Zombionisch

De aard van een echt geheim is dat het niet verklapt kan worden.
Niemand kan dat geheim bewaren, laat staan verklappen.

Een verklapt geheim is geen echt geheim geweest
Het leek er alleen maar op, om je te manipuleren.

Het is de belangrijkste taak van onderwijs om echte geheimen over te dragen.
Niet om ze op te lossen, maar om ze te koesteren als bron van waarde.

Echte geheimen hebben een functie, het onbekende als factor is broodnodig.
Het dient als referentie voor alles wat wij weten of denken te weten, een ijkpunt.
Stel dat je alles zou weten, dat er geen geheimen meer zijn.
Alles zou verklaard zijn, voorspelbaar, maakbaar, gedetermineerd.
Dan zou alles een keuze zijn en men zou eenzijdig voor het aangename,
het ‘mooie’, ‘goede’ kiezen.

Ongedompeld zijn in het louter aangename zou wel eens een zeer onaangename
en doodse ervaring kunnen zijn.
Levend begraven in luxe, geen verschil, geen diepte.
Er lijkt een diep verlangen te zijn naar het perfecte zombieschap.

God schiep de mens naar zijn evenbeeld, de mens schiep vele godsbeelden.
Nu mag de deterministische wetenschapper scheppen naar zijn evenbeeld,
de zombionische mens is in de maak.

Benulspul

Wij zijn allemaal van hetzelfde spul.
Hoezeer we uiterlijk ook verschillen
zijn we wezenlijk één pot nat.
Ook al weten we niet wat dat natte spul precies is,
het duidt erop dat het met weten te maken heeft.
Wellicht op dezelfde wijze als het feit dat water nat is.
Kortom: Het spul heeft benul.

Zomaarzijnde

Waarom schrijven als niemand het zou lezen?
Je schrijft omdat het niet moet, voor niemand,
je schrijft datgene waar niemand op zitten wachten.

(wat men niet wil lezen, dat wil je niet weten)

Schrijven heeft geen nut, geen zin, geen doel.
Niet in de zin van nutteloos, zinloos of doelloos,
maar in de zin van vrij van nut, vrij van zin, vrij van doel.

Schrijven moet niet, wat niet moet is een roeping.
Het onnodige, overbodige roept om beschreven te worden.
Het opmerkzame geeft daar gehoor aan en woorden.

Stel je voor dat je zou schrijven wat ‘men’ wil lezen.
Je zou de bekende weg plat treden,
de groef van de mechanische gewoonte nog dieper maken.

Dit openbaar geheim viert het zomaar zijnde dat zich
overal in openbaart, nergens is het niet.
Wat er allemaal niet is, dat wil je niet weten.

Zwemlicht


Haar melkgeschenk duurt al eeuwen.
De bron blijkt onuitputtelijk.
Een melkstroom vult de kamer.
Zij die ons dit schenkt blijft onbewogen getuige,
(zonder ook maar even te geeuwen)
getuige van deze maagdelijk witte stroom melklicht.
Wij zijn het wakkere in iedere droom.

We zwemmen in dit licht, het is nergens niet.

Melklicht

Vermeer schildert melklicht.
Ik zeg bewust schildert, want het is steeds nu dat dit levende licht schijnt. Het is dik licht, melkmist, alsof je het kan snijden tot plakjes gedicht.

Dit licht lijkt tastbaar, stil beneemt ze het zicht op de dingen.
Ze toont zichzelf hier zo schijnt het, maar kijk je beter dan besef je het zicht. Niet het zicht van ogen, maar het kennende vermogen,
onzichtbaar en blijvend aanwezig.

Het lichtste kan niet gewogen.
Laat staan, te zwaar bevonden.

Morsmelk

Na eeuwenlang gerichte aandacht morst
het melkschenkende meisje.
De schilder van Hollands meest hemelse daglicht
legt de melkvloed vast in loodwit craquelé.
De schildersblik is nu eindelijk gelest,
de jonggestorven oude meester
verging van de dorst.
Het poseren is voorbij, het meisje mag gaan.
Ze loopt door het straatje van Vermeer naar huis.

Zwaluwvuur

Het vuur van de herinnering brandt altijd nu.
Elk verleden wordt nu op dit moment opnieuw actueel of niet.
De zwaluw van de lucifers doet mij een verjaardag herleven, als ik een vuur maak.
Twintig jaar geleden, fietsend op een nieuwe fiets over de dijk van het Nesciaanse Durgerdam richting Uitdam.
Windje mee, ik hoefde nauwelijks te trappen, na de laatste dijkhuisjes van Durgerdam vloog er opeens een hele zwerm zwaluwen kilometers met me mee tot aan het gemaal van Uitdam.
Ze zwermden ruisend naast en rondom mij, het begin van zomaar een zomer.
Even werd de ambitie die ik nooit had gekend vervuld, een zwaluw te zijn.
Het zijn de beste ambities, die zich spontaan waar maken, ze ontbranden vanzelf.
Het mooiste verjaardagsgeschenk kwam van de zwaluwen.
De zwaluw op het luciferdoosje herinnert mij altijd aan die fietstocht
en aan de brandende ambitie om vuurtjes te stoken.

Autoïsme

Motorrijders van bepaalde merken groeten elkaar. Hetzelfde merk schept kennelijk een band. Wij worden soms in onze auto begroet door wildvreemden, ze herkennen ons niet maar wel de auto, hetzelfde type als die waar hun zielsverwant in rijdt. Wij zwaaien dan opgewekt terug al zie je ze soms schrikken wanneer wij niet aan het signalement blijken te voldoen. Alsof de band dan opeens leegloopt, geen verwantschap. een rare verwarring van mens met auto.
Het feit dat we allemaal in zo’n eigenaardig vlezig voertuig als het lichaam rondreizen zou toch genoeg moeten zijn om verwantschap te voelen. Ook al weet je niet wie of wat er in het vel zit, je kunt het voertuig toch begroeten. Op het platteland gebeurt dat meestal vanzelf. In de stad is groeten een ongewenste intimiteit, discreet negeren geldt hier als een kenmerk van beschaving.
Menselijk verkeer kent vele ongeschreven regels, onontcijferbare codes. Toon mij uw gebruiksaanwijzing en ik zal met u communiceren.

Bewuste naïviteit


Het leven is mooi, maar het kan beter niet weten dat het mooi is. Zoals mooie mensen beter niet kunnen weten dat ze mooi zijn. Ze worden er niet mooier van, kijk maar eens in glimmende modebladen.
Slimme kinderen kunnen beter niet weten dat ze slim zijn,
het is niet altijd slim om de slimste te willen zijn, soms zelfs dom.
Bewuste naïviteit is niet te realiseren zonder dat wat gegeven is te relativeren.
Je kunt mooi zijn, maar het volkomen onbelangrijk vinden en meestal niet ter zake doende, en al zeker geen persoonlijke verdienste.
Zo is het leven nog veel mooier als ze het niet weet.
Natuurlijk is het leven niet alleen maar mooi, dat zou plat zijn.
Het is ook tegelijkertijd verschrikkelijk.
We zouden niet weten wat mooi is zonder de verschrikkingen.
Alles draait om heelheid.
Daarom is het leven verschrikkelijk mooi, zonder het te weten.
Als je bewust naïef leeft kan het een ultieme beleving zijn om simpelweg op te staan, te douchen, de zon te zien, de ochtendlucht te ademen, iets te kunnen eten, drinken. Het paradijselijke is te evident om te kunnen ontdekken.
De bewuste naïeveling hoort op het nieuws dat de wereld vergaat en plant die dag een boom.

Knoestige blikken (kleine skandinavische roman)

Knoestige blikken (kleine skandinavische roman)

Van alle kanten keken ogen hem strak aan.
Alsof een houten god hem in de gaten hield.
Van onderaf zagen de vloerknoesten hem, vanuit de wanden gluurden ze,
vanaf het plafond vielen de knoestige blikken op hem neer.
Hij keek ze recht in de ogen, om de beurt, de hut leek bezield.
Sommigen huilden tranen van hars, je kon ze ruiken, de geur van pijnbomen.
Anderen leken te knipogen als hij even niet keek.
Hij voelde zich gezien, onaangenaam gezien.
Pas toen hij de haard aanmaakte stopten ze met loeren.
Ze leken niets meer van hem te willen weten.
Niet weten was nog steeds weten, zelfs vergeten was nog weten, van nergens.
Schijnbaar onaangedaan staarde hij in de ontembare vlammen.
Die nacht droomde hij over fjorden die zacht zongen.