Dak

Stel je voor als jonge monnik geboren op schoonste dak van de wereld,
wit als het derde Poolgebied. Je bent met hart en ziel toegewijd aan die
prachtige traditie van eeuwenlang geestelijk onderzoek, door alle domeinen heen.
Van het voorgeboortelijke tot voorbij de dood en daarna. Een enorm geschenk van een
natuurvolk aan de rest van de mensheid. Dat onderzoek heeft een psychologie voortgebracht die de westerse verre overtreft. Het geschenk wordt zorgvuldig genegeerd.
Je land wordt ingenomen, je taal wordt verboden, je cultuur vernietigd, je geestelijk leiders worden vervolgd als misdadigers, je kloosters worden gesloten. Geen enkel land op de wereld dat de moed heeft om de autonomie van jouw volk te erkennen.
Doet dat niet denken aan die andere natuurvolkeren die systematisch werden uitgemoord, de Noord- Amerikaanse indianen, de Australische Aboriginals?
Wat rest je dan, als geweldloosheid je heilige overtuiging is?
Je kunt niet vluchten of voortgaan als levende dode. Je kunt hooguit blijven waar je bent, je plek innemen en je laatste statement geven, de uiterste consequentie van de transcendente visie.

Je gaat zitten in het stof van het marktplein in lotushouding, je overgiet het lichaam met goedkope benzine, met een plastic weggooiaansteker steek je weloverwogen het lichaam aan als een nutteloos geworden voertuig. Je ziet het voertuig opgaan in vlammen, in vol bewust zijn.

Diep

In Llasha steken jonge monniken zichzelf
in brand als laatste geweldloos statement.

Honderachtenvijftig bodhisattva’s verlieten
deze doofstomme, blinde, vereelte wereld.

Zelfs Lama’s staan machteloos tegenover
zoveel vastberadenheid en doodsverachting.

Ik kan niets dan diep buigen voor deze ongeboren
Boeddha’s , voor de lichaamsloze staat van zijn.

Naam

Zodra iets een naam krijgt lijkt het echt te bestaan. Dat is een wonderlijk gegeven. Naam schept de waan van werkelijk bestaan. Zelfs bij tastbare dingen is een naam
niets meer dan een afspraak. Het gebruiken van die naam geeft een misplaatst
gevoel van grip, van begrijpen. Hoe meer mensen het zo noemen hoe meer grip er
lijkt te zijn. De illusie van begrijpen wordt zo versterkt.
Sommigen worden helemaal wanhopig als ze iets niet begrijpen. Pas wanneer je ze duidelijk maakt dat er niets te begrijpen is maar dat het slechts een gemeenschappelijke afspraak is die je kunt aannemen kunnen ze het loslaten.
We begrijpen dan waar de woorden naar verwijzen, maar datgene waar het woord naar verwijst begrijpen we meestal niet. Wat is begrijpen?
Wat het ook is, taal is geen hand die werkelijk grip kan hebben op het ontastbare.
Het tastbare is leuk speelgoed, maar het draait altijd om het ontastbare.

Gas

Geprezen zij modder op je bodem.
Dankzij haar is dit wuste water zo helder
als gas dat rustend uit je modder stijgt.

Roer je niet, dan blijft het helder wustig en
vergeet niet, nee vergeet nooit haar te eren.
Het blijft wel je modder, je geboortekust.

Vuil

De zonnestraal in deze lege kamer vormt slechts
een schaduwdun plakje licht op de kale vloer.

Pas dankzij een stofwolk wordt het een massieve straal.
Het vuil maakt het licht zichtbaar, schijnbaar tastbaar.

Zo straalt ook bewust zijn op het vuil van de wereld,
zelfs vuil is dan subliem, door zon goddelijk bevonkt.

Klopt

‘Als de quantummechanica klopt is de wereld krankzinnig’, stelde Einstein ooit.
‘De wereld is krankzinnig’ , bevestigt vooraanstaand quantumfysicus Greenberger.

De wereld kan niet krankzinnig zijn. Alleen mensen kunnen krankzinnig denken te zijn.
Mensen denken dat ze gek worden omdat de werkelijkheid niet in hun logische model past.
De natuur trekt zich echter niets aan van welk rationeel concept dan ook. In plaats van het concept aan te passen of weg te gooien, verklaart de wetenschapper liever de wereld voor gek.
Een krankzinnige is iemand die permanent in conflict is met ‘de wereld’ , lees: in conflict met de inhoud van zijn bewustzijn. Open onderzoek van neutraal bewust zijn naar de aard van de wereld kan nooit in conflict zijn met de wereld ,lees: de inhoud van het bewuste zijn. Dat onderzoek kenmerkt zich door permanente verwondering om het mysterie dat ons omringt en waar wij uit bestaan. Krankzinnigheid is een probleem van het model.

‘De wereld is van een geniale intelligentie als de quantummechanica klopt’
F. Wildesheim

Volgens welke norm of criterium zou de quantumwereld trouwens moeten kloppen?
Waar meten we dat aan af? Is er een vergelijkbaar universum om de maat mee te nemen?

Cam

Soms wacht je op straat op je vrouw die nog even, twee tellen, een boodschapje haalt. Daar sta je dan, samen met een jou onbekende beroemdheid eveneens wachtend. Je kunt hem niet thuisbrengen. Van een boek, een film, een programma…? Ongewild bestudeer je zijn schichtig ontwijkende blik. Het is alsof je een exotisch dier aan het determineren bent. Het dier voelt zich duidelijk niet op zijn gemak in de openbare ruimte. Het weet zich geen houding geven buiten het oog van de camera’s. Je kunt natuurlijk ook niet gaan vragen wie hij eigenlijk is, dat zou een belediging zijn voor zijn roemruchte reputatie. Velen zijn trouwens voornamelijk bekend vanwege hun beroemdheid. Ze zijn een wandelend merk, ongeacht voor welk product ze reklame maken. Heel gek en waarschijnlijk onterecht krijg je toch met zo’n dier te doen. Liefst zou je het dier vangen en met je verdovingsgeweer platleggen om het voorzichtig te vervoeren naar zijn vertrouwde biotoop, de televisiestudio waar alleen de fans komen, het applaus en de herkenningstune klinkt. Waar alle medewerkers mediagetraind zijn in de code van discrete bewondering.
Terwijl mijn gemijmer over roem wegebde zocht het dier plots toenadering en ging vlak voor mij staan en vroeg:
‘Mag ik u een onbeleefde vraag stellen…maar bent u het nu of niet, ik kan maar niet op uw naam komen?’
Ik schrok nogal dat het dier kon spreken en antwoordde:
‘Nee hoor, wees gerust, ik ben het niet!’
Gelukkig kwam mijn vrouw zojuist de winkel uit.
‘Met wie stond jij nou de hele tijd te praten’ ,vroeg ze, ‘ was dat niet…hoe heet-ie ook al weer, hij leek er anders sprekend op?’
Op de terugweg viel mij op hoeveel camera’s er in de straat hingen te kijken.

Zool

Hij had een steentje in zijn schoen. Onmiddellijk meende hij te weten dat hier om een metafoor moest gaan, een schrijversgewoonte. Hij besloot om rustig door te lopen en het steentje er niet eerder uit te halen voor hij wist om welke metafoor het ging. Vroeger had hij probleemloos blootsvoets over grindpaden gelopen, maar dit ene stukje grind maakte meer indruk in zijn voetzool dan vele. Zou het steentje voor problemen staan…één probleem is storend maar vele problemen niet… Nee, het moest iets anders zijn. Herinnerde het steentje aan hem aan iets…iets dat hij niet mocht vergeten? Aan wat dan? Deze metafoor gaf zich niet zomaar gewonnen. Vreemd, want normaal gesproken dienden metaforen zich als vanzelf aan, als gladde verkoopjongens die jou iets wilden aansmeren. Hij liep nu al een week te ijsberen met dat irritante steentje in zijn schoen.
Op een alledaagse woensdag om 10.47 uur gebeurde het, terwijl hij midden op een zebrapad liep werd het hem opeens duidelijk, zo simpel: Het steentje stond gewoon nergens voor, geen enkele metafoor. Het was alleen maar een steentje.
Een wachtende automobilist was uitgestapt om te vragen of het wel goed met hem ging daar midden op dat zebrapad.
“Ja hoor”, had hij gezegd, “het kan niet beter, ik had alleen maar een steentje in mijn schoen…kijk maar…deze!”
“Halve zool” , had de chauffeur verzucht.
De schrijver voelde zich bevrijd, genezen van de metaforendwang. Soms, als weer eens een aanvechting kreeg in die richting deed hij zelf een steentje in zijn schoen, als reminder. Het was net zoiets als in een kolkende wolkenlucht allerlei gezichtjes menen zien, een amusante oogafwijking.