Meteoor

De keiharde gedachte in dit gedicht
slaat als een meteoor ‘n denkbeeldig gat in je schedelgewelf

Hoe kan ‘n gedachte, zachter is dan een verdampende wolkenvacht, zo’n zelfbedacht gat slaan en wie kan het dichten?

Dit dichterlijk gat vervult onze ziel.

Waarvandaan kwam deze denkbeeldige meteoor die zo dwars door je poëtische plafond is gegaan?

Kwam het voort uit die kosmische kracht van de eigen waan, ‘n enkel magisch toverwoord?

Komt het voort het uit die komische macht die simultaan echt en waan ongestoord naast elkaar laat bestaan?

Wat is dat gene dat zo onbedaarlijk om zichzelf lacht?                                        

Is het dit zwarte licht van wakkere nacht dat immer heeft geschenen?

Een meteoor die er nooit was kan toch onmogelijk verdwijnen.

Dit poëtische gat was er al ruim voordat ruimte werd geboren.

 

Botanica


‘Wist je dat …van die kamertjes?’
,vraagt mijn vrouw die energiek een botanisch boek leest.

‘Nee, dat wist ik niet’ ,mompel ik, terwijl ik een boek probeer te lezen,
‘wat voor kamertjes?’

‘Appels…en peren trouwens ook, die hebben vijf kamertjes in hun vruchtbare klokhuis, grappig hè’ ,zegt ze terwijl ik vergeefs de volgende alinea probeer te enteren.

‘Als 1 kamertje niet bevrucht is door een vlinder, bij of hommel…’

‘Nou wat gebeurt er dan?’ ,vraag ik en leg mijn boek terzijde.

‘…dan wordt de betreffende peer of appel of niet zo mooi rond!’

‘Dat is inderdaad grappig, een onbewoonde kamer leidt tot scheefgroei’

‘Daardoor wordt de appel of peer wel mooi scheef, schuin of krom!’

‘En wat doet die vervorming dan met de smaak?’ ,vraag ik.

‘De smaak is er geloof ik niet minder om’.

‘Dezelfde hoeveelheid smaak in minder appel zou de smaak zelfs versterken’

‘Hmm’ ,peinst ze alsof ze mijn gedachtegang probeert te proeven.
Wat lees jij eigenlijk?’ ,vraagt ze belangstellend.

‘Een saai boek over vorm en inhoud…droge kost…er zit weinig sap in!’

Asiel

De hond zwierf rond op zoek naar een baasje om uit te laten. Hij bezocht de bazenasiels en opvangcentra voor moeilijk bemiddelbare baasjes. Het moest vooral geen rasbaas zijn. Nee, alleen een bastaardbaas die niet was doorgefokt, een baasje met een meegaand karakter. Geen jachtige baas, geen waakbaas, geen vechtbaas maar gewoon eentje die lekker rook en die je los kon laten lopen. Kort of langharig maakte niet uit, maar wel een beetje volgzaam graag, want dat was toch wel een dingetje tussen hond en baas…wie volgde wie nou eigenlijk? De hond was er van overtuigd dat hij een veel betere neus voor richting had in het leven. Bazen gingen meer af op wat ze zagen of nog erger, wat ze dachten te zien. Bij nader inzien, dit alles overmijmerend besloot de hond dat een blinde baas misschien nog de beste keuze was. Een blinde geleide baas. De hond legde z’n kop op zijn voorpoten en wachtte af in het vertrouwen dat de geschikte baas op z’n pad zou komen. Hij zou ertegenaan lopen, over hem struikelen.

Boom

Wie iets niet weet kan er altijd nog over gaan speculeren.
Een hypothese is een boom die binnen een oogwenk is opgezet.
Een kerstboom optuigen is meer werk. Als de boom staat kun je
bewijzen gaan verzamelen om de stelling te bewijzen.
Die verzamelde ballen hang je vervolgens netjes in je boom.
Het is ontroerend hoeveel welwillende bewijzen zich spontaan
melden om je bewijsvoering rond te krijgen, ballen te over.
Als je je theorie rond hebt dan denk je iets te hebben begrepen,
dit verschijnsel noemt men verlichting. Deze verlichting hang je
eveneens in de boom. Als laatste plaats je je eigen naam als een piek
er bovenop. De realiteit is echter iets anders dan een concept…
Daar is een permanente kerstbomenoorlog gaande om achterhaalde
hypotheses waar een vreugdevuur van gestookt wordt.

Taalzang

Vogels zijn muzische wezens, fonetische poëten.
Nachtegalen drukken zich uit in tweehonderdvijftig verschillende klanken.
Dat zijn er veel meer dan in welke menselijke taal ook.
Vergelijk het met lettergrepen. Met die lettergrepen zingen ze honderdtachtig verschillende strofes, in talloze variaties, woorden die zinnen vormen.
Tot nu toe neemt men aan dat vogelzang louter en alleen een verleidingsfunctie heeft in de evolutie. De mannetjes die het mooiste, meest origineel, meest gevarieerd fluiten mogen zich bij het vrouwtje voortplanten. Het vrouwtje is haar eigen ballotage-commissie. Zingen staat dus niet alleen voor muzikale kwaliteit maar kennelijk ook als een vlag voor alle beste eigenschappen die een vogel zich kan wensen. Bij mensen is dat zeker niet het geval. Een menselijk dier dat prachtig schildert of muziek maakt kan een hork zijn en een monster als echtgenoot.
Maar het zou ook heel goed kunnen, gezien de enorme rijkdom aan uitdrukkingsmogelijkheden bij de Nachtegaal dat vogels elkaar letterlijk met hun zangtaal allerlei verhalen op de mouw spelden, zoals mensen dat doen. Bijvoorbeeld een vogelheldenepos waar zijzelf en hun voorouders de hoofdrol in spelen… of een lyrisch gedicht over het vrouwelijk vogelschoon…of geroddel over de andere dieren in het bomenbos. Het is een leuke hypothese. Opwindend om over te speculeren, omdat we zeker nooit zullen weten hoe het werkelijk zit. De Koekoek vertelt natuurlijk een heel ander verhaal dan de nachtegaal. De grootste oplichter en hork uit het vogelrijk zegt: neem mij, ik ben de beste oplichter, lui, onbetrouwbaar en vilein, dat hoor je aan mijn meest lullige liedje ooit.

Grijs

Ja hoor, daar staat ie weer…
of nog steeds, terug van nooit weggeweest?
Dat enorme grijze gevaarte midden in je bovenkamer.
Het kan er z’n kont niet keren en jij kunt niet om hem heen of is het een zij?
Tussen die poten als zuilen kruip je naar de andere wand.
Kun je die muren niet wat ruimer denken, dit is geen doen.
Wat moet dat fantastische dier eigenlijk hier?
Wil het misschien gehoord, gevoeld, gezien?
Je kunt aan niets anders meer denken.
Zo dierbaar is het, gedomesticeerd.

Woggelflans

Als je niets doet, kijken dingen je dwingend aan.
Willen ze dat je bezit van ze neemt?
Ze lijken diep beledigd als je ze links laat liggen.

Lees mij! , verzoekt het ene boek na het andere.
Hanteer mij , jammert een werkloze hamer.
Sla mij recht , smeekt een krom spijkertje.

De dingen eisen onze energie op als het kan,
vampierachtig zuigen ze ons leeg.
Nooit geven ze gestolen energie terug.

Was mij af! , eist het vuile bord.
Schop mij nou! , mokt de voetbal.
Zet mij aan of uit! , klaagt de radio, maar doe iets!

Je doet niets in de beleving van de dingen.
Hun betekenis sterft af zonder gebruik.
Wie weet nog wat een Woggelflans is?

Schrijf mij leeg, zegt de pen.
Kijk naar mij, dreint het mobieltje.
Steek mij aan, vraagt de kaars.

Dingen, door mensen gek gemaakt,
verwend en aandachtsverslaafd,
parasieten op onze bestaansgrond.

Gebruik mij , zegt het voorwerp.
Ik ben niet voor niets ontworpen,
onderworpen aan menselijke willekeur.

Exo

Opeens verlangt men naar buitenaardse intelligentie.
Te weinig van die intelligente grondstof op aarde?
Hoopt men op een slimme exoplaneet…
mijnbouw om hoogintelligent spul op te delven?
Onze arrogante vuile hand overspeeld?
Nu het water lipwaarts stijgt hopen op buitenaardsen,
verlangen naar een wijze interventie van hogerhand?
Historie leert dat we onze verlossers om zeep brengen
om vervolgens nog harder te verlangen naar verlossing.

Of is het nieuwsgierigheid naar meest vreemde?
Wat insinueert dat de mens zichzelf nu wel zou kennen…
en uit verveling wel eens iets anders wil ontmoeten.
Het feit is: de mens kent zichzelf in het geheel nog niet.
Hooguit kan hij wat zelfbedachte namen reproduceren
die hij eigengereid op elke buitenhuid heeft geplakt…
wat zelfverzonnen begrippen die hij denkt te begrijpen.
Innerlijke werelden wordt gemeden als de pest.
Het lijkt zichzelf innerlijk liever niet te willen kennen.
Welk dier leeft zo vervreemd van de eigen natuurlijke staat?

Gezegend, de nooit onontdekte diersoorten en plantaardigen.
Anoniem zijn en blijven is hun openbaar geheime Paradijs.
Ook alle buitenaardsen wens je toe om onontdekt te blijven.
Niet opgezet in het museum of gedetineerd in een dierentuin.
Niet als proefwezen geëxploiteerd of massaal gefokt als goedkope proteïne.
Mochten er zich ergens buitenaardse intelligenties bezinnen op wenselijk contact
dan mijden ze wijselijk de aarde als een strafkolonie voor vreemdsoortigen.

Parcour

Op de snelweg voor stervelingen
werden we ingehaald door de dood,
‘n gitzwarte limousine met rouwende
feestvlaggetjes boven de koplampen.

‘t was bijna feest, op een haartje waren we er geweest.

De dood had kennelijk nogal haast,
voegt in voor ‘n onverwachte afslag.
We geven altijd voorrang aan de heer
in ‘t menselijke verkeer, die voortraast.

Deze rascoureur rijdt werkelijk als een beest.

‘n gevaarlijke gek op de weg, die overal
voorrang neemt, hij heeft immers niets
te verliezen, zelfs nog geen ietsepietsie.
Het is hem worst welk bloed hij vermorst.

Snijdt willekeurig levenswegen af en neemt de geest.

Wij komen enigszins vervreemd veilig thuis.
Beter geen dood op de hielen, liever 1 gek
voor je, dan tien in je nek. Weg van de file,
weg van de ruis, we blijven in dit vertrek.

Goed als je de leveringsvoorwaarden nog eens leest.

Ons voertuig is all-risk, verzekerd schadeloos gesteld.
Geest krijgt gratis het nieuwste model toegewezen.
Met de laatste genen toegerust, en dan weer racen.
De dood is een vermaard coureur, een snelwegheld.

We gaan snel de weg weer op, vastberaden & bedeesd.