Lijn

Verticaal was nogal verlegen van aard. Ze kon zich er maar niet toe zetten om Horizontaal zomaar te doorkruisen. Horizontaal was van nature zelfverzekerd, gemarineerd in een basaal vertrouwen…waar hij dat aan ontleende was even wel onduidelijk.
Verticaal was als een haar zo mager. Ze had zo weinig basis dat ze het gevoel had ieder moment te kunnen omvallen.
Horizontaal vond alles vanzelfsprekend en evident.
Zijn standpunt lag haaks op dat van Verticaal…maar dan moest ze wel medewerking verlenen en recht overeind blijven. Horizontaal verleidde haar om hem haaks te doorsnijden…loodrecht, dat zou hun verhouding stabiliteit geven. Verticaal wist niet of ze dat wel wilde durven.
‘Trek je dan zo hoog mogelijk terug’, adviseerde Horizontaal ongevraagd.
‘En laat je dan gewoon vallen…de zwaartekracht doet de rest’.
‘Maar’, protesteerde Verticaal, ‘we liggen in het platte vlak, besef je dat wel!?’
Horizontaal zei niets meer en wachtte gelaten af…tot hij iets voelde kriebelen.
Toen hij zijn ogen opende zag hij tot zijn verbazing dat Verticaal hem tergend langzaam
had doorkruist.
Negen microseconden later kregen ze al een kind, zo snel gaat dat in de lijnwereld. Ze noemden hun kleine lijn ‘Diagonaal’.
‘Wat is ze mooi, strak!’ ,verzuchtte Verticaal.
‘Ja, ze ligt helemaal in de lijn der verwachting’ ,bevestigde Horizontaal.
‘Zullen we samen wat ruimte eten?’ ,stelde Horizontaal voor
om de lijn even te laten vieren.
‘Nee, dank je…ik ben aan de lijn, maar vieren kan altijd’

Later, toen Diagonaal gestaag groeide begon hun steeds meer op te vallen hoe dwars ze eigenlijk was. De lijn der verwachting hing er wat slapjes bij.

Fietsliefde


Heb net een wandeling gemaakt in een oosterstorm, waaide bijna om, min 7 graden…
niemand te zien buiten…. Ook nog verdwaald, moest over bevroren sloten uit boerenland zien te komen, gelukkig hield het ijs (gisteren nog niet…maar ik ben niet van gisteren…ben zelfs nooit in gisteren geweest)
Ze zijn hier ook lief voor fietsen in de winter, ergens in de middel of now here staat er één tegen een paaltje, gelukkig ook warm ingepakt.
Sleutel nog in het slot.

Correspondent Texel: Jelle Touw 2018

Voeten

Er is recent een monster op ons afgestuurd dat ons kan vertrappen met enorme ecologische voetafdrukken. Het monster zelf is onzichtbaar, maar zijn voetafdrukken kun je individueel opmeten en berekenen. Wie veel vliegt, veel vlees eet of te lang doucht leeft al snel op te grote voet. Ecologische voeten van het mensheidmonster zullen ons vroeg of laat verpletteren, zo klinkt het dreigend en vertrouwd, bijna rustgevend.
Waar je je voeten ook plant…je trapt altijd wel een microbe of een onschuldig miertje of pantoffeldiertje dood of brengt blijvend lichamelijk letsel toe.
Wij zijn onzichtbaar voor deze ‘dierkens’ ,wij zijn te groot om aan te zien komen.
Gelukkig zijn we onwetend over het spoor van dood en verderf dat we dagelijks onbedoeld achterlaten. De belofte van de Boeddha om nog geen vlieg kwaad te doen moeten we dan ook als een intentieverklaring zien om geen nodeloos lijden te veroorzaken, praktisch onuitvoerbaar. Boeddha-natuur woont overal, dus ook in een vlieg of een bacterie. Wellicht bleef hij daarom liefst op één plek stil zitten, zonder voetafdruk.
Omgekeerd wordt ons lichaam ook weer platgetreden door bacillen en bacterieën.
Sommigen maken ons ziek met hun ongewassen pootjes, soms gaan we er zelfs dood aan. Vertrapt door onzichtbaar massatoerisme, het zijn er verpletterend veel.
Welbeschouwd leven we in Boeddha-natuursoep ongeacht welk ingrediënt wij vertegenwoordigen, grosso modo blijft deze soep hetzelfde met dezelfde subtiele smaak van…er te zijn.
Alles loopt in de soep…in deze soep loopt alles elkaar onder de voet, met of zonder de beste bedoelingen. De loop der natuur, kringloop.

Gum

Je vader was een potlood, hij betekende van alles.
Hij schetste zijn wereldbeeld in perspectief, zijn eigen perspectief.
Moeder bepaalde haar kleuren binnen zijn lijntjes.
Zij sleep vader bij tot hij er een punthoofd van kreeg.
In haar neusgaten bevonden zich twee puntenslijpers,
één voor het potlood en ééntje voor het kleurpotlood.
Wat was jij dan? Een invuloefening? Een leeg vel tekenpapier?
Ze hadden jouw leven uitgetekend en ingekleurd.
Klaar om te worden ingelijst, leuk voor aan de muur.

Op een zekere dag heb je alle tekeningen verscheurd.
In de snippers zag je:
‘Er valt niets te betekenen,
gummen betekent ruimte,
god is een gum, god gumt alles open
wat door anderen wordt ingevuld.

Mank

ijswind snijdt als een mes
je warme winterbaard vriest kaal
zachte kin, als ‘n ongeborene

metrisch klopt er niets van
sentiment mijdt men in de Haiku.
‘meester van het manke vers!’

wil je stil gaan in blinde nacht
trap je op een inktzwart staartje
de kat springt krijsend uit haar vel

iets zo noemen zonder juiste kenmerken
ondergraaft de norm die vaste vorm geeft
vier de onvorm, onvast als warm water.

Osho Ozamaki uit: ‘Meester van het Manke Vers’ , FutonPress 2014

Ozamaki

Het wintert hier kil.
Ik verlang niet veel meer
hooguit een warme bril

Osho Ozamaki

[Beknopte biografie van Osho Ozamaki (1959)
Ambtenaar bij Mount Fuji, doet al het
papierwerk aan de voet van de heilige berg.
Osho heeft de verheven taak om als papierprikker
de voet van de berg schoon te houden van allerhande
afval die de dagelijkse toeristenhorde daar achterlaat.
Ozamaki begon als monnik in een Zen-klooster. Toen zijn
Meester hem traditiegetrouw & plotsklaps sloeg had Osho
meteen teruggeslagen. Hij kon gaan…Mount Fuji wachtte
op hem, aldus de geslagen zenmeester.
Daar kreeg hij de eervolle baan aangeboden.
Onder het papierprikken begon Ozamaki haiku’s
te dichten die afwijken van het voorgeschreven
metrum van 5-7-5 lettergrepen…de rest is geschiedenis.]

Florale motieven

‘Meneer Wildesheim of mag ik Florian zeggen…u schrijft als aforist vaak over de mens…hoe definieert u de mens en …bent u een mens? …wilt u misschien iets drinken’

‘Ja water graag, en hoe u mij noemt is mij om het even…wat was de vraag ook al weer?’ , vroeg Florian Wildesheim monter als altijd.

‘Bent u een mens?’ ,herhaalde ik opgewonden en benieuwd naar zijn antwoord’

‘Ach, wat is een mens?’ , verzuchtte Wildesheim, ‘de mens is een mogelijkheid…
of laat ik het zo zeggen:
‘Je had ook kunnen vragen: bent u een bloem? ,maar wat is een bloem…?
,van vlees en bloed….met huid en haar…?

‘Wat wilt u daarmee zeggen?’

‘Heeft een bloem de mens Linnaeus ooit gedetermineerd als ‘Namennoemer’ , en gecategoriseerd als behorend tot de familie der loslippigen?’

‘Nee, niet dat ik weet…Linnaeus is toch die plantkundige…maar waar wilt u naartoe?’

‘Net als een echte plant wil ik nergens naartoe….ik zeg alleen maar, dat de bloem zonder naam leeft, zonder definitie van wat een bloem zou zijn…ze heet zelfs niet ‘Bloem’…begrijp je?’
‘Waarom zou een mens zichzelf dat wel wijsmaken, zichzelf definiëren, indelen in een afgebakende soort, evolutie is juist niet afgebakend zijn?’

‘Je zou volgens u dus net zo goed kunnen zeggen: ‘de mens is een bloem van vlees en bloed met huid en haar?’

‘Zou kunnen, maar je kunt ook niets zeggen…geen namen noemen…
niet definiëren, niet categoriseren…bloemen blijken zo heel goed te kunnen leven…
een bloem heeft geen identiteit, geen diploma, geen vergunning, geen verzekering!’

‘Suggereert u nu dat de mens evengoed als een bloem zou kunnen gaan leven?’

‘Misschien zelfs beter…de mens zou kunnen floreren. Weet u, het namennoemen staat ten onrechte in een hoog aanzien, maar een naam is geen feit en een feit is geen verklaring…en elke verklaring is hooguit een nieuwe poort naar het mysterie’

‘Goed, laten we even opnieuw beginnen: ‘Bent u dan een bloem?’

‘Dat zou je net zo goed kunnen zeggen of niet…maar hoe dan ook,
pluk mij maar niet, de zon is mij genoeg’

‘U zou anders mooi staan in een mooie vaas!’ ,merkte ik plagerig op.

‘Een lege mooie vaas is mooi genoeg, negeer mij liever…laat mij staan in het open veld van het voorwoordelijke’

‘Wat is dan het doel?’

‘Een bloem heeft geen doel, geen strategie, het is haar oorspronkelijke natuur om zich eenmalig leeg te geven’ , zei Wildesheim resumerend.

‘Kunt u dit interview samenvatten tot een kernachtig aforisme?’ , probeerde ik Wildesheim te verleiden.’

‘Daar begin ik niet aan’ ,zei Florian resoluut, ‘elk samenvatten is een misvatting!…krijg ik trouwens nog water?’

Pas achteraf realiseerde ik mij het verband tussen zijn voornaam en de uitkomst van ons florale gesprek.

Vaal

Tandeloze meester had lang en vergeefs geprobeerd na te denken over wat Wild Veulen hem laatst had voorgelegd…iets over ruimte…binnen…buiten… was het niet evident geweest?

Als er nog haren op zijn hoofd waren geweest dan had hij er met zijn handen in gezeten…nu trommelde hij afwezig op zijn kale schedel.

‘Wat is er kaler dan geen schedel?‘ ,mummelde Tandeloos onverwacht onverstaanbaar voor zich uit.

Wild Veulen had het niet goed verstaan…’Wat zei u, wat is er valer dan schemer…??’

‘Zei ik dat?’ ,vroeg meester Tandeloos wiens gehoor niet meer zo best was.

‘Is de herinnering aan schemer niet valer dan de schemer? ,probeerde Wild Veulen.

Tandeloze meester keek verbaasd naar zijn berimpelde vingertoppen, ‘herinnering aan schemer’,waar had dat wilde Veulen het over?

‘Of is een vergeten herinnering soms nog valer?’ ,ging Veulen door

‘Ik heb bijna geen nagels meer..! ,mompelde Tandeloos.

‘Heeft u dan ergens jeuk, meester?’, vroeg Wild Veulen meelevend.

‘Welnee, ik heb zelfs geen jeuk meer!’ ,zei de oude, ‘maar nu je het zegt, wil je even op mijn rug krabben?.

‘Maar u hebt geen jeuk, zegt u!’

‘Weet ik, maar is dat dan een reden om nooit meer te krabben?’ ,Tandeloos glimlachte als een pasgeboren, ‘krabben zonder jeuk is zalig!’

Wild Veulen krabte met liefde de oude rug en kon niet nalaten nog eens te vragen: ‘Zijn vergeten herinneringen soms nog valer dan schemer?’
van
‘Niets is valer dan een vergeten herinnering’ ,zei Tandeloos die genoeglijk kreunde onder de behandeling en verzuchtte:
Wild Veulen vergat de hele vale vraag over de schemer en krabte.

‘Ik zal je voortaan Vaal Veulen noemen, vindt je dat goed?’,vroeg Tandeloos

‘Dat is goed’ ,zei Veulen bedachtzaam ,’maar alleen als ik alles aan u mag vragen!’.

‘Weet je Vale, door dat gekrab herinner ik mij opeens weer mijn oude vraag:
‘Wat is kaler dan geen schedel?’
‘Dat is de eerste en laatste vraag die mijn meester ooit aan mij stelde, als opdracht’.

‘Het klinkt raadselachtig, net als ‘Wat is valer dan schemer?’

‘Weet je Vale, ik heb er nooit een antwoord op kunnen geven…
maar dat niet-weten opende iets in mij wat geen enkel antwoord ooit zou kunnen openen!’

Veulen liet het stilzwijgend tot zich doordringen…
‘Wie was uw meester?’ ,wilde hij graag weten.

Tandeloos moest glimlachen en zei:
‘Hij hoefde geen naam te hebben, hij zei vaak: ‘Ik ben niemand in het bizonder, noem mij maar wat…en ik ben één en al oor’.

Vaal Veulen hoorde nog lang de echo uitklinken van dat laatste woord.

Worst zijn

De banaliteit van het kwaad is dat het zo ‘gewoontjes’ is, zo ‘gangbaar’, zo ‘normaal’.
Het meest tot de verbeelding sprekende archetype van dit soort kwaad is de worst.
‘De worst is het icoon van de meest gangbare wreedheid’. Alledaagse kost.
Om een levend wezen van vlees en bloed zo te vernederen door het in zijn eigen darmen te persen. De eigenheid en de unieke vorm van het dier wordt gedeformeerd tot eenheidsworst. De menselijke onverschilligheid daarover wordt treffend samengevat in de uitdrukking:
‘Het zal mij worst zijn’
Het komt neer op het verdingen van levende wezens, het degraderen tot ding.

‘Zolang er worsten zijn zal het menselijk geweld de aardkorst blijven teisteren’

‘Met een mens als dierenvriend heeft het dier geen vijanden meer nodig’

F. Wildesheim

Uitzicht

De bomen gingen tegenwoordig op vakantie naar de evenaar,
ze hadden geen zin meer in de herfst, dat geruk en getrek van de wind aan hun ledematen.
Ook vogels namen in grote getale het vliegtuig richting het verre zuiden en de vissen?
Die zwommen in optocht naar de Himalaya om de top te beklimmen. Ze hadden lang genoeg onder zeeniveau geleefd vond de maanvis.
Een oude plataan kreeg al gauw heimwee en verlangde naar bladval en winterstorm.
De vogels zaten op een kluitje vlakbij de zuidelijke luchthaven te wachten op vervoer. Wie nog zelf vliegen kon vluchtte naar stillere oorden, om het gezang verstaanbaar te maken.
De eerste vis die de top had bereikt verklaarde:
‘Laat mij eigenvinnig verdrinken in een oceaan of desnoods in een vijvertje, ik heb hier niets te vinden dan dorst, maar wat een uitzicht!’