Henk ‘Wigwam’ wordt hij genoemd door de buurtregisseur van het stadsdeel.
Een geuzennaam vindt de zelfbenoemde zoetwaterindiaan, woonachtig in een bungalowtent op een verrommeld fabrieksterrein aan de stadsrand. Stadsnomade vindt hij een belediging. Zijn getaande huid en vervilte haarvlecht doen inderdaad in de verte aan een indiaan denken.
‘Van oorsprong ben ik dameskapper…dat was permanent, watergolven en hersenspoelen…’ grapt hij , ze vertelden mij alles…daarna ben ik hovenier geworden…lekker buiten…met bomen smoezen’
‘Bomenkapper dus!’
‘Inderdaad, het betaalt goed en altijd genoeg brandhout’.
Aarden kon hij niet in een doorzonwoning, maisonnette of een torenflat.
‘Ik moest letterlijk de aarde onder mijn voeten voelen, beton maakte me gek’
‘Mijn ziel sterft langzaam af als ik niet met de wind kan leven’.
Henk steek zijn neus in de wind….’Ik ruik wat, wacht even!’
Midden in de tent suddert een vegetarische rundervink vredig in een pan op de houtkachel, de schoorsteenpijp steekt door het tentdak.
‘Hoor je dat? ,ze fluit heel zachtjes…een liedje!’ ,zegt Henk als hij vertederd in de vink prikt, ‘geluk zit in kleine dingen’
‘Er staat nog Tofuthee te trekken in de pot…wil je een kopje?’
‘Graag Henk!’
‘Maar…dat smaakt nergens naar Henk’ , zeg ik.
‘Klopt, alle vervuiling van het water trekt in de tofu’
‘Wat doe je dan met de tofu?’
‘Hergebruiken’
‘Maar dat zit vol vuil’
‘Precies, vuil trekt vuil aan…ik moet trouwens zo meteen weg…naar een klant’
‘Snoeien?’
‘Ja, knippen en scheren…zal ik je een lift geven naar het Station’
‘Graag!’ , zeg ik, ‘heb je dan vervoer?’
‘Natuurlijk!’ ,zegt Henk, hij wenkt me mee achter de tent, daar staat een pompeus opgeblazen luxe terreinwagen van een Koreaans merk, glimmend zwart als een concertvleugel.
‘Al mijn tuingereedschap zit erin…het is als het ware een rijdende tuinschuur!’
Onderweg stinkt de ronkende schuur naar nieuw plastic.
‘Er zit een ook een alarm ingebouwd’ ,legt Henk uit ,’ik heb altijd een zwak voor auto’s gehad!’
Als ik uitstap vraagt hij nog: ‘Wat kwam je eigenlijk doen?’
Proces
‘Het Proces’ van Franz Kafka las, door het soort onderwijs dat je had genoten als een warm bad van herkenning. Van een aantal zinnen hoorde je nog steeds de echo nagalmen. Het klaslokaal als rechtszaal, de onderwijzers als rechter.
‘Je gezicht staat mij niet aan, ga jij de klas maar uit!’
Op de gang vroeg je je even af, waarom…?
‘Haal die grijns van je gezicht!’
Als reactie daarop trok je natuurlijk een verwonderd gezicht.
‘Wat kijk je nou?’
Thuis voor de spiegel probeerde je serieus uit te vinden wat die grijns was.
Zat ze vast aan je gezicht?
Alleen als je naar de grond keek was die grijns weg, dat was het beste.
Dan kon je nog beter luisteren.
Stil registreerde je dan wat er gezegd werd en wat er niet gezegd werd.
‘Kijk me aan!’
De rechter eiste oogcontact.
‘Doe je ogen open!’
……..?
Wat sta je daar nou!
………?
Zeg wat!
………?
‘Doe wat ik je zeg!’
………?
Je ging rare gezichten trekken voor de spiegel, grimassen.
Later op het hoger onderwijs leerde je de opperrechter kennen.
‘Wat kijk je nou onschuldig?’
Moest je leren om schuldig te gaan kijken?
‘Je trekt een onschuldig gezicht!’
Hoe deed je dat, schuldig kijken?
Je probeerde je de ergste misdaden voor te stellen terwijl je strak in de spiegel keek.
Je gezicht bleef jou neutraal aankijken…
Het sprak boekdelen.
Inrichting
‘En, hoe is het nu om iemand anders te zijn dan vorige week?’ ,vroeg neuropsycholoog Dr. Lyfgard opgewekt een week na de moeizame operatie.
Søren werd net wakker en dacht, waar heeft deze man het over…anders?…anders dan wat? Wie was die kerel trouwens ook al weer?
‘Ik ben dokter Lyfgard…weet u nog meneer Vigeland, we hebben uw bovenkamer vorige week helemaal opnieuw ingericht….ik vroeg mij af….voelt u zich anders…en vooral bevalt het?’
Søren Vigeland herinnerde zich niets, maar zei:
‘Ach…hoe zal ik het zeggen…het voelt anders, maar anders dan ik mij had voorgesteld…voor anderen ben je toch per definitie iemand anders…?‘
‘Voelt u dan niet dat u zelf iemand anders bent geworden?’ , informeerde de arts.
‘Hmm, iemand anders…voor jezelf ben je toch nooit iemand anders…voor jezelf ben je trouwens toch ook niet een iemand…eerder een niemand!?’
‘Hoe bedoelt u dat, meneer Vigeland…bent u niet blij met uw nieuwe identiteit?’
Nou ja, nieuwe identiteit…het is toch een beetje schuiven met het meubilair!…ik bedoel eigenlijk…u kunt natuurlijk ander meubilair in mijn bovenkamer zetten zodat het er weer als nieuw uitziet…maar ruimte blijft natuurlijk gewoon ruimte…begrijpt u ?’
Dr Lyfgard begon nu te twijfelen of de transplantatie wel gelukt was, misschien was het gehele meubilair wel afgestoten, zoals bij organen ook wel gebeurde…dat zou met een verse identiteit ook niet denkbeeldig zijn…of juist wel denkbeeldig…het mentale meubilair was natuurlijk puur denkbeeldig…of denk ik dat maar?
‘Misschien moet u nog wat wennen aan de nieuwe inrichting!’ , probeerde Lyfgard nog eens.
‘Dat is het vreemde’, zei Sören, ‘dat het dus niet went, de ruimte blijft leeg wat je er ook denkbeeldig in zet…de ruimte blijft onaangedaan…onveranderlijk…het lijkt de ruimte niets uit te maken.
‘Maar u ziet toch wel de nieuwe inrichting’, vroeg Lyfgard bezorgd, ‘u wilde toch zelf deze operatie…anders zou de hele ingreep voor niets zijn!?’
‘Dat zou allemaal best kunnen…maar nu het is gebeurd kijk ik dwars door alle inrichtingen heen’ , verklaarde Vigeland. ‘en..zonder operatie had ik wellicht nooit dit ruimtelijke inzicht gekregen…?
‘Duur inzicht, meneer Vigeland’, zei Lyfgard peinzend met zijn kin in zijn hand.
‘Welnee dokter’, verklaarde Søren opgewekt, ‘een koopje, ik heb nog nooit zoveel ruimte ervaren…alles voelt vreemd…anders dan anders…en dus ook nieuw!’, verklaarde Søren opgewekt.
Met enige twijfel hoorde de arts zijn patiënt aan…er moest iets niet volgens plan zijn gelopen, afstotingsverschijnselen…weliswaar met een gunstige bijwerking…maar toch…
nu geen slapende honden wakker maken, dacht hij.
‘Fijn!’, meneer Vigeland, ‘dan kunnen we u spoedig vrijlaten in de open inrichting!’
Vers van het Veld
Leefstijlmagazijn
De gordijnen waren oude vlaggen van vergane staten, ze hielden neonreclame tegen.
Het kwartje -dat hij het nooit zou begrijpen- viel eindelijk op zijn plaatsloze plek.
Het geschetste beeld van een gouden toekomst betekende: working for the machine.
Je kon er van de vloer eten, oude etensresten lagen overal verspreid.
Het kwam erop neer precies genoeg rekkelijk te zijn en iets minder precies.
Wat een droom!, gelukkig was het alleen maar echt, waargebeurd.
Een deurroker stond kuchend te blaffen in de deuropening op zijn tijgerpantoffels.
‘Je bent wat je leest!’ ,beweert de cover van het glimmende lifestylemagazine.
Geen prater
Mijn opa was een vergetelijke man, met name omdat ik hem nooit heb ontmoet. Hij had een voorkomen van wellicht en of misschien.
Ook de verhalen die er niet over hem verteld werden heb ik nooit kunnen onthouden.
Ik weet zelfs zijn naam niet, maar hij had heel goed Arie kunnen heten net als mijn vader. Elke zondag gingen we niet naar hem toe, dat was altijd heel gezellig.
Hij vertelde vaak niets over zichzelf, Opa was niet zo’n prater…net aks zijn zoon. De volwassenen dronken samen geen thee of koffie, als jongste kind kreeg ik dan geen flesje Ranja of gazeuse.
Oma was er nooit bij, zij was al overleden, maar ik zal nooit haar foto vergeten die ik daar nooit op het dressoir van Opa zag staan.
Wat wel leuk was…Opa had geen hondje waar ik mee kon spelen. Gelukkig had ik een levendige fantasie. Het denkbeeldige hondje sprak tegen mij in mensentaal. Het was een slim dier dat al mijn vragen kon beantwoorden. Op een dag had het hondje in de deftige voorkamer geplast en ik kreeg de schuld. Toen moest het hondje weg. Ik had het uit moeten laten in plaats van ermee te kletsen. Daarna wilde ik nooit meer naar het huis van Opa. Veel later probeerde ik de plek waar het stond op te sporen. Het gekke was…het huis dat er nooit stond was verdwenen, maar de plek zelf was ook weg. Ik dacht nog eens aan dat hondje en vroeg aan hem waar de plek gebleven was. Het hondje keek mij trouw aan en zei rustig:
‘Die plek is nergens niet!’
Slaapland
Ik heb nooit geleerd hoe je moet slapen. Niet dat ik de afgelopen halve eeuw niet plichtsgetrouw elke avond braaf naar bed ben gegaan, maar wat ik daar moest doen en hoe is mij tot nog toe een raadsel gebleven. Ik ging er heen uit plichtsbesef. Iedereen moet nu eenmaal zijn steentje bijdragen, dus ik ook.
De slaaplasten moeten wel eerlijk worden verdeeld. Het is natuurlijk een naïeve aanname dat iedereen echt dagelijks zijn slaapafdracht voldoet, maar zonder onbewezen aannames leven is als zwemles in de Sahara.
Ik slaap dus zonder vooropleiding, zonder voorkennis, zonder diploma.
De slag krijg ik dan ook maar niet te pakken. Ik slaap maar raak in het wildeweg en zie wel waar ik uitkom. Vaak verveelt de nacht mij…dan schrijf ik op wat ik had willen dromen.
Men zegt dat je ervan uitrust, maar mij vermoeit het om meer dan drie keer hetzelfde te doen. Sommigen zien slaap als een gratis bioscoop waar ze fragmenten van voorvertoningen zien van films die nog moeten uitkomen.
Het is wel dure tijd die je in die bioscoop verslaapt, leeftijd…
‘Slaap is een dief in de nacht die vrijwel iedereen van zijn leeftijd berooft, blijf waakzaam terwijl je doet alsof je slaapt’ F. Wildesheim
Barbier

Arie Romp is barbier en brouwt daarnaast voor de lol in de Maasstad.
‘Bier brouwen is net als het barbierschap een ‘echt mannedingetje, ja toch?’, zegt Arie.
Oude ambachten leven weer op.
Zijn zaak heet ‘De Gelikte Beer’ ,vrouwen zijn er niet welkom alleen mannen met baarden. Elke nieuwe klant kan zich inkopen in de brouwerij…zo zijn de gebruikers mede-eigenaar van ‘de Bijzaak’
‘de Bijzaak’ is een vooroorlogs gelambriseerd etablissement voor gesoigneerde heren,
strak in het driedelig pak genaaid, Brillcream & Bretels.
‘De Patjakker is een straffe jongen!’, legt Arie uit krabbend aan zijn bakkebaarden,
‘een tripel plus!’
Ik neem een voorzichtig slokje.
‘En dit is de Raddraaier, met winterkruiden, zachter dan de Rampstampert’.
Ik nip van beide brouwsels…’Tjemig…heb je niks lichters?’ , vraag ik.
‘Tuurlijk joh, ik heb ook alcolvrij…hier heb je de Slampamper…een witbier…
een soort gazeuse!’
‘Mijn vader noemde dat Birelli, fanta met bier…wat drink je zelf het liefst?’, vraag ik aan Arie die nu bedenkelijk aan zijn baardje zit te plukken.
‘Ik ga voor de Galbak, met alsem…een absinthsmaak, goed voor de maag!’
‘Hoe veel drink je daar dan van?’.
‘Elke dag een glas na het eten…medicinaal…
‘Klinkt gezond, ik neem er zes mee…en doet er nog een Rampstampert bij!’
‘Hoe komp jij hier trouwens verzeild dan…zo zonder baard?’ ,terwijl hij ze inpakt.
‘Ach, ik loopt een beetje aan het lanterfanten in de buurt’.
‘Nou, doei gozert, ik ziet je!’
Diagnose
Mijn pianostemmer Ger Averkamp is een autoliefhebber, hij sleutelt graag en draait er zijn hand niet voor om even een motorblok te verwisselen dat hij op de sloperij heeft gescoord. Met zijn zwarte smeerhanden van het olieverversen reviseert hij in de tussentijd oude piano’s en vleugels.
Over de meeste ‘patiënten’ die hij bezoekt heeft deze pianodokter een harde diagnose.
‘Doodziek…terminaal!’, zegt hij doodleuk tegen de eigenaar die om een taxatie heeft gevraagd. Ger wordt vaak benaderd door nabestaanden die met dierbare piano uit een erfenis in hun maag zitten.
‘Ik wil hem wel voor je afvoeren, maar ik kan er niks voor geven…anders moet ik er nog geld op toe leggen!’, zegt Averkamp.
Ik was er een paar keer bij dat Ger piano’s moest afvoeren, om te helpen zeulen.
Voor Ger is het de sport om van 3 of 4 afgeragde instrumenten één mooie piano in elkaar te fabrieken.
Zijn schuur staat overvol met zijn eclectische projecten, talloze kratjes met losse onderdelen.
In de tuin onder het afdak staan de gestripte karkassen. Met zijn kettingzaag gaat Ger ze met liefde te lijf. Averkamp bezit de meest luxueuze houtkachel, exclusieve warmte…hij stookt louter illustere merken Blüthner, Feurich, Ibach, Gaveau, Steinbach, Schiedmayer.
‘Het brandt fantastisch….heeft jarenlang gedroogd!’.
‘Voor aanmaakhout kun je het beste hamerkoppen en het mechaniek gebruiken’, zegt Ger terwijl hij de as van zijn piano’s verstrooit hij in zijn groentetuin.
‘Het mooiste hout is wortelnotenhout…hetzelfde hout dat in het dashboard van een Jaguar verwerkt is’, legt hij uit.
‘Zeg Ger, hoe noem je nou zo’n nieuw samenstelde oude piano…welke merknaam hou je dan aan?’ , vraag ik hem….’Steinblüthmayer?’
‘Alles wat deze schuur heelhuids verlaat is een onvervalste ‘Averkamp!’, zegt hij trots.
‘Klinkt goed’, beaam ik, ‘zou je ook een Jaguarmotor in een DAF zetten?’
Zijn ogen glunderen…hij krijgt er meteen zin in.
Duik
Het lichaam voelde aan als een te strak duikerspak.
De begrenzing van een huid benauwde haar.
Alleen wanneer ze in zee zwom voelde ze zich soms vrij worden van haar lijf.
Het water moest dan niet te koud zijn, liefst op lichaamstemperatuur dan voelde
ze zich uitbreiden, dan ervoer ze geen omtrek meer…opgelost in een zee van…wat?
Als kind dacht ze al vaak: ‘het lichaam is een vertragingsapparaat dat de flitsend snelle ziel beknelt’.
Een vaag melancholiek gevoel nam bezit van haar wanneer ze de herinnering opriep aan die voorgeboortelijke staat van zijn…die staat van onmiddellijke communicatie zonder tussenkomst van taal….die staat van licht zijn…een licht dat vliegt zonder vleugels.
Had niet F. Wildesheim de ziel ooit omschreven als ‘het inwonende licht’?
‘Wat’ was ze geweest toen…daar boven dat Griekse strand waar ze hoog opgeheven werd…zwevend in een hemels helder licht, ver onder haar lag ‘het duikerspak’ dat ze had verlaten.
Leek de ziel niet op de wind?
Was het niet de wind die willekeurig welke ruimte dan ook naadloos kon opvullen en bezielen…beademde de wind niet, net als de ziel, alle levende wezens?
Wat kon er beter vliegen dan wind?
Wat was ze op dat moment…een windziel die kon zien?
In de verte zag ze meren op het eiland liggen met een vage roze gloed aan de oevers
die ze niet kon thuisbrengen.
Pas op de terugweg in het vliegtuig las zij dat er een zwerm flamingo’s was neergestreken op het eiland. Als inwonend licht was zij daar boven het strand één en al oog geweest…
voordat ze terug dook in het pak.
