag van het jaar, waar komen jullie zoal vandaan?’

‘Ik ben van nogal voorname komaf’, sprak de eerste, ‘ik stam namelijk af van de hemelse dauw, jawel…’
Het bleef even stil.

‘….En ik was ooit de mooiste sneeuwvlok ooit’ , verzuchtte de drup naast haar, weemoedig

De een na de andere druppel stelde zich voor:

‘Ik was zo ooit zo hard als hagel, de schrik van iedere boer…’

‘…en ik ben een echte traan uit het oog van de maan…liefdesverdriet weet je…de zon had het uitgemaakt…en toen weer aan…en dan weer uit…’

‘Ik kom uit een echt arbeidersnest’ ,riep een schorre stem…zweet van het zout der aarde, aangenaam kennis te maken…is hier trouwens iets te drinken?’

‘En ik viel uit een kinderoog…van vreugde…zomaar…om niets…’ ,klonk het verwonderd.

Schoorvoetend bekende de volgende met een mengeling van trotse spijt in zijn stem:
‘Ik ben de bekende druppel die de emmer deed overlopen… sorry, dat het me nooit heeft gespeten!’

‘En jij daar in het hoekje’ ,vroeg het venster, ‘wie ben jij?’

‘Ik?…ik weet het niet…ik ben nat, altijd al geweest…maar wat dat is …nat?…geen idee..
ik ben nooit een spat veranderd…misschien had ik jullie allemaal wel kunnen zijn, maar ik ben gewoon nat gebleven…hebben jullie ook zo’n dorst?’

Het gezelschap was sprakeloos, ontnuchterd door de laatste spreker.

Het venster riep opeens: ‘Kom jongens, geef elkaar wat te drinken… het feest kan beginnen…Zo meteen komt de wind ons vermaken…jongens geniet van het uitzicht!’

Sociaal leven


De man uit de straat achter ons loopt ons tegemoet. Dit is onze vaste ochtendronde met de hond, normaal zien hem hier nooit. Hij kijkt stuurs en beantwoordt plichtmatig en met onverhulde weerzin mijn ochtendgroet.
We worden nu onherroepelijk door onze honden verbonden, ze kwispelen en wisselen ongedwongen hun geuren uit.
‘Ook honden hebben recht op een sociaal leven’, zegt de man onverwacht fel.
Ik meen zijn stem te horen overslaan.
Zijn vastberaden stellingname om voor de rechten van het dier op te komen verbaast mij.
Heb ik soms ooit dieren hun recht op een sociaal leven ontzegd…?
‘Natuurlijk’, zeg ik, ‘wat is een hond zonder sociaal leven?’
…………………………….
‘Het is rustig op straat niet…zo rond Oud en Nieuw?’ ,probeer ik , om ook aan het mensenrecht op sociaal contact tegemoet te komen.
‘Inderdaad, er is geen hond op straat…vanwege die knallen!’
‘Heeft uw hond er geen last van?’
‘Nee hoor, hij is doof …net als ikzelf trouwens’.
‘Ach, wat vervelend voor u!’, zeg ik meelevend.
‘Nee hoor, helemaal niet…ik zet hem gewoon uit als het me niet bevalt’.
‘Nou, fijne jaarwisseling dan!’
De man zit opeens afwezig aan zijn oorapparaat te frutselen.
Hij heeft mijn bedeesde stemgeluid niet ontvangen, ik probeer het nog eens.
‘Nog een fijne jaarwisseling’ ,roep ik, nu iets sterker.
Hij schrikt duidelijk en foetert: ‘Ja…hallo, ik ben niet doof!’
‘Nu niet meer’, zeg ik nog.
Gelukkig hoort hij dat niet meer, zijn hond heeft hem al voortgetrokken.

Thuis vraag ik mij af: kun je genieten van het mensenrecht op sociaal onvermogen?
Mijn hond bevestigt mijn vraag met stil zwijgen.