Zonder inrichting

Het was een bijzonder gezin om in op te groeien, omdat de gezinsleden elkaar achter hun rug om allemaal voor gek, niet toerekeningsvatbaar, ziek, zwak, labiel verklaarden. Wanneer ze dat deden wist je dat ze dat ook over jou vertelden. Wat ze over je bekokstoofden wist je niet maar dat ze het deden was glashelder, ‘niemand was te vertrouwen’ luidde de onderhuidse boodschap.
Je moest als jongste iedereen ontzien en doen alsof jij de oudste en de wijsste was.
De dagelijkse spanning die dat opriep was dagelijks te snijden. Je moest goed op je woorden letten. Kolen en geiten sparen om de onderliggende wolven in slaap te sussen.
Vermijden was de modus operandi. Een verkeerde formulering kon de beerput al openen. Moeder liep zo krijsend de deur uit om uren later op gekwetste hangende pootjes terug te keren.
Het is uitzonderlijk om in de gesloten inrichting van het gesloten gezin op te groeien, met een geheime achter-de-rug-diagnostiek en geen andere behandeling dan zachte dwang en vermijding van open direct contact. Geen geneesheren over de vloer, alleen de zachte heelmeesters die de stinkende wonden proberen toe te dekken.
Het duurt een tijdje tot je beseft in een gekkenhuis op te groeien. Dan wil je zo snel mogelijk ontsnappen uit het gesloten systeem.

Eenmaal buiten merk je zoetjes aan dat je nu in een open inrichting terecht bent gekomen. Talloze diagnoses kun je hier krijgen, gratis stigma’s. Geen geneesheren maar receptenschrijvers die je een enkele reis aanbieden naar hun ‘pillenparadijs’.
Wil je geen grootafnemer worden van hun pillenindustrie dan rest je geen andere weg dan de weg naar binnen. De binnenweg naar ‘het minste geringste’ waar je weg bent. Deze weg ben je door weg te wezen. Het is een ruimte zonder inrichting.

Birhammer

De Noorse norse topcoach Gunnar Birhammer was zelf duidelijk veel te dik. Als een vadsige beer liep hij langs de sintelbaan, naast het bad of hing aan de touwen van de boksring.
Hij zei niet veel, maar als hij sprak dan brulde hij als een wild dier oneliners. Er ging dan een siddering door het hele trainingskamp.
Niemand wist precies in welke sport hij ooit had uitgeblonken, kogelslingeren?
Birhammer had de naam all-round te zijn en coachte alle disciplines die aan zijn onmenselijke eisen konden voldoen.
Wat hij precies ‘deed’ met zijn pupillen bleef raadselachtig, maar hij was keihard met zijn granieten grijns.
Wie te laat kwam kreeg domweg een klap voor zijn kop of meerdere klappen.
‘Hoe kun je een toptijd bereiken als je niet op tijd bent om te vertrekken?’ brulde hij als rechtvaardiging.
Wie na de klappen enige verontwaardiging liet blijken kon meteen vertrekken. Blijmoedig incasseren was de ongeschreven wet om de eer te mogen proeven om te mogen trainen onder Birhammer.

‘Incasseren is mijn geheim, wie deze klappen van mijn zweep niet kan verwerken wie kon dan straks de klap aan als hij slechts tweede wordt of nog erger?’
‘Ik eis van mijn atleten dat ze de slechtste verliezers zijn, daar begint het mee!’

Zelfs als je won stond Gunnar je bij de finish op te wachten om je een klap te geven, right in the face:
‘Niet indutten nu, niet verslappen, wakker blijven’, je bent maar een winnaar, sul!’

‘Sport is een ladder!’ onderwees hij ongevraagd aan de verzamelde sportpers: ‘Het gaat alleen om de hoogste sport van de ladder, de ladder zelf leidt nergens toe, alleen een recordtijd is de hoogste sport, daar beginnen we, dat is onze laagste trede, anders kom je nooit hogerop!’

Soms sloeg hij een beetje door met controversiële uitspraken als; ‘Angst is snelheid, doodsangst is een toptijd’
Maar de resultaten stelden hem in het gelijk.
Bij elk nieuw wereldrecord stond er in chocoladeletters in de krant: ‘DE BEER SLAAT WEER TOE!’

Het minste geringste

De meeste mensen gingen op vakantie om meer te zien van de wereld, meer natuur, meer musea, meer steden, culturen, mensen. Wij echter wilden kennelijk minder zien van de wereld… Bij Groningen nam ‘het’ al wat af. Denemarken was minder, Zweden werd hoe noordelijker je klom minder en minder.
Pas toen we Lapland naderden, (Jokkmokk en Kiruna) begon het echt nergens op te lijken, dat beviel ons.
We waren achttien, net rijvaardig en ambitieus in het verkennen van het minste geringste. In één vloeiende rit reden we door, dag en nacht.
Er was op papier in deze hogere contreien niets te beleven voor jongens in de barstende knop van hun leven. Hoe minder we tegenkwamen des te meer genoten we van de naakte niksigheid. ‘Verveling per strekkende kilometer, heerlijk!’
Mijn reisvriend was droog als een eeuwenoude korstmos.
Hij bezat het natuurlijke flegma van de skandinaaf.
Zijn idool was het onderkoelde enigma Björn Borg, die later een onderbroekenimperium stichtte.
Mijn idool (Lau-tse) hield ik wijselijk geheim, een taoïst zou zich nooit taoïst noemen. Wie hem zegt te kennen kent hem niet.

Mijn vriend studeerde natuurkunde, we spraken veel over ‘kleinste deeltjes’ en de ondefinieerbare oersoep waar ze spookachtig uit opdoken en weer in verdwenen. Het minste had ons het veel te zeggen, we hadden geen weerwoord.

‘Luisteren kan niet verbeterd worden’
(dit euforisme kwam niet uit de Tao Te Tjing)

Hij kon goed luisteren, zelfs als hij sliep.
Thuis denderde er om het uur een nachtbus langs zijn slaapkamer. Toen deze buslijn werd opgeheven ontwaakte hij steevast door het ontbrekende geluid. In verwondering zat hij klaarwakker in bed. Stilte in de vorm van een afwezige bus.
Een mooiere openbaring van het minste geringste kun je je nauwelijks wensen.

Fugax

Het komt niet iedere dag voor dat privé de zon verduisterd wordt. Een maand geleden gebeurde het. Er had niets over in de krant gestaan en niemand anders dan ik leek het op te merken. Op klaarlichte dag lopend met mijn hond. Terwijl ik naar de zon keek verbleekte zij. Verbleken is geen adequate voorstelling, ze loste gewoon op in de snelvergrijzende omgeving, binnen een minuut was ze weggevallen in het pikkedonker. Wat opviel was dat haar nabeeld er ook niet was. Totale duisternis. Er brandden overdags ook geen straatlantaarns zodat ik blindelings mijn weg moest vervolgen naar huis achter de hondenneus aan.
Thuisgekomen deed ik het licht aan, nog steeds geen beeld.
Toen ging ik mij pas echt zorgen maken. Ik voelde mijn hond aan mijn hand snuffelen en vroeg hem, ‘Ben je een blindegeleidehond geworden?’
Acuut met blindheid geslagen. Op de tast probeerde ik iemand te bellen, lukraak drukte en veegde een ik over het schermpje.
Ik wachtte in spanning wie er zou opnemen.
Een medewerkster onderhoud van de woningbouwvereniging legde mij uit dat er echt geen zonsverduistering was en adviseerde om mijn ogen na te laten kijken. Op mijn verzoek bestelde ze een taxi naar de ziekenhuis, spoedeisende hulp.
Het eerste wat ik weer zag was een paars gewei van een pluche eland. Het moest wel Rudolf zijn vanwege zijn rode neus. Thuis probeerde ik mijn hond te troosten tevergeefs. Hij was al uitzinnig blij mij te zien.
De arts had een latijnse term genoemd,..dabadabada Fugax.
Alleen fugax had ik onthouden, het betekent ‘van voorbijgaande aard’
De eland herinnert mij nu aan Kiruna, Noord-Lapland waar ik was om de zon niet onder te zien gaan.

Leverworst

Pa van Geenen was geen moppenverteller,
hij was meer een praktische joker, handelende grappen.
Deze flauwe mop is mij bijgebleven, waarom?

Meneer Bakker dacht dat hij een leverworst was en werd ontslagen uit het gekkenhuis, genezen verklaard.
Samen met de geneesheer directeur wandelt hij rustig de poort uit waar aan het hekwerk een mopshondje staat aangelijnd.
Plotseling springt hij in de armen van de directeur, totaal in paniek bij het zien van de hond.
“Maar meneer bakker”, zegt de geneesheer, “U hoeft niet bang te zijn…u weet toch dat u geen leverworst bent, daar bent u toch voor behandeld!”
“Ja natuurlijk!” zegt Bakker, “Dat weet ik wel, maar die hond weet dat toch niet!”

De mop nodigt ons uit om Bakker uit te lachen, of heeft Bakker een punt?
Is dit alleen een flauwe mop of tegelijkertijd een onbedoelde parabel voor de open inrichting waar we samen in leven?

We weten nooit wie we tegenover ons krijgen,
welke projecties we op ons geplakt krijgen van de ander.
Het is helaas een zeldzaamheid als je tijdens je leven een paar keer werkelijk gezien wordt en dat jij werkelijk iemand mag zien, al het gelul over communicatie ten spijt.

In het gunstige geval weet men niet wie of wat je bent, dan is er nog even de openheid van het niet-weten waarin zich iets wezenlijks kan tonen.
In het ergste geval, in de meeste gevallen wordt je voor een ‘leverworst’ aangezien of compleet genegeerd.
Voor een leverworst worden aangezien komt verreweg het meeste voor, zo vaak dat je dat gerust ‘normaal’ kunt noemen. Normaal is een ander woord is voor tragisch.

Deze eeuw van de communicatie kan wel eens de geschiedenis ingaan als ‘de eeuw van het nietszeggende gelul’. Dat wil natuurlijk niets zeggen.

Bestaat er dan ook subliem gelul?
Natuurlijk, gelul dat sublimeert,
een parabel bijvoorbeeld.

Calzone

Walter Calzone, (geen familie) autodidact private-investigator ontdekte dat hij altijd achter de feiten (lees:de lijken) had aangelopen.
Het naakte feit is een overleden gebeurtenis.
Walt besloot in het diepste geheim om zijn vakgebied radicaal te innoveren. Voortaan zou hij alleen nog preventief rechercheren. Nog vòòr er een moord gepleegd werd zou Calzone ingrijpen. Zijn eerste casus werd onbedoeld zijn eigen binnenhuisarchitect Roy Virgin, een aalgladde designjongen die hem was aanbevolen door een ex-cliënte met een slechte smaak (rococo)
Waar had je anders zo’n wonderboy voor nodig.
Er was niets op de jonge designer aan te merken, hij leek perfect ontworpen, bijna zonder eigenschappen, klare lijn,
van de school minst is meest. Transparant als een bril zonder glazen.
Walt liet zijn hele huis door Roy inrichten, zonder enige wrijving nam hij de wensen van Roy over.
Calzone vertrouwde blindelings op Virgin die hem deed denken aan de beste versie van hemzelf.
Pas toen het huis klaar was begon er iets de dagen en te knagen…

Calzone kon er geen vinger achter krijgen… tot het gebrek aan aanwijzingen hem duidelijk maakte dat dat het nu juist was:
Zijn villa zag er vlekkeloos uit, klinisch, alles slim weggewerkt, geen snoeren , geen leidingen, geen sporen. Geen enkel spoor van leven… Walt besefte; "Ik heb de perfecte moordenaar ingehuurd.Hij had Roy sleutels gegeven, geld, carte blanche, in blind vertrouwen.
Ik ontwerp gewoon zo als ik zelf zou willen wonen en leven, het is alsof ik mijn eigen huis vormgeef had Roy meerdere malen verzucht als hij net weer een aspect van het huis had vervolmaakt. Ik ontwerp levens!
Nu was de cruciale vraag: op wie had de vormgever het voorzien?
De rillingen liepen de Calzone over de rug. ‘Hoe had hij zo naïef kunnen zijn?’
‘De gladjakker had het natuurlijk op hem voorzien’.
‘Eerst je huis inrichten op kosten van je toekomstige slachtoffer, hem inpalmen, sleutel aftroggelen’.
Wie weet was zijn computer al ongemerkt gehackt, zijn eigendomspapieren op Virgin’s naam overgeschreven?
Nee, dat zou vroeg of laat aan het licht komen.
Het plan moest nog gehaaider in elkaar steken…Roy was natuurlijk bezig zijn identiteit te kraken, zijn eigen bovenkamer, om die naar eigen inzicht in te richten.

Vannacht droomde Calzone dat hij door het sleutelgat van zijn eigen bovenkamerdeur tuurde om de insluiper op heterdaad te betrappen.
Er was niets te zien, het zweet brak hem uit. Wat betekende het dat hij zich tijdens dit gluren buiten zijn eigen bovenkamer bevond? En dat daarbinnenin niemand thuis was?
Hoe hard hij ook bonkte op de deur, geen gehoor. Walt droomde dat hij niet wakker kon worden, tot Roy hem in het gezicht sloeg om hem bij bewustzijn te brengen.

Stinknieuw

Hij had er kennelijk geen zin meer in.
Hoe ik hem ook aanmoedigde, hij bleef roerloos op z’n buik liggen.
Nu lag hij eerlijk gezegd wel vaker op z’n kale buik ergens in een hoek, lamlendig. Zijn tandeloze zuigmond vertoonde een raadselachtige grijns.
Er zat geen energie meer in, misschien was hij definitief fysiek opgebrand, burned-out? Zijn slurf was trouwens ook op diverse plekken lek en meerdere malen met goedkope tape omwikkeld. Hij leek steeds meer op een gewond dier van kunststof. Stond jaren op een streng diëet van huisstof en straatgruis.
Mijn echtgenote vond mij in verlegenheid bij het stoffelijk lichaam van onze overjarige huisvriend. Ze oordeelde onverwacht hard en onomwonden, waar hij bij was nota bene! ‘Hij moet gewoon weg, versleten, koop maar meteen een nieuwe!’
Ik voelde plaatsvervangende pijn, zomaar te worden vervangen omdat je even gewoon geen zin meer hebt…

Met tegenzin zette ik mij ertoe om het huis te verlaten om een nieuw exemplaar te bemachtigen.
‘Doe gewoon hetzelfde merk, en zonder zak graag!’ riep mijn vrouw mij nog luchtig na.

Een half uur later was ik terug met de nieuwe zuigeling, zakloos. Zo vers uit de doos stonk hij naar plastic, stinknieuw.

‘Stop de stekker er maar in hoor!’
‘Die zit er al in hoor, zuigen maar!’
‘Hij doet anders niks hoor, drie jaar garantie…’
‘Hoor nu eens slimmerik, niks doet het, geen licht, heb je de stoppen weer eens laten doorslaan?’ ‘Nee, hoor!’

Buurman belt aan. De hele wijk zit al een uur zonder stroom. Wanneer de stroom opeens aanflitst begint onze oude zuiger plots te loeien als een koe die terug in de wei mag.
Zijn splinternieuwe soortgenoot staat nu op het balkon om te luchten, tot de ergste stank er vanaf is. We besluiten de oude eerst op te zuigen. De nieuwe moet nog worden ingezogen.

Bodemschatten

Je moet er wel uithalen wat er in zit!

Waar moet je wat en waar uithalen… en van wie… en waarom… en wanneer?

Uit het leven, alles eruit halen wat er in zit, daarom, nu!

Wat zit er dan in?

Alles zit er in, maar het komt er niet altijd uit.

O, dus leven is een soort mijn waar wat in zit en dat moet je eruit halen, een soort mijnbouw, jaja…

Zoiets ja, snap je het nu?

Maar waarom moet je het eruit halen, het kan toch ook blijven zitten, het zit er toch niet voor niets.

Nou, als je het er niet uit haalt, zit het er wel voor niets, dan heeft niemand er iets aan.

Is toch ook goed, anders krijgt je maar grondverzakkingen, aardbevingen!

Ik heb het over het beste uit jezelf halen, laat ik het dan zo zeggen.

Luister, van de miljoenen zaadcellen die je eruit haalt wordt er maar 1 een mens of geen! En van de miljoenen boomzaden die elke boom uitzaait is er maar 1 die tot volwassen boom groeit.

Wat wil je daar nou mee zeggen?

Nou, dat leven een spontaan gebeuren is dat zich elk moment ontvouwt of niet. Dat juist de dingen die niet gebeuren en niet plaatsvinden de voorwaarden scheppen waarin dingen organisch kunnen opkomen.

Daar zit wel wat in, maar je moet toch….?

Niets moet, snap je, dwang maakt het spontaan laten ontstaan kapot, wat echt noodzaak heeft ontkiemt vanzelf.

Maar je kunt geluk en voorspoed toch afdwingen?

Ik wens je veel geluk toe bij je pogingen.

Jij vindt het blijkbaar een hopeloze onderneming?

Mijnwerkers zijn echt geen vrijwilligers hoor, ze worden de mijnen ingestuurd omdat het moet. Ze zijn blij als ze de zon weer zien en frisse lucht ademen en wat graven ze nou helemaal op? Molshopen!
Een mens is toch geen mol?

Wat is de mens dan?

Een grasmaaier!

’t ongeval die al lekt?

Dag mijnheer, wij zijn van het streekjournaal, kunt u ons iets vertellen over de plaatselijke tongval zoals die hier in deze streek gebezigd wordt…is het nu een tongval of een dialect?

’t ongeval die al lekt? Jubbe doelde tahol?

Inderdaad ja, ik doel op de taal!

Jawaai spraaike honderul kaag holtaait guwwehoon honse aaieguh tahol. Dassein wuh na weemaal vanhoutzer zowuh guwwent.. Kaaikof fandurre ons tannog fursthaan jadah kannons aaigeluk geemhoerscheluh waaitjuh, ettizze guwwehoon onzeiguh dialahekt, dattuh moejuh guwwehoon respetirruh!

Respect, dat klinkt heel plausibel, taal is een mooi middel om je als streek of buurt te onderscheiden van andere streken en buren, maar taal is toch ook een middel om helder te communiceren?

Nah, ik kom u niezeer togzaaiker met uw…
off begraaipuh waaimukhaar somsnie heelmaal?

Nee, ja…ik versta u heel goed, het duurt alleen even wat langer voor ik het begrijp wat ik denk te horen.

Naai, zumagguh bestis wammoeite doen ommons te volleguh, wantuttis swel kulthuurheel errufgoed niewaag, honzuh dierbaruh mehoedertaal mehoedwel balijve best haan. Azwei hutniedoen wietoetuttan, niemantog?

Nee, uiteraard niet, dat zou doodzonde zijn.
Eigenheid verdient het om te worden gekoesterd!

Somaggikkut grahgore, nee dasseggik!

Maar nog even; is het nu een tongval of een dialect?

Naai, jemoettut guwwehoon sienals un eiguh tahol’

Dank u wel, voor uw toelichting!

Ach, daggeef tog niksjoh!
Komput tarahouwons op duh gadio?

Jazeker, met ondertiteling.