Vaccinatie

Mijn vader, ook wel Pipa genoemd las nooit geen één boek.
Alleen ‘Het Vrije Volk’ van Herman Wigbolt, een arbeidersroman in feuilletonvorm.
Dat was uiteraard geen boek, maar een krant voor het vrije volk.
Ik moet eigenlijk zeggen ‘Het Fraaie Volk’.
Als het over leuteratuur ging dan kwam onze Pipa uit de hoek:

‘Da’s zeker van William Spreekspier!’

Rotjedammers zijn tuurlijk niet echt boekewurmen, das al gemeen bekend toch?
Die gasten doen het leven liever meteen, zonder gebruiksaanwijzing, nietdan?
Toen ik filosofie begon te lezen ondertitelde de Pipa mijn pogingen met:
‘Je moet niet Søren Kierkegaard!’

Las ik ‘Dorian Gray’ dan was het:
‘Oscar Wilde wel maar hij kon niet!’

Madame Bovary….
‘Doet niet zo Flau Bert!

Wat moest ik zeggen….Ik zeg maar zo, ik zeg maar Nietsje?

‘Zeg heb jij dat boek van die Gore Vidal ergens gezien?’

Mijn diepgewortelde vaccinatie voor leuteratuur komt dus niet zomaar uit de koude grond. De Pipa heeft dat woekergewas vakkundig in onze bestaansgrond gezaaid, daar worden nog dagelijks de vruchten van geplukt.
Waarom werd hij trouwens de Pipa genoemd?
Zou het voortkomen uit de legendarische onwil van Rotterdammers om de dingen gewoon bij hun officiële naam te noemen. Zou het verzet zijn tegen de gevestigde orde
waarmee het Fraaie Volk zich de dingen toe-eigent, eigen maakt?
Straattaal is het taalwapen van het fraaie volk, daarmee roven ze ‘namelijk’ alles terug wat hen is ontnomen.

Ozamaki leest bloem

God weet
welk vogeltje
zich nestelt
in je oorschelp

het zingt
als knerpend
kiezelgrind

speur hemelshoog
naar haar vleugelafdruk
onuitwisbaar

*

de vijver fronst
haar gave gezicht even
als een vin de stilte beroert
de hemel rimpelt mee

of wierp die toerist
een muntje?

*

ach kijk, het openen
van deze tere bloem
doet de zon
berg Fuji
beklimmen

*

Fuji moeten verlaten
maakt mijn droevig hart
heimelijk bereid om
de laatste trein te missen

*

Osho Ozamaki uit: ‘Meester van het Manke Vers’ FutonPress 2014

Nummer

Onze goede vriend Jørgen Faerholm, musicoloog met specialisatie ‘Vlaamse Polyfonisten’ ,werd helemaal gek van DJ Planktons zomerhit…hoe heette ‘t nummer ook al weer? Als musicoloog ergerde hem de willekeur van zijn geheugen.
Waar hij zich die zomer ook bevond, overal jengelde dat verschrikkelijk synthetische mopje, in de supermarkt, bij de tandarts, op het strand, bij de apotheker, bij de buurjongen, vanaf de bouwsteiger… met zo’n hit had je geen geheugen meer nodig.
Het nummer denderde vanuit de opgepompte auto’s die langsreden. Hij wist niet eens hoe deze geluidsvervuiling heette…verdiende dit soort auditieve lulligheid wel een naam?
Faerholm begreep heel veel hedendaagsheden niet. Waarom noemden ze muziek een nummer? Waarom duurde een nummer minder dan 3 minuten en waarom moest dan tot vervelens toe worden herhaald? Waarom had deze nummermuziek geen duidelijk slot, geen midden en vaak ook geen begin? En waarom zat er geen meerstemmigheid in, nooit transponerend naar andere toonsoorten?
Waarom zagen auto’s er tegenwoordig uit als te hard opgepompte walvissen op wielen? Waarom en hoe kwam hij nu weer op deze idiote vergelijking?
DJ Plankton reed zelf ook een Ford Boulima, dat had Faerholm zelf ongewild op het journaal gezien. Planktons succes werd breed uitgemeten. Zelfs het Koninklijk Concertgebouworkest was bereid gevonden om vanuit marketingoverwegingen met de gevierde DJ in zee te gaan. Samen zouden ze die ‘Vier bejaarde Jaargetijden’ van DJ Vivaldi eindelijk eens naar een hoger plan tillen en tegelijk even een nieuw jeugdig publiek aanboren of heette dat ‘doelgroep’.
‘Hoe heette dat nummer nou toch?, Faerholm kon het niet uitstaan, alleen die naam DJPlankton stond in zijn geheugen gebeiteld als betrof het een grafsteen.
De zoekmachine bracht verlossing: ‘Kril’ , waar sloeg dat nu weer op?
Dat dit Kril-deuntje van vier noten in je kop bleef hangen werd als bewijs van kwaliteit gezien, wat je meteen kon nafluiten was domweg geniaal. Zou het omgekeerde dan ook gelden? Een niet nafluitbare melodie kon dan nooit wat zijn? Als een melodie uit meer dan tien noten zou bestaan werd het moderne geheugen al overbelast, laat staan van een voortmeanderende ‘unendliche melodie’.
Het fenomeen van de ongewilde herinnering begreep Jørgen niet. Dingen die je dolgraag zou willen onthouden onthield je niet, maar zaken waar je liefst nooit kennis van had genomen bleven tot vervelens toe doorzeuren.
Nu drong zich steeds weer dat beeld op aan het strand waar hij ooit, op die bewuste najaarsdag naar die aangespoelde walvis was gaan kijken. Temidden van de rouwende menigte was het dier ontploft. De stank was niet te harden, menigeen zat onder de smurrie.
Herinnering is een vreemd dier dat zomaar ongevraagd strandt op een bewuste kust.

Weesouders

Het fenomeen ‘weesouders’ heeft tot nu toe een verborgen bestaan geleid.
Die stilte mag nu wel eens worden doorbroken.
Ik heb in mijn jeugd in totaal vier paar weesouders geadopteerd.
Ze gingen zonder uitzondering verweesd door het leven, daarom besloot ik ze te adopteren. ‘Wat moet er van ze terecht komen zonder kind?’ ,zo dacht ik als vijfjarige.
Natuurlijk adopteerde ik ze niet allemaal tegelijkertijd. Ik heb nooit van grote meervoudige oudergezinnen gehouden. Om de beurt ontfermde ik mij dus over hen.
Het viel niet mee om ze te leren hoe ze mij moesten opvoeden. Wist ik veel?
Ik had nog nooit ouders gehad.
De eerste twee waren zo bang om te falen dat ze spontaan alles fout deden.
In hun nabijheid voelde ik mij uiterst capabel, in hun warme bad van fouten voelde ik mij geslaagd. Het werd echter zo erg dat ze handelingsonbekwaam raakten.
Het tweede paar was van de anti-autoritaire school, dus ik wilde ze graag een kans gunnen om mij vrij te laten. Verregaande verwaarlozing was hiervan het gevolg.
Ze werden teruggenomen door de Ouderbescherming.
Het derde stel, juist heel directief, vond ik aandoenlijk, ze hanteerden een heel strikt leefregelstelsel, volgens hun religie moesten die regels mij op het rechte pad houden, rechtstreeks de hemel in. Welke religie het was heb ik nooit kunnen achterhalen. Wel trof het mij hoe lelijk hun kerkgebouw was, wat ik als een veeg teken beschouwde.
Het vierde en laatste paar koesterden hun onvervulde ambities en zochten een zoon om die ambities waar te maken.
Ik reisde met hen van de ene naar de andere auditie. Daar probeerde ik zo goed mogelijk teleur te stellen, zodat ze van hun ambities af zouden zien, maar hun prestatiedrang was onstuitbaar. Ze incasseerden nederlaag op nederlaag. Het leek of hun ambitie steeds feller begon te branden. Steeds weer schreven ze mij voor iets anders in. Overtuigd als ze waren dat ik toch ergens een wonderkind in moest zijn.
Ik heb tap voor ze gedanst, gevoetbald, geballèt, geschaakt, getennist, geatletiekt, vals gezongen…en gedaan alsof ik acteerde…
Dat laatste ging mij helaas erg goed af, onbedoeld werd ik steeds uitgekozen voor een reclame of jeugdfilm.
Ze pronkten met mijn hoofd als het op tv of in de bioscoop te zien was in een film of commercial. Uiteindelijk werden ze uit de ouderlijke macht ontzet wegens kinderarbeid, een beetje onzinnig want op dat moment was ik reeds eenentwintig jaar.
Goddank word ik niet meer herkend op straat.
Het is dat ik als officiëel volwassene geen nieuwe pleegouders meer mocht adopteren
van de Ouderbescherming anders had ik er graag nog enkelen uit de brand geholpen.

Rusp


Er is een nieuw universum ontdekt. Een vers universum zonder ruimte.
Wat meteen in het oog springt is dat ook de materie geheel afwezig is.
Dit nieuwe universum heeft dus geen afmeting van betekenis.
‘Stel je toch eens voor zeg…geen afmeting!’.
‘Het wordt evenmin beheerst door het verschijnsel tijd, daar is immers afstand voor nodig’. ‘Nou dan weet je wel hoe laat het is’ , verzucht kosmologisch onderzoeker Egon Rusp, ‘het is volkomen onlogisch…maar is er wel buitengewoon stil’, doceert de geleerde ,’er zit nergens lucht tussen…onkosmologisch stil…hoor dat?’

‘………………….!!’

‘Nee dus, zie je wel! , geen gelazer met een oerknal…trouwens, die oerknal is natuurlijk
een ridicuul concept, want er was toen helemaal geen lucht…dus hoe zou er ooit geluid zijn geweest? , de stilste knal ooit, oer zonder knal dus, maar dit terzijde’
‘Nog afgezien dat er geen oren waren’ , voeg ik vrijmoedig toe.
Rusp loenst instemmend.

Uiteraard zijn er sceptici die de moed hebben om aan hun eigen bestaan te twijfelen die stellen:
‘Of dit vers ontdekte universum echt nieuw is is overigens nog maar de vraag, het zou ook heel goed kunnen dat het altijd al nooit bestaan heeft’
Egon Rusp blijft echter onverwoestbaar opgetogen dankzij dit soort kritiek:
‘Dat zou voor mij genoeg reden zijn om daar te willen leven!’ ,is zijn reactie.

‘Hoe heet het?’ ,vraag ik aan Egon, ‘….het Ruspiversum?’
‘Nee nee, het mag geen naam hebben’.
Fantastische kerel die Rusp, zo’n grote geest en altijd zo bescheiden gebleven.

(Schilderij: Michael Sowa)

Mals

Vaal Veulen zou het nooit vergeten, de droom over die ene keer dat meester Tandeloos die grote vis had gevangen, die vis van water. Niet dat hij zat te hengelen hoor,
met zijn hengel van lange lucht. Welnee, er had niet eens aas aangezeten
aan dat dunne lijntje van aandacht. Een wonder dus dat hij plotseling beet had.
Heel behoedzaam haalde Tandeloos de kanjer van water binnen.
Zo mals hadden ze het nog nooit gegeten. Hij hoefde niet eens gebakken.
Je kon hem zo opdrinken, in kleine slokjes. En wat een smaak, zo subtiel.
Je wist niet wat je proefde. Vaal Veulen wist het nog hoe hij dagen lang daarna nog dorst had. Samen hadden ze besloten: dat doen we dus nooit meer.
‘We moeten iets anders vangen om deze dorst te lessen’ ,dat had hij tegen Tandeloos gezegd.

‘Natuurlijk,vanzelfsprekend jonge jongen, gaan we doen!’ ,had Tandeloos geantwoord.

Sigaar

Het sigarenwinkelmeisje achter de toonbank had een matige snor, vlassig als die van een puberjongen. Haar moeder droeg een iets voller exemplaar op haar bovenlip. Ze raadde haar dochter hardop aan zich niet te scheren, het zou de haargroei maar stimuleren. Het meisje had felrood gestifte lippen en priemende pupillen. Op de vraag van haar moeder of ze wat minder doordringend kon kijken omdat het klanten zou kunnen afschrikken, reageerde ze met een nog fellere blik.
Ze keek mij zo veelbetekenend aan dat ik op slag verliefd werd…op haar snor!
Ik wist het meteen: ‘Ik ben de sigaar’. Mijn neus begon te gloeien.

Om kort te gaan, ik was daar dus om sigaren te kopen…voor mijn moeder, die louter wilde Havana’s rookte, tegen de astma zei ze zelf…’Rook ontsmet de luchtwegen’.
Mijn moeder droeg altijd bergschoenen, hoewel ze het huis bijna nooit verliet.
Het arme mens had zeer moeilijke voeten, zere voeten…ze had het überhaupt moeilijk…wellicht deed ze daarom ook altijd moeilijk…maar ik dwaal af, die neiging heb ik trouwens van mijn moeder zegt mijn vader.
Mijn vader daarentegen deed nooit moeilijk. Hij was een ruimdenkend man en droeg op zolder liefst een galajurk met roze kniekousen daaronder als hij peinzend aan Alaska mentholsigaretjes zoog onder het lezen van ‘madame Bovary’.
Ik wist niet beter dan dat alle vaders dat het liefst deden…waar was ik gebleven?
O ja, ondertussen probeerde ik een woord tegen het meisje uit te brengen…. er kwam niets uit…ik zag alleen nog maar haar snor. Het schijnt dat ik flauwgevallen ben voor de toonbank in de sigarenwinkel. Aan de bergschoenen naast mij op de grond herkende ik mijn moeder. Ik hield mij natuurlijk dood, van schaamte. Op een brancard werd ik de zaak uitgedragen.
Pas jaren later dorst ik voor het eerst weer langs de sigarenzaak te lopen.
Door de etalage zag ik uit mijn ooghoek dat het meisje haar snor toch had geschoren, de betovering was subiet verbroken. Het was dus echt die snor geweest waarvoor ik in zwijm was gevallen.
Zo ontwikkelde ik mijn praktijktheorie van de partiële liefde (wat is een theorie zonder een levende praktijk?) ,tot ik ontdekte dat daar meer aan vast zit, namelijk alles.
Nog steeds kan ik verliefd worden op fragmenten, losse onderdelen en schijnbaar onbetekenende details van wat dan ook, maar daarover later…of nooit.

Neuzen

Leendert Bultman, boekhoudkundig ingenieur aan de Minervalaan, Oud-Zuid werd er helemaal gek van, tenminste dat dacht hij in zijn kantoor aan huis. Er was natuurlijk nog nooit iemand gek geworden van mooie nieuwe schoenen, integendeel, de meeste mensen leefden helemaal op van vers schoeisel, zeker als ze zo perfect pasten. Waar ze opeens vandaan kwamen begreep hij niet…het ging de hele dag door…mensen aan de deur met schoenen. Of hij ze even wilde passen…wat of precies zijn maat was…hetzelfde paar hadden ze ook in bruin… stuk voor stuk heel beleefde mensen, zo aardig dat ze aan de deur kwamen …speciaal voor hem, dat gevoel gaven ze Leendert. Zulke innemende mensen kon je toch niet zomaar de deur wijzen, want hij liet ze, gastvrij als hij was binnenkomen.
‘Let u maar niet op de rommel, de papierwinkel’.
Dan zaten ze daar gerieflijk in zijn eigen fauteuil met stapels schoenendozen. Waar ze hem mee van dienst konden zijn…en of hij al koffie had gehad? Ze vroegen alles ongevraagd. Voor hij er erg in had hij nog weer een paar broques gekocht.
Daar stond Leendert dan op zijn sokken met een snel gezet kopje koffie voor de schoenverkoper. Zijn eigen ongepoetste schoenen had hij nog even gauw onder de bank weten te schuiven. Wat zou zo’n man anders over hem denken als hij die kale neuzen zou zien?
Het kostte hem de grootste moeite om op een nette manier van deze genereuze aanbiedingen af te komen, vriendelijk maar vastberaden bleven ze aandringen. Dat het toch een eenmalige kans was, zulke kwaliteitsschoenen voor een ‘vriendenprijsje’ , morgen zijn ze uitverkocht, het laatste paar!
Ze boden hem zelfs hun vriendschap aan. Wat een hork moest je toch zijn om zo’n prille vriendschap te beschamen? Ze wisten het goed gemaakt: ‘twee voor de prijs van één!’
Gedwee paste hij elke nog betere, nog mooiere schoen. Steeds radelozer werd hij om weer een nieuw excuus te bedenken waarom de schoen toch niet zo passend was voor hem. De smoes dat hij geen geld in huis had werd genadeloos afgestraft met de boodschap dat de schoenenvriend het geld de volgende week wel zou komen ophalen.
Leenderts hele zijkamertje stond inmiddels vol met schoenendozen.
Tenslotte deed hij niet meer open, voor niemand. Een paardenmiddel…maar hij had inmiddels genoeg schoenen voor drie volgende levens. Zijn huisarts sprak het woord zenuwinzinking uit, waar Leendert onmiddellijk van begon te beven.
Hij trok het zich aan dat hij nooit nee had leren zeggen. Nee zeggen was voor een ‘echte’ Bultman gewoon geen optie. Iedereen zou hem verlaten en links laten liggen wanneer hij nee zou verkopen. Hij vroeg zich af waarom hij aardig gevonden wilde worden. Als hij aardig zou zijn geweest dan zou hij toch geen bevestiging van anderen nodig hebben? Bultman was ervan overtuigd dat hij onaardig geboren was.
Na een jaar werd hij ontslagen uit zenuwinrichting Den Dolder. Hij had het daar heerlijk gevonden tussen de bomen en vroeg zich nu af wat hij fout had gedaan dat hij weggestuurd werd.
Zijn schoenenvoorraad bleef onaangeroerd, stuk voor stuk schitterende exemplaren. Alleen al de gedachte eraan knelde.

Tekenis

De punt trok een lijntje
van hier naar ergens
op het papier en onderweg
bleef het potloodlijntje overal hier
op papier dan, maar ook in het echte.
Je volgde gewoon het lijntje dat achter
de potloodpunt ontstond, nu kon de lijn naar rechts of links afbuigen.
Het kon letterlijk alle kanten op, ook door het papier heen als je diep
genoeg drukte en zelfs omhoog als je de lijn omhoog trok de hemel in
boven het papier, waar alle mogelijke leeflijnen rondzweefden.
Dit gebeurde vanzelf als je van uit vogelzicht de grote lijn wilde overzien.
Dan zag je opeens een rivier daar ver beneden in dat sneeuwlandschap
meanderen, een platte grond van een maagdelijk land op zoek naar vormen.
Daarna vloog de potloodpunt weer naar beneden, precies daar waar de vorm wilde groeien. Soms pikte de punt als een snavel stippen uit het hagelwitte papier,
daar bleven dan donkergrijze pikkels liggen, kennelijk voedsel voor de ziel.
Jij was de toegewijde dienaar van deze goddelijke punt als zij jouw hand hanteerde,
jij mocht haar slijpen, een heilige taak waar zij een punthoofd van kreeg.
Later pas begreep je dat tekeningen zijn als fotonegatieven, ze moeten nog worden afgedrukt in de geest. De potloodgodin tekent puur licht.