Het ongeschreven verhaal dwaalt over straat, wankelend en voortstamelend, een dakloze op zoek naar een boek om in te slapen. Gehuld in een slechtlopende beginzin, de rafelige deken van mondelinge overlevering, waar hij een rode draad uit probeert te trekken. Het zwervende verhaal zoekt ergens onderdak, ‘n bovenkamer, ‘n hoofd dat hem adopteert. Het kraakt lekke zolderkamertjes van om het even iemand, iemand met een pen en papier. Zijn aanwezigheid roept irritatie op, weerstand. Meestal wordt hij meteen als ongewenst op straat gezet. Het verhaal wil dat het noodgedwongen een lastig personage is. Altijd in conflict met een iets of iemand, desnoods overhoop met de hele wereld, fictief of niet. Zonder wrijving geen verhaal. Het verhaal is bepaald geen zonnetje in huis, geen gezellig onbekommerde vertelling. Het verhaal moet dwangmatig problemen maken, dat verschaft bestaansrecht. Immer op zoek naar een notulist om voor zijn karretje te spannen, is het verhaal een geboren opportunist…een intrigant.
Als een stalker infiltreert het verhaal geestelijk leven:
“Je wil niet weten wat ik je allemaal te vertellen heb, ik ben een avontuur”, fleemt het verhaal verleidelijk, “Je hoeft alleen maar te notuleren…ik citeer…het is zo gebeurd!”
“Het kan mij niet schelen of ik omschrijfbaar ben of niet, ik zal je blijven lastigvallen als ronddolend spook, zolang je mij niet afgeschreven hebt…realiseer je je wel” , bluft hij,
“dat ik jou heb uitverkoren, ondankbare hond!”
En bevalt het geschrevene niet, dan komt hij later verhaal halen.
“Dit zijn jouw woorden…ik herken mij niet in dit verhaal, begin maar opnieuw!”
Saaiveld
tuinaarde ligt als plantaardig geheugen
verborgen onder saai maaiveld
elke dag groeien verse herinneringen
hun prille blaadjes bovengronds
winter wiste het heldergroene verleden
tot niemand er nog iets van wist
zaaivelden zinderen van leven beneden
jonge zon kruipt onder nog bleke huid
nu zie je wat zo ongekend is gemist
een groen verheugen opgefrist
zich levend weten bloeit elk moment op
het vergetene verwelkt en dooft uit
Wigboldisme
Herman Wigbold was de gebeeldhouwde godheid die heel mijn jeugd met zijn alziend oog monitorde vanaf de voorpagina van ‘Het Vrije Volk’. De hoofdredacteur als God.
Net als mijn vader kamde Herman zijn opstandige haardos na de koudwater-arbeidersdouche golvend naar achteren, de bokkepruik diende in het gelid gebracht, haar als helm in de strijd om verheffing in het arbeidersparadijs.
Ook mijn kop gaat nog elke dag gebukt onder het fonteintje voor een nederige arbeidersdouche. Kou doet de hersens jeuken, laat ze niet in slaap sussen door het kapitalistische warme bad. Luxe corrumpeert.
Het Vrije Volk is verdwenen en daarmee de vorsende blik van God Herman. Al kan ik niet ontkennen dat er ergens diep in de oppervlakte van de scheerspiegel een Wigbold waakt over mij. Als handarbeider, klavierspeler werk ik dagelijks aan de achtergrondmuziek van dit arbeidersepos, deze multidimensionale film waarin iedereen als figurant de rol van zijn leven speelt.
Rupsvoertuig
Herinnert de vlinder zich nog waar
ze als rups ooit van droomde,
of heeft ze soms vederlicht spijt
om geen Tsjwang-tse te zijn?
Hoe weet men dat een rups het geluk is
om wat dan ook te zijn, bereid om
‘om het even wat’ te worden?
Hoe weten wild spelende vissen
onder de brug dat Tsjwang-tse
zo’n plezier schept in visgespartel?
Is het vanwege een algeheel benul
dat welke verschijningsvorm dan ook
bestaat in zich eenwetend spul?
Wat voelt als een vlinderzwerm
in het hart is neergestreken?
Wat voelt als het hart
vinnen heeft gekregen?
Thorvald7 Epiloog
Zijn verbeelding had Thorvald onvoorstelbaar in de steek gelaten.
Er rolde zomaar een traan uit het walvisseoog, niet van verdriet, ontroering of geluk, maar gewoon door een scherp zandkorreltje.
‘Wat verbeeldt het zich wel?’ ,vroeg Thorvald zich af, ‘om een heuse woestijn te zijn?’….terwijl zijn lichaam fantasieloos door het allernatste zwom, dwars door alle domeinen van de vele voorstelbare woestijnen.
Het walvisselijf zwom zich een weg,
steeds dieper duikend, afzinkend…
mysterieuze duisternissen tegemoet
dan weer opduikend boven horizonnen
om daar gelukzalig hemels vol
te fonteinen met regenbogen.
Immer was voorgoed opgeslokt
en gloeide onverteerbaar na in het lijf
alsof het de maanlamp zelf was
waar Oceaan dit verhaal bij las
dankzij fluweelzachte nacht.
Nu is het onderzoek naar waan van Horizon gestrand op de kust van de verbeelding…Het ‘onvoorstelbare’ ligt hier aangespoeld…het ligt vol van wat al niet…tussen talloze schelpen…in elke schelp immer deze ongehoorde oase…
Thorvald6
Thorvald dreigde zich helemaal te verliezen in de Oase van stilte.
‘Stop daarmee Thor, malle walvis!…’ ,riep Horizon bezorgd, ‘hou op met je adem in houden, straks blijf je er nog in!’ Hij wist kennelijk niet dat walvissen eindeloos, zonder adem onder water kunnen blijven. Nog een tergend geruime tijd bleef de ongehoorde Oase onverstoord stil.
Opgelucht haalde Horizon adem toen Thorvald eindelijk weer begon te fonteinen, wat altijd een feestelijk gezicht is net boven de waterspiegel. Het walvissegezicht toonde over de gehele breedte een gelukzalige grijns waarbij al zijn baleinen zich bloot gaven. ‘Wat een Oase is dit!’ ,verzuchtte Thorvald, ‘zoiets heb ik nog nooit gehoord, hemels stil!’
‘Je bent ook niet zo weinig gewend hé?’ ,merkte Horizon op, ‘weet je wat trouwens ook nooit iets van zich laat horen?’
‘Nee, vertel…wat ook nooit een greintje horen laat’ ,vroeg Thor terwijl hij wat resten plankton van zijn baleinen likte.
‘Regenbogen Thor’ ,zei Horizon, ‘…regenbogen, je weet wel, van die kromme frivole met het vermogen om in alle kleuren zwijgen!’
‘Welnee, die dingen ken ik niet…’ ,verklaarde Thorvald, ‘maar onder water regent het ook amper!’
‘Dat klopt, je ziet ze alleen hoog aan de regenhemel, in de leegste woestijn van alle woestijnen!’ ,zei Horizon beslist.
‘Waarom de leegste van alle?’ ,vroeg Thor.
‘Ja kijk, dat komt nu weer omdat die hemelwoestijn geen zand bevat, stel je voor een woestijn zonder zand, nog geen korreltje…dat is nog eens een echte woestijn!’
‘Jij weet toch wel het fijne van woestijnen, hé Horizon’ , zei Thorvald bewonderend, ‘weet je soms ook wat van Nacht… of dat soms ook een soort van woestijn is?
‘Jazeker’ ,begon Horizon op gewichtige toon te onderwijzen:
‘Nacht is nogal de meest legendarische woestijn die ik ooit…en ééntje van heb ik jou daar, vol met afwezig licht, gloedvol duister, een mantel zacht zo als schaduwfluweel!’
Thorvald was diep onder de indruk en vroeg zich af of hij zelf wellicht ook een soort van woestijn wilde zijn…en wat voor een dan wel? Maar hier liet zijn verbeelding hem onvoorstelbaar in de steek.
Thorvald5
Ja, onmiskenbaar op weg gegaan…tenminste zo voelde het. Of was het de plotseling stroming van Oceaan waardoor het leek of Thorvald zwom? Werden de vinnen van alle vissen niet door Oceaan in beweging gebracht, dacht Thorvald, golfslag of zwemslag?
Wat was wat, wie zwom wie? Hoe kon je weten wat wat was? Het duizelde in de walvis.
Als Thorvald dacht dat hij ergens naartoe werd gezogen, dan voelde dat ook zo, alsof hij werd aangetrokken door een magneet…een walvismagneet? …of was het Plankton dat aan hem trok? Was het: Horizon?…Nacht…Immer…Maan…Oceaan…? Alles leek wel aan hem te trekken. Nu stelde hij zich voor dat Oceaan op hem sabbelde, zijn enorme lijf voelde als een zacht kwalachtig snoepje in die alomvattende grote mond van Oceaan, waar het water uitliep. Het voelde nogal hemels dus besloot Thorvald zich dat nog even voor te stellen. Wat een ontdekking, dat wat je je verbeelden kan ook zo voelt. Waarom zou je dan niet het mooiste verbeelden? ,dacht Thor terwijl Oceaan maar bleef sabbelen. In zijn verbeelding kwam hij bovendrijven precies op de waterlinie waar Horizon hem lag op te wachten. ‘Ha Thorvald, ben jij het’ ,klonk het, ‘wat ben je hier aan het doen?’
‘Oh…ik zwem geloof ik door mijn verbeelding heen en wat ik mij verbeeld zwemt weer door mij’ ,probeerde Thorvald uit te leggen, ‘en Horizon vertel, heb je die verre einder nog gevonden?’
‘Ach Thor’, je moest eens weten, ‘Ik was er al, ik bedoel hier bovenop Oceaan heb ik altijd gelegen…dit is de einder, hier eindigt Oceaan en begint de hemel…ik had het kunnen weten, maar ik kon er maar niet op komen!’
‘Geeft niks Horizon, kan iedereen overkomen’ ,zei Thor bemoedigend , ‘en sommige dingen zijn niet te ontwarren…golfslag of zwemslag…wat is wat?
Opeens gebeurde er niets, een zeer langdurig indringend niets.
De vrienden keken elkaar verwonderd aan.
‘Wat is dat?….hoor je dat?’
‘Nee, ik hoor niks!’
‘Ik ook niet, wat zou dat zijn in hemelsnaam’.
‘Ach, ik weet het misschien’ , fluisterde Horizon, ‘er is er namelijk maar een die zo niet klinkt…het is vast de Oase van Stilte’ , zei Horizon, ‘ik heb haar heel vroeger ontmoet toen ze nog met Immer samen was.’
Horizon zag dat Thorvald probeerde zich fronsend een voorstelling te maken van de Oase maar zei: ‘Doe maar geen vergeefse moeite Thorvald, deze oase kun je alleen maar niet horen…gewone oases komen alleen voor in woestijnen, maar deze Stille kan zich overal spontaan voordoen’.
Thorvald hield zijn adem in om de ongehoord prachtige Oase nooit te verstoren.
Thorvald4
Nu wilde het geval dat Immer nimmer weg was geweest. Blijvend zijn zat nu eenmaal in haar aard. Oceaan en Thorvald schrokken dus nogal toen Immer zich vanuit niets in hun gesprek begon te mengen: ‘Zeg, zoeken jullie mij soms?…ik hoorde mijn naam noemen en geroddel over mijn veronderstelde gedaante… wel zoals je ziet, een gedaante heb ik niet…daarom kan mij overal bevinden, dat begrijpen jullie toch!’
Thorvald keek vergeefs overal om zich heen om Immer te vinden terwijl Oceaan het woord nam: ‘Beste Immer, wat goed dat je ons gevonden hebt…Thorvald hier vond dat ik je iets moest vertellen wat ik vrij onlangs heb ontdekt…ik vroeg mij eerst nog af waarom dat moest…gelukkig kon Thorvald mij dit uitleggen: omdat het geen geheim is, zo zei hij het!’
‘Jaja, nou weet ik wel, kom op’ ,fluisterde Immer ongeduldig, ‘vertel op, wat is er ‘geen‘ geheim…ik heb zeeën van tijd, maar ook niets beters te doen!’
‘Nou’ ,zuchtte Oceaan die zich wat opgelaten voelde, ‘ ik bedoel dat ik door en door nat ben natuurlijk’
Als Immer een gedaante had gehad dan was hij gillend richting de dichtstbijzijnde Horizon gerend, maar nu verdroeg hij sereen de evidente ontdekking van Oceaan.
‘Luister Oceaan’ ,sprak Immer enigszins vermanend, ‘als iets geen geheim is dan kun je het beter zorgvuldig bewaren dan er over gaan kletsen met…met mij bijvoorbeeld…en is het niet opmerkelijk dat ik onlangs nog een Horizon tegenkwam die naarstig op zoek naar de einder…en nu weer een Oceaan die ontdekt dat ze drijfnat is…straks kom ik de Nacht nog tegen die vindt dat ze zwart is…er is hier wel iets heel vreemds aan de hand…dat alles maar op zoek naar zichzelf is!’ Omdat Immer geen hoofd had schudde Thorvald plaatsvervangend meewarig zijn enorme kop en dacht aan Horizon die in de verste verten naar zichzelf zat te zoeken. Oceaan dacht aan Nacht, het waren de zwartste gedachten die ze ooit gedacht had…nat en zwart…gloeiend mooi en mysterieus.
Immer was er stil van geworden en dat bleef ze. Thorvald bleef niet, hij verdween geruisloos roerend met zijn staartvin in het diepe nat van Oceaan…onmiskenbaar op weg…
Thorvald3
Volgens mondelinge overlevering lag Oceaan nog steeds in haar eigen bodem verzonken, droomdronken in innige verstrengeling met Nacht. Nacht, die aloude duisternis, die noodgedwongen wat bejaardheid betrof wel de wijste moest zijn. Het was nu nog maar een kwestie luttele momenten dat de meest prangende vraag van Oceaan zich aan Nacht zou openbaren. Die vraag betrof uiteraard: dat babbelende Nat, dat kabbelend sprak als spraakwater en hoe of dat in hemelsnaam mogelijk was? In een onvoorziene opwelling kwam deze vraag bovendrijven in Oceaan. Thorvald die zich achter de zandbank ver#chanst had zag het met één geloken oog gebeuren…
Nacht, ontvankelijk als ze was flanste van schaduwen terplekke een pasklare waan in elkaar, geheel en al in de geest van Oceaan. Dit fabelachtige Nat sprak zo vanzelfsprekend tot de verbeelding, dat Oceaan warempelsgewijs ontwaakte als zijnde het Nat zelf. Natuurlijk was ze dat altijd al onveranderlijk geweest, maar nu wist ze dat tenminste en kon ze zich ontstrengelen van wat dan ook. Nacht zag hoe Oceaan doordrenkt op haar eigen bodem lag en vertrok in haar zwarte mantel naar waar ze vandaan kwam, al wist niemand waar zich dat bevond…men dacht vooral aan de achterkant van de maan, maar dit vermoeden is nooit bevestigd. Oceaan werd even later opgetogen wakker en riep: ‘Thor… Thorvald kom eens hier jongen, ik heb goed nat nieuws!’ Thorvald die zich verdekt onder de zandbank had opgesteld zwom tevoorschijn en kwispelde zo uitgelaten met zijn staartvin dat er draaikolken ontstonden waar het plankton massale rondedansjes in deed.
‘Luister Thor, dat goede boek dat jij van buiten kent hoef ik niet meer te lezen, ik hoef voortaan alleen maar Nat te zijn’ Thorvald keek Oceaan aan alsof hij water zag branden van verlangen…en eerlijk gezegd zat hij daar niet ver naast, Oceaan stoomde opgewonden als een onderwatervulkaan.
‘Moeten dat wij dit niet aan Immer vertellen’ ,vroeg haar trouwe huiswalvis.
Oceaan keek Thorvald onthutst aan…
‘Wie of wat is Immer nu weer?’ ,
‘Wel’ ,begon Thorvald rustig uit te leggen, ‘Immer is degene die meestal vaak weet Waar iets of iemand Hier is…’
‘Ja, dat is waar het inderdaad om draait’ ,beaamde Oceaan niet zonder trots op haar schrandere huisdier, ‘Waar…Wat…Hier is, dat is de ware vraag!’
‘Maar…waarom zou Immer dit moeten weten?’ , vroeg Oceaan weifelend.
‘Nou, eh…bijvoorbeeld omdat het geen geheim is?’, vroeg Thorvald gevat.
‘Dat is waar’, moest Oceaan toegeven, ‘maar waar vinden we Immer en hoe ziet Immer er in wezen uit?’
‘Tja’ , zei Thorvald peinzend, ‘daar moeten we Immer zelf voor raadplegen en dan zien we meteen haar gedaante…dus is de vraag:
‘Waar bevindt zich het Hier van Immer?’
