Kuddes
Ik is niet een iemand
veeleer een hele kudde
zelfs loslopende kuddes
van velerlei & allerhand
ik is niemands herder
niemand hoed hier want
hoedt u voor de herders
laat u hoeden door niets
kuddes zwermen vrij uit
over eeuwige omvelden
ze grazen behoedzaam
elke bestaansgrond af
geest heeft vele magen
ze verteert hulsels & kaf
tot het wezen zich bloot
geeft in leven en dood
het ene in alle delen
begint gestaag te dagen
dat het ene meer is
dan de som der velen
volgens oude sagen
zijn kuddes de helden
ze dragen ons leven
bemesten de velden
Beëdiging
de aarde hoort mij
de zon hoort mij
waarom zou ik liegen?
(eed van de Shoshonen-indianen,
gelezen in het dagboek van Walt Whitman)
Velds
hier ligt het…
onder het maaiveld
tussen de halmen
in de luchtkamers van
veldmuizen en mollen
hier ligt het….
waar torretjes, kevers,
vlinders, hazenlegers
kortom ‘t Kruipend
Gedierte des Velds
hier ligt het begin
‘t beginsel waar dauw
mistig in gaat liggen
waar hemelwater loopt
naar het laagste punt
hier ligt het begin
het begin der hemelen
zo laag bij de gronds
waar wezens oefenen
in engelachtig wezen
voor ‘t hemelen begint
Bovenal
Normaal neem je de droomlift,
Buiten Dienst….knippert het paneel
dan maar de virtuele trap betreden
de koud metalen leuning zoekt
warmte en houvast in je slapende hand
wankelen de treden omhoog of omlaag?
weten je voeten wel dat ze nergens
heen moeten? …ze dansen hun eigen gang
op ‘n oud toekomstmuziekje van L.W.
(Ludwig Wittgenstein) die hier zijn idee
van een droomhuis ontwerpt en bouwt.
Zijn geest staat blijvend in de steigers.
W. uitvinder van de denkbeeldige trap
die men eenmaal boven gekomen liefst
weg moet gooien (al het overbodige is loos)
het is een hele de klim, boven tref je W. aan
op – de hoogste verdieping – waar hij zijn
bovenkamer steriel wit aan ‘t stuccen is.
Hier staat hij dan, de logica-sjamaan
“zu schweigen wovon mann nicht sprechen kann“
dit verwonderde jou als kind bovenal:
……De Hoogste Verdieping……..
dat hoger ook tegelijk dieper is.
Ludwig gooit nu stoïcijns zwijgend
die hele godganse trap, trede voor tree
naar beneden, in ‘de hoogste diepte ooit’
Daarom blijkt geen enkele reden.
zwijgend als ‘n witgestucte muur
schrijft W. met ‘n potloodstompje:
Er gaat Niets boven Al
Haven
in de haven liggen vele schepen
in de week, als keiharde ideeën
zijn ze helaas te onbevaarbaar
op de smeltzame zee van zijn
ze moeten eigenlijk ontwateren
in de winter, op het droge
om ze onzinkbaar afgedicht
fraai op te kalefateren…echter
‘s nachts aan de wakende kade
maken handen trossen los
ze lichten ankers om onbemand
af te drijven naar poolgebieden
waar vereende handen bouwen
aan het massieve machtige schip
van ijs, dat eenmaal klaar op reis
gaat richting evenaar, om zich
aldaar ongehavend te ervaren
Bos
de herfstklok laat
lukraak haar bladerjaar los
onchronologisch verstrijkt
verval in wat blijft
bladseconden duren voort
tot ze schilferstil landen
minuten zweven lank & moedig
neer op tijdloos mos
bosgrond ligt geborgen
onder verdorde handen
we lopen dwars door
urenhoge bladerhopen
het bomige uurwerk kleurt
de wondervolle zon
gloedvol sterft dit
moment in vuurwerk
Humide
Het heeft een tijd geduurd voordat ik dorst te erkennen dat ik
partiëel hoogbegaafd ben binnen het domein der humiditeit.
Lang vocht ik tegen deze kwalificatie maar het viel mij steeds
zwaarder om dit nog langer te ontkennen of weg te moffelen.
Volgens mijn vrouw is mijn aandoening ‘n zeldzaam & zinloos talent
om veelvuldig en consequent vochtigheden te verspillen.
Vroeger werd zo’n nat natuurtalent in de volksmond domweg
een ‘morsoor’ genoemd.
Vaak wist ik mijn gave te verhullen door snel nog even het overtollige
vocht weg te deppen voordat ‘n medemens er lucht van kreeg.
Pas toen mijn vrouw mij bij herhaling heterdadelijk wist te betrappen
op het geknoei met water kon ik er niet langer om heen:
Ik was ‘n notoire veelpleger, ‘n humiditair recidivist, ‘n morsvirtuoos!
Diezelfde avond nog moest ik publiekelijk, ten overstaan van mijn schoon-
ouders bekennen dat ik een pathologisch liefhebber ben van nattigheid,
vocht en ander sap. Het onbekommerde gespat, geklieder en gespetter
brengt mij in een welhaast kinderlijke euforie en extase, hetgeen nogal
genant is voor ‘n man van middelbejaarde leeftijd tevens prominent lid
van het hoogheemraadschap, afdeling Waterland. Maar het is niet anders.
Ik acht het beter om voortaan open kaart te spelen.
De badkamer en tevens toilet is na mijn bezoek steevast kleddernat…
de aanrecht is na mijn bemoeienis één natte plas. Ik laat permanent
een spoor van vochtige plekken achter mij. Ik spreek zelfs met consumptie.
Het kost mij geen enkele moeite om zulke resultaten te bereiken, het gaat
volkomen vanzelf. Ik kan mij dus niet beroepen op enige persoonlijke verdienste.
Door dit talent te onderdrukken zou ik mijzelf geweld aandoen en de wijsheid
van de natuur miskennen.
Kortom: Er zal altijd iets aan mij blijven kleven, vocht…
Verdwaalde sporen
Het geheugen is niet meer van vroeger…
Verdwaalde sporen lijken uitgewist…
Waar ging je…waar ga je?
Daar ga je al…
Men schijnt voor zichzelf slechts een schim
van wat zich ooit dacht te moeten worden
Of je ooit weer de oude wordt…
Is dat te hopen?
Wat is erger…‘n nieuwe weg
van de verse vreemdeling ingeslagen
of blijven vragen naar de bekende weg?
Dat verse vreemde zou een soort
van wedergeboorte betekenen
Een buitenkansje om te wagen?
Elke dag begint als een kruispunt
van wegen, vol rotondes, talloze afslagen…
Het onzichtbare geschep van de hersenen
legt elke dag weer nieuwe wegen aan
Alleen moet een nieuwe weg wel worden begaan
om gaandeweg te bestaan
Waar men gaat of denkt te gaan ontstaat een pad
stap voor stap
Men kapt zich een weg door het woud
door met alle bekende wegen te kappen
Wie of wat ben je dan nog gaande weg?
Gaande weg…mooi gezegd.

