Molshopig

‘t sneeuwde zomaar goudgeel,
kruinen bladderden af
in neerzwevende tover

onze tuin ontbeerde
helaas & plots
een scharrelende egel

waar het vandaan kroop weet zich niet,
maar hier rondom & onder
werden vele egelleegten beleefd

wellicht verschool het zich
in wonderwuste humuslagen?

(‘t prikkelt zeer om egels te missen)

tot ons vannacht droomstof werd bezorgd
in de molshopige vorm van ‘n bergje dor blad
dat zich zacht ritselend voortschoof

het zei ritselend…niks…niks…niks mist…niks

sinds deze niksige inlichting
mist er niks geen ene egel meer

onder & rondom ritselt het fiks
van omberkleurige vermoedens

Gouden tijden

Wat wil je later worden…dat was de jaarlijkse vraag van je overjarige theetante.
Je was als kind kennelijk nog niks in haar zwaar opgemaakte ogen.
Wist jij veel, dus je zei maar wat: Utopisch Archeoloog. Je koesterde immers een nostalgisch verlangen naar wat er allemaal nog te gebeuren stond, gouden tijden met verborgen bodemschatten.
Je zou opgravingen doen in die goeie ouwe toekomst, stoffelijke resten en artefacten blootleggen. Om het ongeborene, het nog niet uitgevondene te pre-construeren.
Te voorzien hoe het allemaal precies zo moest gaan gebeuren, onafwendbaar.
Ach…Weet je nog, later toen alles nog beter zal worden? Dat zijn nog eens tijden die komen…en…weet je nog later, dan zullen we ons geheugen selectief kunnen wissen, onze herinneringen naar wens kunnen herschrijven en onze identiteiten kunnen samenstellen met louter wenselijkheden…en uiteindelijk ooit zullen we onze ‘eigen’ reservelichamen met de beste genen kunnen verwekken en inwisselen voor ons versleten exemplaar.
Al deze mogelijkheden manifesteren zich om helder in te zien dat we dat allemaal niet zijn.

Alleen binnen opperste verwarring kan verheldering optreden.

‘Utopische Archeologie heeft een grote toekomst voor de boeg,
een legendarische boeg van een schip dat nog niet gezonken is.’
F Wildesheim

Dashboard

Het sterrenravijn gaapt diep
boven ons
als reclameboodschap
voor de eeuwigheid.
We dreigen omhoog te vallen,
gelukkig of helaas zuigt zwaartekracht
ons stevig tegen de aarde aan,
aanzuigende werking

De automatiek loopt tegen sluitingstijd
in slechts 1 luttel kluisje woont lauwwarm
de slapgebakken gedachte,
ooit zo koket en krokant…
zonder voedingswaarde,
kwartjes willen eindeloos vallen,
dwars door de geldcaroussel, vergeefs
het dashboard van onvermogen knippert
aanzuigende werking

Met het aas van gelikte beelden
worden ogen gelokt die zich erin vastbijten,
zo vissen schermen naar aandacht,
houden aan het lijntje dat niet breken mag.
Werking zuigt aan de geest
als veelkleurige toverbal
die dobbert over de pixelzee.

Eenmaal weggesabbeld
ben je overal
en nergens geweest
opgezogen

Peertjes

je wordt hier als kosmisch gerecht
geproefd…verfijnd beproefd door
de alomvattende tong van ‘t mysterie,
dat goddelijk sublimerende monster

verteerd in haar nachtelijke maag,
teder uitgevaagd, geabsorbeerd
graag ben je als licht verteerbaar
en tot licht zul je regenereren

nu hervind je jezelf in neonbuizen,
als licht in peertjes bloeiend uit plafonds,
in beeldschermen, koplampen, zaklantaarns
met kerst wordt in ene al het licht ververst

het schijnt alleen om zicht te faciliteren

Oogruim

Je vergat die dag je lichaam aan te trekken.
en verliet het huis door het sleutelgat.
Het had je vaker al verwonderd
dat de gehele ruimte, de tienduizend dingen incluis
met gemak de pupil van ‘t oog kon passeren.

Nu vloog je ruimschoots door het slot
dat kennelijk vol openheid was.
Je begon nu aan alle afmetingen te twijfelen,
aan wat boven of beneden was, links rechts, voor en achter…

Als ruimte vielen deze begrippen in het niet of tegen elkaar weg.
Wat was binnen, buiten?
Het leek nog het meest op tussenloos.
Hoe je ‘terug’ kwam weet je niet.

Voor jezelf was je nooit weg geweest.
Ging dat maar eens uit leggen aan wie dan ook.
Niemand zat daar op te wachten…
en was er heel blij mee.

Muggemaag

Je schrijft liefst gedichten
die je zelf gelezen had willen hebben,
gedichten die geschiedenisloos beschrijven
met mosholtige woorden
waar de meest schuwe betekeniswezens in schuilen,
die kunnen bevangen en ontsluiten.

Woorden zijn nogal buitenkantig van klank,
soms stekelige bolsters, soms bladstil…
ruw of rauw als geschreven op schuurpapier,
soms wauwelachtig vaag.
Onvoorspelbaar hoe de taalmaag
dit zal verteren tot inzichtelijk zinnelijk heden.

Binnenholtig gonzen woorden
van geruchten in volmondig onbenul.
Aandoenlijk hoe deze mug
vaak oprecht een olifant wil betekenen
zonder enige bestaansgrond van gewicht.
En altijd blijkt het weer
dezelfde olifant
die het verhaaltje uitblaast.

de vlam van de lezer flakkert
in het licht van droomloze slaap

Dein

Wind was nog lang niet jarig, ze klonk klaaglijk en was gaan liggen op de blauwgroene spiegel van de oceaan.
Wat zou je het liefst krijgen voor je verjaardag? , vroeg de Oceaan.
Wind mijmerde voor zich uit
en verzuchtte: …Ruimte…
ja, de Ruimte zou ik wel willen krijgen, de hele ruimte!
Daar vraag je nogal wat zeg, de ruimte, zei de Oceaan vol bewondering.
Tja, ik weet eigenlijk niets anders dan…de ruimte.
Is een boomkruin of een heel bos niet lekkerder voor jou om in te waaien? ,stelde de oceaan voor.
Neenee, dat is mij te verwarrend met al die takken en daar dan tussen-door waaien…nee, geef mij maar de ruimte!
Nou goed dan, ik zal m’n best doen, zei Oceaan, maar ik kan niets beloven… verwacht maar niets, dan kan het alleen maar meevallen, toch?
Ach, kijk maar, zei Wind gelaten,
ik moet eerst nog maar eens zien om behoorlijk jarig te worden… want ik ben eigenlijk nog nooit jarig geweest.
Wat is het mooiste wat jij ooit voor je verjaardag hebt gehad? , vroeg Wind aan Oceaan.
Deining, riep Oceaan meteen opgewonden, enorme deining, een muur van water zijn is het mooiste ooit!
Wind keek bedenkelijk, wat heb je nu aan deining?
Alles, legde Oceaan uit, deining is een hemelse dans.
Wind begreep er niets van en wachtte zijn eerste verjaardag af.
Hoelang het allemaal duurde weet niemand meer, maar op zekere dag was het zover.
Wind was buitengewoon jarig. Iedereen was aanwezig op het feest,
De achterkant van de maan, de kust kwam met de oceaan mee, de nacht kwam samen met de stilte die voor de storm kwam, het Zonlicht
sneed de taart aan.
De taart die tegelijk ook het kado was, leek nergens op. Het was een taart van Niets.
Wind reageerde teleurgesteld:
Ik had mij zo verheugd op de ruimte die ik zou krijgen en nu krijg ik Niets.
De Oceaan moest lachen en riep:
Maar Wind luister, Niets dat is de ruimte, zie je dat niet?
Nee, ik zie niets, jammerde Wind. Oceaan begon te deinen van plezier, waardoor Wind vanzelf begon te waaien.
Wind vond het maar een rare eerste verjaardag…en waaide zich een weg dwars door het Niets.
Oceaan deinde als nooit tevoren.

G

G beloofde plechtig te zullen bestaan, desnoods als waan,
zo stelde hij zich even gemakkelijk voor…

als een Zij…als een Het… kon wat hem betreft ook,
als koe, olifant, plankton…het is mij om het even,
vermommen is mijn eerste natuur…
en geniaal is mijn tweede naam, grapte G luchtig.

Of als Alles, ligt dat ook binnen de mogelijkheden?, stelde ik voor
dat rekende G ook goed…
Ja Alles, dat beviel G wel het best…
een Bourgondisch type

En als Niets? , zo probeerde ik plagerig
om Zijne/Hare existentie op de uiterste spits te drijven..
G’s vergezicht toonde een gelukzalige grijns

(G kan trouwens niet zo goed rekenen,
doet liever alles gewoon in grote hoeveelheden
en lukraak, waarmee G verbazend vaak geluk heeft)

Ik probeerde nog of de baard onderhandelbaar was…
Geen enkel probleem, maar het punt ontging G volledig.
Is een puntbaard ook goed?, stelde G bescheiden voor.

En…, nu kwam het penibele punt aan de orde…
Kan het een beetje wraakzuchtiger? G keek verbaasd op.
En dan vooral naar de dingen die ons hier niet bevallen…
Dat we door ons serene gebed iets laten vernietigen, iets
wat ons stoort, in de weg zit, of wat ons domweg verveelt?

G was al afgehaakt voor ik mijn toch redelijke verzoek had afgerond.
Terwijl ik het nog zo netjes had verwoord.
Het vond geen gehoor.
G bestond kennelijk liever niet dan zo.
G had zich ontschapen.

Doek


Je zag gelegen onder het fameuze witte doek
‘die Geheimnisse des Himmels’ ,aflevering zoveel
‘n droomdocumentaire, je was weer acht of zo?

Jacques-Yves Cousteau was de ruimteschipkapitein
van de walvis die als een Zeppelin voor de maan
langs schoof, zo begon elke ontdekkingsreis…

jij zat voorin de potvis, vlak onder ‘t ruisende spuitgat,
door de baleinen heen dacht je, Hee, kijk plankton!
maar ‘t waren slechts engelen zwevend in ruimtezee

waar waren ze…al die buitenaardse ruimtedieren?
Jacques-Yves sprak ‘n diep teleurgestelde voice-over,
over in grote getale afwezigen, de Maandolfijn was er

even niet, ook de Marskwal liet het afweten, de Venus-
schelp…op vakantie? En waar was de komeet-haai?
alleen de hoge hemelbodem, bezaaid met zeesterren

je werd wakker onder ‘t witte doek, je moest hoog-
nodig plassen…niets had jou nog kunnen verrassen,
behalve toen de nacht jou terug op ‘t droge spoog

daar bleef je achter met dat vreemde woord: ‘Calypso’

(Kalypso: Grieks voor het verborgene)

Stoomloos

als sigaar geboren in een wereld waar niemand meer rookt
uitermate geschikt om te smeulen, te dampen,
om terloops nutteloze kringeltjes mee te blazen
kwalitatieve stank en perfectie, volkomen onbruikbaar
hooguit gewild bij een sigarenbandjesverzamelaar
museale conservering als hoogste onderscheiding
voor nooit te bewijzen diensten, sigarenpraalgraf

in Pessoa’s tijd ging je als sigaar tenminste nog waardig
en gewis in rook op, werd je laatste stompje dankbaar
uitgedrukt op de verlaten straattegel van het mysterie
hoeveel askegels vol angst&verlangen smeulden er niet
denkbeeldig weg, walmend in een hoofd of op ‘n tafelrand
zeldzaam aromatische dampen, vergeten te inhaleren

er wordt nergens meer fatsoenlijk gezogen, gelurkt, gepaft
het zuigen, lurken is voor schermtijdelijkheid ingeruild,
men staat louter nog paf voor dagwaan en ijl vertier
aandacht wordt verstrooid op de virtuele gedenkplek
als losse loze pixels tussen de ads en last-minutevluchten