Zwamtaal


Het naïeve idee dat taal voor communicatie dient leeft nog onder veel mensen.
In werkelijkheid is taal een geheimtaal, voor ingewijden.
Ingewijden wensen zich zo te onderscheiden van ‘de anderen’ ,wie dat ook mogen zijn.
De ingewijden accepteren alleen ‘ons soort mensen’ ,dat wil niets anders zeggen dan mensen met hetzelfde belang.
Taal is belangenbehartiging.
Juridische, politieke, filosofische, religieuze taal is uitsluitend.
De taal van de straat is uitsluitend.
Elke taal is Babeltaal.
Dat religieuze taal uitsluit is natuurlijk bij uitstek ironisch, omdat die taal pretendeert de wereld te verenigen, de mensen te verzoenen. Het effect van reli-taal is uitsluiting van ongegelovigen, een splijtzwam.

Wie zich echt tot iedereen wil verhouden zonder uitsluiting van ‘de anderen’ kan de taal beter achterwege laten en overstijgen. In de voorwoordelijke wereld zijn wij allen één en gelijken, ondanks en dankzij onze verschillen.
Alleen het voorwoordelijke domein is inclusief.
Zodra iemand taal bezigt, komt er onderscheid en uitsluiting, al betreft het alleen al die mensen die geen zin hebben om die taal aan te horen of zij die deze taal niet machtig zijn.
Taal is inherent gewelddadig omdat ze de oorspronkelijke natuur geweld aan doet.
De levende werkelijkheid terugbrengen tot een naam is een daad van geweld.

‘In den beginne was er het woord… en het duldde geen tegenspraak’
F. Wildesheim

Photo:Jelle Touw © 2018

Wens

Pas op! Geen gevaar!
Niets te zeggen en toch zwijgzaam.
Buiten breken de wolken.

Pas op! Geen gevaar.
Het begint op de vensterbank.
Niets te zeggen en toch zwijgzaam.

De emmer is halfvol gelopen,
van de regen in de drup uit het plafond.
De bodem blijkt vermeend heel.

‘n futiel gaatje laat de emmer lekken.
van welke wens is dit de vervulling?
De kat likt de plas van de grond.

Pas op! Geen gevaar!
Het begint op de vensterbank.
Niets meer te zeggen en toch zwijgen.

Het staat stil bij het stilstaan.
Wolken zijn heel leeg.
Pas op! Geen gevaar!

Vaas

Mensen, ziet u deze vaas?
Ach, wat hou ik van deze vaas!

Ik sterf nog liever dan verder
te leven zonder deze vaas.

Kwade tongen beweren:
‘Deze vaas is de dood’.

Maar in een wereld zonder
dood kan leven niet leven.

Dan nog liever nu sterven.

Leven is de bloem in deze vaas,
deze woorden…het bloemenwater,
de blik van een lezer…de zon.

Osho Ozamaki uit ‘Meester van het Manke Vers’ ,FutonPress 2014

Kano


Van jongs af aan wilde je indiaan zijn, een nobele wilde in het Botlek-industriegebied.
Rijdend over het wilde braaklandje op een appelpaardje zonder zadel…(goed; het werd een houten hobbelpaard) Op het wilde landje stookte je indianenvuurtjes om rooksignalen te geven aan de volwassen beton&asfaltwereld. Die rookboodschap kwam er bondig op neer dat ze gratis de pest konden krijgen en dat je je nooit zou overgeven. Punt uit. Op het landje beoefende je de tactiek van de verschroeide aarde. Soms brandde het rietlandje helemaal af. Dan stond je achter een struik te gluren naar de brandweer en politie, handlangers van de macht, vissend achter het net.
Onlangs ging je roeien. De nieuwste kano zag er wel wat vreemd uit op het droge, anders dan die lekke opblaaskano van vroeger, maar echte indianen houden hun tradities in leven, desnoods met de modernste middelen.
Nu roei je dus droog op een roeiapparaat. Met je ogen dicht waan je je op open water, een denkbeeldig meer van twee kilometer roei je over. Je voelt de weerstand van het water tegen de spanen. Aan de overkant aangekomen ben je nat, van het zweet.
Je stapt uit op de oever naast de roeimachine en kijkt in de vage verte…de overkant.
Daar ligt het wilde landje van je jeugd. Die indiaan daar heeft zich nooit overgegeven, hij zaait onkruid dat zich door asfalt een weg baant, hij plant betonrot in de volwassen
kantoorbunkers, waar de cijfercowboys wonen.
Volgens de oude Grieken ligt de toekomst achter ons verborgen, voor ons ligt het verleden dat je kunt overzien. Roeien is daar een mooie metafoor voor, je vaart ruggelings de toekomst in. Alleen dit vaartuig blijft roerloos op z’n plaats. Je zit in een dynamische vicieuze beweging, tegelijkertijd zit je stil in een langgerekt heden.
Er vaart eeuwig heden.

Verstek


Dus, meneer Wildesheim, nu beweert u ook nog dat u advocaat bent?

Inderdaad mijn cliënt wordt al sinds mensenheugenis ten onrechte van van alles en nog wat beschuldigd,zo onrechtvaardig….ik had geen keuze…ik moest wel rechten gaan studeren…

Wat? U had dus al een cliënt voordat u rechten studeerde?…u ging vanwege dit schrijnende geval rechten studeren?

Jazeker, ik zag: niemand neemt het voor hem op…als ik het niet doe zal niemand het doen!

Dat klinkt wel sterk…advocaat van één cliënt!

Ach, ik zal het u nog sterker vertellen…deze figuur wordt in het leven gehouden door aanhoudende beschuldigingen, die aanklachten zijn zijn identiteit geworden…

Verschrikkelijk lijkt mij, ik kan het eigenlijk niet geloven…

Dat verbaast mij niets, want het is nog veel gekker dan u zich kunt voorstellen.

Om wie gaat het dan?

Luister aandachtig…mijn cliënt bestaat niet…of laat ik mij voorzichtiger uitdrukken:
hij heeft geen lichaam, zijn identiteit zwerft als een spookverschijning rond in de hoofden van de mensen die hem beschuldigen.

Ja zeg, nu gaat u echt te ver…u slaat volledig door! Bent u wel geestelijk gezond?

Ik ben glashelder meneer, helderder dan ooit.

Waarom zou u een identiteit verdedigen als er geen lichaam is?

Maar meneer, moeten we niet juist dit geval van ‘ongeboren onschuld’ vrijpleiten?

Waarom heeft u trouwens dat nummer op uw hand laten tattooëren?

Om mij dagelijks te herinneren aan mijn missie.

666 is toch het symbool van…, u bent toch niet advocaat van …..?

Mijn cliënt is onschuldig tot het tegendeel bewezen is.

Tegen wie voert u het proces eigenlijk?

Tegen de mensheid…het is de mensheid die feitelijk zegt : Niemand heeft het gedaan…
en die niemand is de duivel!

Arme duivel, hij heeft niet eens een lichaam!

Zegt u dat wel, arme duivel…hij bestaat niet eens, toch wil de mensheid hem ,desnoods bij verstek veroordelen…het lijkt wel of de mensheid bezeten is door de duivel?

Waar denkt u trouwens een rechter te vinden die dit duivelse dilemma kan oplossen?

Een hermetisch pleidooi heeft geen rechter nodig, onschuld is zo evident.

Och…

Och, rood ombere hommelgonzige…
ge ronkt overkomstig ‘n snorrend bromtolke
in ‘t holst zong ons ondergronds hol.

Och, mollige donzig bontkontige,
kom toch volmondig onze honingvondst
orberen, zonvocht onzer slorpige tong.

Och, sonoor wollig zonnevonkske,
moge onze bronzige zomers verpozen
tot d’hommelgod ons komt mollen.

Och, betovergodhommelke,
lost ons op tot godstoffelijk ochtendgloorsel,
verdronken in droomloze dommel,

des goden bongerd verworven.

 

 

 

Flamke de Kreuckelaere – van Warmhond
(geb. St. Job-in-‘t-Goor ca. 1764-?)
(Er is slechts dit ene vers van haar bekend.)

Handhaver


‘Het bos staat erbij als een verdwaald volk, een opstandige horde demonstranten,
armen stokstijf ten hemel geheven’
‘Je kunt het volk bij de voeten afzagen maar de macht zal blijven, struikelend over de stronken’
Na zijn omscholingstraject met baangarantie in de groensector kreeg de ex-commandant van de Mobiele Eenheidbrigade poëtische aanvechtingen. Het was nu al de derde keer dat de projectmanager Centraal Bosbeheer de voormalig ordehandhaver
op heterdaad betrapte, zittend op een boomstronk…peinzend gebogen over zijn notitieboekje om zijn laatste lyrische ingeving te noteren.
Nog één keer en dan zou hij niet meer te handhaven zijn, zo werd hem ingewreven.
‘Net als de natuur’, had hij gedacht ,’niet handhaven is de redding voor de natuur’
Hij wilde niets meer in de hand houden. Onhandelbaar was natuur op haar mooist, puur. In wezen had hij altijd intens genoten van het samen uitleven van die woeste
natuur tijdens massademonstraties. Hij voelde zich totaal één met de demonstranten
en deed alsof hij handhaafde.
Toen hij zei dat het bos het best floreert door een ‘laat maar liggen-beleid fronsten de wenkbrauwen van de projectmanager zorgelijk.

In gesprek met F.Wildesheim

-Waar, meneer Wildesheim komt uw voorkeur voor het ongebeurde vandaan, voor ongeboren personages?

Waarom zou je beschrijven wat zogenaamd ‘echt’ gebeurd is…het is nog nooit iemand gelukt!

-Omdat je zou willen getuigen van wat echt is, wat echt gebeurd is?

Daar ben je toch vanzelf al moeiteloos getuige van? Waarom zou je dat aan anderen willen overbrengen? Bovendien is de directe ervaring niet overdraagbaar en al helemaal niet middels taal.
Ik beschrijf dus liever dingen die nog niet bestaan…of over wat net niet gebeurd is…
Het schrijven zelf is wellicht een recept om het alsnog te laten gebeuren?

-Schrijven als toverspreuk? Hoe komt u op deze benadering?

Ik verzin het ter plekke, maar het komt voort uit mededogen met al die mogelijke wezens, dingen en gebeurtenissen die niet het geluk hebben te bestaan…ik gun al wat figureert in mijn verhalen om echt te bestaan. Geboren zijn is zo’n zeldzaam & wonderlijk voorrecht waar wij niets voor gedaan hebben…schrijven is een manier om iets terug te geven.

-Hoe verklaart u eigenlijk dat u zo weinig lezers hebt?

Dat is heel simpel…mijn lezers moeten nog geboren worden.
Ik schrijf louter voor de nog ongeborenen en ik kan u verzekeren dat is een miljoenenpubliek. U wilt niet weten wat er allemaal niet gebeurd is, dat vind ik pas echt
duizelingwekkend!

-Maar daar hebt u nu toch weinig of niets aan!?

De enige beloning voor het schrijven is het goddelijke plezier van het scheppen zelf,
een rijkelijke beloning die ik dagelijks ontvang.

-Maar iedere schrijver zoekt toch de erkenning en bevestiging van zijn lezers?

Een schrijver is toch geen hond die op goedkeuring van de baas wacht…een kunstje flikken op commando en dan een beloning achteraf…?

-Je zult ze de kost geven die om die reden schrijven, daar lusten de honden geen brood van!

Je kunt dit ook heel anders benaderen: ik geef liever bevestiging en erkenning aan al wat nog ongeboren is…als een bevestiging vooraf!

Een nogal magische benadering van….

Toverspreuken zijn scheppend geklets dat vooraf gaat aan de schepping, de rest van het denken is geklets achteraf.

-En tijdens?

Tijdens adviseer ik te zwijgen.

Ruim


Kunst is geëvolueerd tot de kunst van het verkopen.
Het grote probleem van kunst is opslagruimte.
Er is ruimte zat, maar opslagruimte is een schaars goed en kost daarom een vermogen.
Tijdelijk voorzag de overheid opslagruimte door anonieme kunstbunkers te beheren, volgestouwd met BKR-kunst waar kennelijk geen markt voor was, de bunkers zijn inmiddels ontruimd. Elke opslag is tijdelijk.
Musea zijn extreem dure opslagruimtes.

De echte kunst is dus de kunst om te verkopen. Dingen verkopen die niemand nodig heeft is een kunst op zich en dat lukt alleen bij mensen die alles al hebben en niets meer kunnen gebruiken. Die mensen hebben nog opslagruimte over in hun te grote huizen.

Na de doodverklaring van god bleef er uiteraard een goddelijke ruimte over. Die ruimte is men per abuis gaan aanzien voor opslagruimte. Ruimte leeg laten is uiteindelijk de enige echte kunst.

Ik heb een man gekend die er openbaar over opschepte dat hij alles aan jou kon verkopen, om het even wat. Hij kon jou laten geloven dat jij uitgerekend dit nodig had.
Hij verkocht geloof, geen dingen.
Ik wist meteen: Deze man is levensgevaarlijk want hij gaat prat op zijn verkoopkunst. Deze man kocht op zijn beurt zielen op.
‘Wat is zijn belang?’ ,vroeg ik mij naïef af als financiëel analfabeet. Later zag ik hem nog eens…hij was uitverkocht en probeerde dat alsnog aan mij te verkopen.

Wat iemand je ook verkoopt, hij verkoopt je geloof…het geloof dat jij dit of dat nodig hebt. Geloof dus nooit wat ze je vertellen wat het is, want dat is het nooit, ze verkopen je geloof. Het is nooit wat het lijkt. Zodra iets ergens op lijkt dan weet je zeker dat het dat niet is.

Er heerst een groot taboe op het feit dat je behalve eerste levensbehoeften niets nodig hebt. Dat je niets nodig hebt is vloeken op de markt. Marktlui zullen je altijd wijsmaken dat je hun koopwaar hard nodig hebt.

Kunst als opslagprobleem. Sommige kunstenaars lossen dat op door draagbare kunst op zakformaat te maken, of gelegenheidskunst samen te stellen van toevallig restafval of alleen op beeld vast te leggen, een foto op virtueel formaat.

Ruimte leeg laten is de kunst, alleen…waar kun je die opslaan? (F. Wildesheim)

Voetzool

Vaal Veulen zorgde voor meester Tandeloos, bracht drinken, vloeibaar voedsel…waste zijn afgedragen voeten en krabte waar geen jeuk was.

Tandeloos leek al half te zijn vertrokken uit zijn schamele lijf, vrijwel onzichtbaar was zijn adem of was hij al ademloos?

Soms prevelde de adem nog heldere taal: ‘Heb je nog een vraag Vaal Veulen,
of heb je nog alle tijd?’

Vaal Veulen werd opnieuw verrast door zijn Tandeloze meester, alsof er steeds een vonkje tevoorschijn sprong uit een onzichtbaar houtvuur. Hij had geen idee hoe laat het was en vroeg: ‘Wanneer houden vragen op te bestaan?’

‘Krab even, wil je…onder mijn voet…dan vertel ik je meer!’

‘Uw linker of rechtervoet?’

‘Allebei reken ik ook goed!’, grinnikte de oude met verheuging in zijn stem…

Het duurde even voor hij nog wat losliet:
‘Als het antwoord zonder woorden alomtegenwoordig is’

‘Tegenwoordig …zonder woorden..’ ,proefde Vaal Veulen na, ‘hoe is dat…en waar?’

‘Dat is zo heerlijk…’ ,zuchtte Tandeloos, ‘dat is daar wat hier is…louter zalig gekrab…alsof alle paden van de wereld onder mijn voeten wandelen!’

Vaal Veulen kreeg vochtige ogen…alle paden van de wereld die wandelen? ‘Waar wandelen die dan naartoe?’ ,fluisterde Veulen.

‘Naar huis natuurlijk!’ riep Tandeloos opgetogen, ‘hier onder je voetzolen huist je thuis!’