Het wintermeer ligt er bezwaand bij.
Zij bevaart de ijswoestijn, een maagdelijk scheepje van veren, dromend van haar maanei hoog
boven de sneeuwwolkenvelden.
Hij waakt over zijn witte bruid,
zijn diepst vervulde wens.
Niemand zou hier iets van weten
zonder het wakend oog van de
camera-mens.
Zwanen schreven dit met hun licht
op uw netvlies, voor nu even vereeuwigd.
Je hebt echte gesprekken, recht voor z’n raap en er bestaat zoiets als sociale vaardigheid, de kunst van het naar de mond praten en om de hete brij heen. Sociale codes vragen meestal: Niet doorvragen. Liefst alleen de bekende wegen bevestigen, dat is wel zo gezellig. De mentale kaart bevragen is vervelend, verstorend. Want de mentale kaart is de automatische piloot waarop men leeft. De route ligt vast, op schema. De mentale kaart is niets anders dan een voorlopige afspraak die steeds bevestigd wordt door gewoonte. De macht der gewoonte ligt in de herhaling. Het levendige van het bestaan zit nu juist in de de afwijking van het gewoontespoor. Daar zit de mogelijkheid van evolutie in.
Van vervelende doorvragers leer je het meest. Al was het maar dat je er achter komt dat je eigenlijk niets weet. Socrates was zijn leven lang zo’n verstorende doorvrager. Zelfs de dreiging van de doodstraf kon hem niet afschrikken om te blijven vragen naar de onbekende weg. Zo’n man zouden we als onze beste vriend moeten koesteren. Door en door betrouwbaar omdat hij alles op het spel zette, ook zijn eigen leven.
Socrates is de mug die midden in de nacht je uit de droom helpt. Hij zegt: Je bent niets dan wakkerheid, het was maar een droom. Asociaal vaardig.
Geen bloemen meer op ramen van dubbelglas.
Geen kou in de grond door vloerverwarming.
Geen elf steden buiten, alleen wat gure tocht.
Geen goden van sneeuw, alleen hun fijngehakte neuzen
in de hutspot van de kant-en-klaar diepvriesmaaltijd,
hun heksenbezems zijn vertoverd tot hogedrukspuiten.
We koesteren hem dagelijks in ons vriesvak, de oude
sneeuwbal van voor 2000 als een laatste winterkoning.
De flauwe hutspot kruiden we met wat verse nostalgie,
die wat muf smaakt. Het heeft gelukkig net gesneeuwd.
Pleonexia heette het: ‘de Ziekte van Meer’. De media-psychiater verklaarde het, zelf zichtbaar snel verouderd. Het was namelijk al een heel oude ziekte. In de Antieke Oudheid leden de oude Grieken er al aan en probeerden de ziekte in te tomen. Pleonexia uitroeien of genezen bleek een oude illusie, je kon het hooguit intomen. Liefst zelf, maar wie had daar nu zin in als de nieuwe mens, homo consumens? Zelfbeheersing was ooit het begin van oude beschavingen geweest. Het leek er op dat we in dit begin waren blijven steken. De Ziekte van Meer was nu als vanouds een algemeen erkende staatsvorm geworden. Het virus waarmee de ziekte verspreid werd stond bekend als ‘de vrije markt’.
In plaats van zelfbeheersing te verbreiden had de overheid roven tot deugd verheven. Wie niet beroofd wilde worden moest zelf maar rover worden. Zo werd de burger een wolf onder de wolven van de vrije markt. Homo homini lupus. Zo was onze succesvolle roofbouweconomie ontstaan. Het was een oud verhaal, zo oud als de wereld. De mediapsychiater droop af als een teleurgestelde oudtestamentische God. De Nieuwe Mens kon nooit genoeg krijgen van Nieuw. Die zat niet op zo’n oud verhaal te wachten.
Wiemand Wonderling leek op niemand in het bijzonder. Toch had hij wel wat weg van Deze of Gene. Zijn neus zat op een wonderlijke plek, Hier en Nergens anders, net als zijn ogen, mond en de rest. Hier lag ver van Daar, waar Anders woonde met Dusdanig. Daar lag rondom Zonderland. Zonderland zelf bevond sinds wensenheugenis in het midden.
Wiemand had geen zinsbesteding, geen nutvermogen, maar zag Het wel zitten. Het zou wel los lopen had Men gezegd, als woordvoerder der Mensheden. Het zat er dus dik aan te komen, wat Het ook was. Van verrassing verzekerd, zelfs als Het hetzelfde zou lijken.
Het reisde als het Ware rechtstreeks naar Hier in een onzekere hoedanigheid samen met Zodanig die net Dusdanig dwars door muren had leren lopen.
Daarom!, zei Wiemand , en Dat zeg ik: Het is mooi…gewoon te mooi om raar te zijn, dat Het nu juist Dat zou blijken…zo raar en vreemd genoeg zo vertrouwd als Wie de Weerga. Zodanig kon Dat hooguit beamen. Niet dat Dat daarop zat te wachten. Dat was kennelijk onontkenbaar.
Opeens was daar Dusdanig die euforisch door de muur heen kwam. Je moest eens weten, zei zij, hoeveel muren je passeert als je van Daar naar Hier losloopt en hoeveel ruimte er in die muren is. Wiemand kon dat bevestigen. Die dacht zelf ooit uit ommuring te bestaan, tot hij futiel genoeg kon zijn om atomaire ruimten te bewandelen.
De man van de straat zag het even niet neer zitten en liep bij de opticien naar binnen voor een oogmeting.
‘Er mankeert niets aan uw ogen, maar uw geestesoog is zo goed als blind’ ,constateerde de optometrist.
‘Dat kan ik mij niet voorstellen’ ,zei de man.
‘Nee, dat klopt u hebt geen voorstellingsvermogen, geen verbeelding’.
‘Ja, dat klopt wel, ik ben altijd een heel gewone jongen gebleven’.
‘Dat is op zich wel weer bijzonder, maar ik kan u daarvoor geen bril aanmeten’
‘Is er niets aan te doen?’
‘We kunnen u hooguit een hersenspoeling aanbieden, het punt is wel…dat we niet instaan voor het eindresultaat en het kost u …niets…’
‘Ok, maar als het resultaat niet bevalt krijg ik dan niets terug?’
‘Uiteraard, maar als het bevalt zit u er wel blijvend aan vast.’
‘Krijg ik dan nieuwe overtuigingen door die hersenspoeling?’
‘Nee, integendeel, we spoelen alle denkbare overtuigingen weg die u denkt te hebben, om het gat weer vrij te maken.’
‘Het gat? ,dus ik blijf wel met een gat zitten?’
‘Hopelijk wel, als de spoeling slaagt’
‘Hoe groot is de kans van slagen?’
‘Wel, onze spoeling is heel dun, het dunst van alle spoelingen.’
‘….en dan wat moet ik dan met die verbeelding?’
‘Ja, daar kunt u zich nu niets bij voorstellen, maar na de behandeling alles!’
Een van de vreemde conventies in de kunstwereld…alsof er ook nog een echte wereld daarbuiten bestaat?…kennelijk zijn dat toch echt twee gescheiden werelden of willen ze ons dat graag doen geloven…
Die vreemde gewoonte betreft de haakse hoek. Hou je haaks! Waarom moeten schilderijen altijd haakse hoeken hebben en rechtlijnige randen? Waarom geen trapeziumvorm? Vaak is het standaardformaat volgens de gulden snede vastgesteld.
Er is vast wel een gulden snede van de scheefheid te vinden. Ik hou wel van mooie schuinte en glooiende lijnen. Als alle vormen mogelijk zijn waarom zou de kunst zich dan laten bepalen door een ingesleten gewoonte.
Zou de conventie van de haakse hoek wellicht verband houden met de uitvinding van het raamkozijn? Even kort door de kromme bocht: heeft de mens te lang uit het venster gekeken zodat hij een raamwerk in zijn geestesoog ontwikkelde?
Als ik kijk zie ik nooit een raamwerk. Zelfs niet als ik door een klein venster tuur.
De randen van mijn gezichtsveld zijn een soort van vaag ei met diffuse randen.
Maar dat zal wel een oogafwijking zijn. Veel kunst ontstond ten gevolg van oogafwijkingen, dus bevind ik mij in goed gezelschap. Ik weet het niet.
Hij was een onbelijdend vergeetariër. Soms merkte hij als gast tijdens een diner dat hij op het stoffelijk overschot van een dier zat te kauwen. Als mensen er lucht van kregen dat hij geen vlees at voelden ze zich meteen veroordeeld of aangevallen. Vervolgens kwam hij in de situatie dat hij zich moest verdedigen. Waarom hij dan geen vegetarische schoenen droeg? Eigenlijk dacht hij er nooit over na. Hij vond er niet veel van, behalve dat het niet nodig was om op dieren te kauwen. Als hij er dan toch eens over nadacht leek het hem toch vooral een esthetische kwestie. Het was gewoon lelijk om dieren te slopen. Dieren die zo mooi in elkaar zaten. Waarom zou je die uit elkaar halen. Elk wezen was juist meer dan de som der delen…Daarbij kwam ook nog het vage besef dat dieren je eigen evolutionaire voorouders waren. Was je geen ondankbare hond als je je eigen voorouders op at aan wie je zoveel te danken had? Wel hij wist maar al te goed dat je de carnivoren met esthetiek helemaal op de kast kreeg. Die zouden meteen de conclusie trekken dat ze voor lelijk werden uitgemaakt. Dat het om goede smaak ging, hoge en lage cultuur, dat lag te gevoelig.
Het beste was toch om niets te laten merken en je af en toe door de lelijkheid heen te bijten. Goede sfeer aan tafel was toch het belangrijkste ingrediënt van het gerecht..?
Wat moest schoonheid trouwens zonder lelijkheid, zonder lelijkheid ontbrak elke referentie. Zou smaak iets te maken hebben met esthetiek. Is wat lekker smaakt ook mooi? Kan iets wat er heel mooi uit ziet heel vies smaken? Neem maar eens een hapje van de zonnebloemen van van Gogh, dan weet je het. Het duurste, lelijkste en bekendste werk van de Hollandse meester, vond hij. Maar waarschijnlijk had hij geen goede smaak. Anderzijds, dieren slopen vond hij ook weer geen kunst.