Paf

Paf staan is onze tweede natuur
of was het gewoon altijd al je eerste?
Zoals een kat miauwt, een hond blaft
zo sta je in de pafstand.

Alsof alle afstand,
tot om het even wat…
elke tussenheid bij wat
dan ook in het niet valt.

Hoe kom je ervan af?
is heel geen vraag.
Men verklaart je vast voor maf.
Je staat zomaar paf zoals water nat is.

Wat water is weet je niet,
je weet slechts dat het nat heet,
maar wat dan nog?

Water wordt er echt niet droger van.
Daar sta je dan…drijf…kledder…
paf te wezen…paf is gewoon

terug naar af.

Schaar

{CAPTION}

Szymborska won de Nobelprijs voor haar poëzie. Toen zij werd overlopen door de media zag zij zich genoodzaakt een assistent aan te nemen omdat zij niet meer aan dichten toe kwam. Ze werd platgebeld met interviewverzoeken vanuit de hele wereld. Er kwam een jongeman solliciteren op de functie. Ze vertelde hem wat het probleem was. Hij vroeg of ze een schaar had. Die gaf ze hem. Daarop knipte hij ter plekke de telefoonlijn door. Ze dacht onmiddellijk: ‘Die moet ik hebben,’ De lijn met haar poëtische bron was meteen hersteld.

Open gedicht


Wonderhond Bor,
wij waren honden onder elkaar,
verstonden ons in een oogwenk.
hij leende mij zijn naam uit
als dekmantel
‘Bor van Geenen’.
onder die naam lieten we
op deze aardse jachtvelden
geurvlaggen na op alle muren
en pispaaltjes bij wijze van grafitti.
ruiken is geuren lezen.
de wereld walmt van verhalen,
van lichaamstalige poëzie.
nooit vergeten we zijn gedicht
in het nog gave gazon
van het Amsterdamse bos:
Bor liet zijn lichaamstaal spreken,
groef daar ‘in no time’ een gat
waar hij zelf precies in paste,
verwoed alsof hij daar een schat
vermoedde, het gat ligt er nog,
in onze warme herinnering
een gat dat nooit wordt gedicht.

Rul

Je werd tot verharde weg opgeleid,
eerst met klinkers of kinderhoofdjes
en uiteindelijk geasfalteerd
om het menselijk verkeer goed te laten walmen

Maar in wezen bleef je onveranderbaar,
een rul zandpad, lukraak
naïef als een hazepaadje
tussen grassige halmen

Je enige ambitie, te worden overwoekerd
door bladgroene broeders en zusters,
de plantaardigen, zij spraken taal van adem
waar zachte hazen in sliepen

En dat menselijk verkeer, ach het zou wat…
als je eenmaal wist hoe de hazen liepen

De wind vertelt al wat leven geeft,
zij wijst wegen door ruime mazen

2262


Twee-en-twintighonderd
twee-en-zestig openbare
geheimen werden belicht
in de levensloop der jaren
al wat heeft verwonderd,
vreemde, bijzondere rare
dingen kwamen in zicht
zelfs meest onbestaanbare
fenomenen zonder gewicht
ook halvegare exemplaren
niets, niemand uitgezonderd
verwondering blijft verbazen
om dit verbijsterende leven
talloos onmeetbare dwaze
zaken door niemand beschreven
domeinen, magazijnen van zijn,
taalslingers als een routekaart,
een ode aan wezen en schijn
uitnodiging om ‘t gebied te leven
elk vergeefs zoeken te staken
nergens meer naar te streven
tot het geheim zich openbaart
binnenin dit wonder ontwaken
dat met alles en niets is verweven
het heelal is de kers op de taart
laat het u voortreffelijk smaken
mag het aan verhemelten kleven
de melkweg of een kometenstaart
het wonder viert zich maar voort
van het laagste tot hoog verheven
het totaal is meer dan alles waard
hier begint het einde van het woord
dit geheim heeft zich ontschreven

Illustratie: Emilia Dziubak “Feinsmecker”

Tunnel

Er stond een spiksplinternieuwe dag voor de deur. Het had zijn licht nog aan… was net door de tunnel van de slaap gereden, die lange zwarte tunnel dwars door het hooggebergte van de nacht. De aanleg ervan had lang geduurd…jaren lang boren om de lichtdagen met elkaar te verbinden. Nu was het klaar, één rondlopend traject. Men kon nu door driehonderdvierenzestig tunnels het hele jaar rondrijden. Dat had de mens toch maar mooi geflikt.
Er was geen chauffeur die zei dat je moest instappen. Je dacht nog even: kan die dag niet zonder mij vertrekken? Voor je het wist zat je in de dag en was je onderweg. Je keek je ogen uit, wat een uitzicht rondom, wat een reis. En iedereen ging mee, zelfs alle doden, waar je ook keek daar zag je ze…ieder één, wat een onderneming. Het leek wel vakantie. Je las op een muur het gedicht, op weg naar de volgende slaaptunnel, het gedicht van nachtburgemeester J. Deelder…

’Het Heelal’

Hoe verder
je keek

hoe groter
het leek

Troglodieten

De klaproos koestert geen ideologie, ze postuleert geen hypothesen. Een korstmos heeft geen filosofie, geen aannames. De plataan leest nooit een boek of handleiding. Het schaapwolkje gelooft moeiteloos nergens in. De wolf schrijft geen gedichten, geen grafschriften. De krekel speelt geen viool, heeft geen advocaat. Gras verlangt geen architectuur, geen planoloog. De oceaan ambieert geen scheepvaart, geen dijken. Natuur heeft geen theorie, geen diploma, ze is een en al praktijk. De mensengeest begon als een kale grotwand, het eerste scherm dat prehistorisch werd betekend, als tegenwicht tegenover die verpletterende overdonderende natuur, de grot bood bescherming. De verbeelding werd geboren op de wand, verbeeld-dingen. Spoken op het behang. Ondertiteld door verwoording werd het denkbeeldige een tegenwichtwereld, schijnbaar veilig en beheersbaar. De bovenkamer werd gaandeweg een surrogaatgrot. De moderne troglodiet echter woont in zijn scherm, mobiel en houdt altijd alles en iedereen in de hand. Holbewoning in de open lucht.

Konijn

In de wachtkamer van de huisarts hangt een postergedicht van Kees Stip.
Het schetst de mensheid als patiënt die in de wachtkamer zit tot de dokter tijd heeft om te genezen. Patiënt betekent geduld, de wachtkamer is om geduld te oefenen.
De dichter wrijft het in tot je een ons weegt. De zalf van het geduld zal de pijn verzachten.

De mensheid heeft mijn hart
ze vergt mijn volle krachten
er zijn er nu al vijf miljard
dus jij moet even wachten

Zo dichtte dokter Stip ooit.

Inmiddels zijn er al meer
dan acht miljard bespeurd
de mens gaat als konijn tekeer
je komt nooit aan de beurt

Als wachten veel erger is
dan klagen over de kwaal
bespaar dan op ergernis
en verlaat het wachtlokaal

Uil

Het is gewoon een Openbaar Geheim, zo begon Uil ongevraagd uit te leggen.

Wat is operaar geim? vroeg Poeh.

Dat is iets… ,zei Uil gewichtig, zo dichtbij, dat je het niet ziet.

Oh, iets, dat dacht ik al…ik dacht even dat je: een hoop rare gein zei of zo iets dergelijks.

Nee Poeh, niks dergelijks of zoiets…ik sprak heel bedachtzaam Openbaar Geheim uit.

Oh, zei Poeh, ik zie niks dergelijks ook niet… zou dat dan ook open waar geim zijn?

Geheim! verbeterde Uil, nu je het zegt Poeh, niks dergelijks zie ik hier ook nergens.

Zo zie je maar, zei Poeh voorzichtig, misschien Uil…is openbaar wel nergens niet.

Zou best kunnen of iets dergelijks, murmelde Uil.

(Vrij naar Poeh, illustratie EH Shepard)