Laatste naamdrager

Wij zijn schilders van huis uit. Mijn overgrootvaders schilderden al.

Nu ben ik laatste naamdrager van ons familiebedrijfje
Ik voel mij verwant aan Mondriaan, de strakke stilering van een raamkozijn.
Monochrome vlakken. Net als hij werk ik graag met tape ik plak de kantlijnen af.
Het meest ultieme moment blijft als ik de tape lostrek en de strakke rand zich toont. Zo’n vaste hand heeft niemand.
Mijn favoriete kleur is menie, oranje grondverf. Helaas moet dat meestal overgeschilderd. Ik werk alleen in opdracht. Voor vrij werk is geen markt.
Mijn wens is nog eens naar Reijkjavik te gaan waar alle houten huisjes een andere kleur dragen. De eerste keer, op huwelijksreis, was ik sprakeloos van de kleuren.Het was haar geboorteplaats als dochter van de ambassadeur in IJsland. Zij bestudeert hallucinogene korstmossen in een lab, de symbiose tussen schimmel en alg. Het mos groeit 1 millimeter per jaar.
Het verwondert mij nog steeds dat zij op mij viel, een eenvoudige huisschilder uit Bos en Lommer. Zonder aan te passen pasten wij naadloos vanaf het prille begin.

De laatste tijd heeft ze heimwee naar de lange nachten van IJsland. Ze mist de kraakheldere poolhemel. Het vuilgele stadslicht beneemt haar het zicht op de sterren. Ik zie haar ogen oplichten als ze erover spreekt.
Wat mij betreft gaan we, genoeg schilderwerk daar.
Er groeien daar korstmossen van 50 cm , vijf eeuwen symbiose.

Rekwisiet

Romanpersonages en filmacteurs zijn onmenselijke wezens/onwezenlijke mensen.
Ze hebben geen uitwerpselen en hoeven nooit te plassen.
Doen ze dat tussen de shots en de hoofdstukken door?
Ze lijken op engelen die het ook zonder toilet moeten stellen. Of zouden die het als de vogels doen?
Zelfs in ‘Birds’ van Hitchcock valt er geen vogelkak uit de hemel. Het zou de film veel griezeliger en viezer maken, levensechter. In boek en film wordt het kleinste kamertje gemeden als de pest.
Alles vindt plaats in de bovenkamer waarin alles geïdealiseerd is en mooi uitgelicht.
Het is curieus want roman en filmpersonages paren en vermoorden elkaar aan de lopende band, smeuiïg in beeld gebracht met de meest intieme details.

Het uitwerpsel is het meest verwaarloosde requisiet in de literatuur en filmwereld. Er lijkt sprake van een ongeschreven dogma, een taboe op uitscheiding.
Zou het komen door het feit dat creativiteit meestal in de kleinste kamer ontstaat,
die stille broedplaats? Zou de kunstenaar onbewust bang zijn om die heilige inspiratiebron te beschrijven, uit angst om die bron droog te leggen?

Ik ken maar één kunstenaar die dagelijks zijn uitwerpsel fotografeerde. Zijn naam ben ik vergeten maar zijn vuistdikke boekwerk met hiëroglyfen zie ik nog levendig voor me. Het ontstaan van het schrift in drukletters.

‘Gewoon’

De meubels stonden de volgende dag nog op dezelfde plaats. Dat dat ook kon. Het verwonderde hem altijd weer, objectconstantie was hem wezensvreemd. Met een binnenhuisarchitecte als moeder was permanente verandering de normale modus geworden. Ieder moment dat je het huis betrad kon de hele inrichting zijn omgegooid, herschikt, verplaatst, verwijderd. Wellicht had hij daarom zo’n hekel aan die pedante interieurontwerpers en andere gestileerde mode-iconen. Een gelukkige bijwerking was wel dat alles wat gewoon op zijn plek bleef hem diep kon verwonderen. Het had voor hem iets aandoenlijks, de onbeweeglijkheid der dingen.

Op een gegeven moment was moeder bezeten geraakt door een nieuw concept;

‘De Open Inrichting’ ze las het in haar vakblad ‘Gewoon’

Deze ‘beweging’ had de focus ‘minder is meer’ , de ruimte zelf als voornaamste meubel… Een interieur diende uit te blinken in sobere kaalheid.
Het een na het andere dierbare object verdween uit ons huis. Niemand wist waar de huisraad bleef.

Nu woonde hij voor het eerst alleen. Zijn eigen huis was niet ingericht, net zo min als hij zijn eigen leven had ingericht. Een oningericht leven wilde hij met de laagst mogelijke organisatiegraad.
In dat laatste slaagde hij wonderwel door nalatigheid en geoorloofd falen.

Voren

De plooien in de pasgewassen gordijnen
lijken helemaal niet op voren in de akker van mijn jeugd
en ook niet op de gefronste voorhoofden van zorgelijke ouders die planten goedbedoeld verdronken of verdroogden.

De plooien lijken nog het meest op rimpelingen in de geest
die vruchtbaar braak liggen als voor het eerste begin,
overwoekerd met wonderlijke onkruiden.

Nooit de behoefte gehad voren te trekken of om het prille begin te verstoren.

Onkruid heeft aan zichzelf genoeg en voedt al wat grazen wil.

Aan/Uit

Het leven van een minister is hectisch. Haast lijkt een gebod van een nerveuze god.
Verkeer en Waterstaat was niet zijn keus, het bleef als wisselgeld over in de onderhandelingen. Zijn leven staat nu plotseling stil, zo rond middernacht in de uitgestorven polder wachtend op het stoplicht dat groen licht zal geven. Het groen blijft uit. Het moment duurt tergend lang zonder opgaaf van reden.
De kruising gaapt verlaten. Er is spoedoverleg in de kamer.
De camera aan de paal houdt de minister onder schot, een zacht wapen. Zelfs de baas weet nooit of de camera aan staat, zijn eigen beleid: de morele dwang van het alziend oog werkt, aan of uit.

Een maand later valt de bekeuring in zijn brievenbus, ambtelijke goden scheppen traag. De roofdieren van de media krijgen er lucht van en bijten zich vast in de zaak.
De camera toont beelden geschoten van een man die zijn nummerbord afplakt met een grijze vuilniszak, de auto scheurt zonder licht weg door rood. De zak waait los van de kentekenplaat. Het alziend oog ziet niets door de vingers. De minister kruipt vergeefs door het stof.
De verklikker van het stoplicht blijkt achteraf kapot te zijn. De bewindspersoon komt met de schrik vrij en mag aan blijven.