Uncategorized
22 August, 2015 07:29
Natuurdressuur
De hond houden we aan het lijntje.
De vis houden we in de kom.
De vogel zit in een mooi kooitje.
De bloem zetten we op in een vaas.
En het kind sturen we naar school.
De hond bijt zijn lijn door.
De vis springt uit de kom.
De vogel zit stom mooi te wezen.
De bloem vergaat als een lek schip.
Wat leert het kind hiervan?
Spelen als een jonge hond?
Zich voelen als een vis in het water?
Zomaar zingen zonder reden?
De schoonheid van het laten zijn?
Olimug
De schop schept mogelijk heden,
ze schept verwachtingen,
schept precedenten,
schept ruimten,
schepsels.
Uit niets schept ze kuilen, verzet ze bergen,
ze schept muggen en olifanten, reusachtige dwergen.
Al doe je nog zo je best om van olifanten muggen te maken
ze blijven je prikkelen en jeuk verspreiden,
sterker nog: al deze vergeefse moeite is de jeuk.
Scheppen is krabben waar het jeukt.
Kunst is de korst die afvalt na het helen.
Faalmacht
Zal het meest openbare wonder opbranden of uitdoven?
Ze brandt nu al eonen op, op wat brandt ze?
Ze dooft zo traag als een dode slak,
Zo glorieus faalt ze om te sterven.
Ze faalt zo prachtig, machtig.
Is zij van ons of zijn wij van haar?
Soms vraagt men zich af, wat is het nu?
Dat is zij natuurlijk, het altijdige van de tijd.
Tot waar reikt haar huid van licht?
Tot onze huid en daar voorbij.
Nooit keert ze haar gezicht van ons af,
wij keren haar ’s nachts de rug toe.
Zelf heeft ze geen voorkant of alleen maar voorkant?
Alom rondstralende zonderlinge zon.
Bloemachtig
Ach, de dronken hommel,
ziet geen verschil tussen bloemetjes
en een bloemetjesjurk, arme drommel,
ijverig en vergeefs bezoekt hij het bloeiende katoen.
Bloesem wandelt door de tuin met mijn liefste erin, verstopt.
(de hommel in mij ontpopt)
Toevalslot
‘Het is geen toeval dat er toeval bestaat’ zei de determinist.
‘Ik moet dit helaas wel toegeven want alles is nu eenmaal voorbeschikt, evenals het feit dat ik geen vrije wil heb,
hoe graag ik het ook anders zou willen en geloof me,
ik zou zo graag een vrije wil hebben, maar hoe sterk ik het ook wil,
het wil niet, het lijkt erop dat het meer wilskracht heef dan ik’

Slaapwake
Al slapend ontwaken we in een lijfloos domein.
Zonder voeten stappen we uit ons ruimtevoertuig.
Zonder hoofd kunnen we ons alles verbeelden te zijn.
Zonder zintuigen zijn we buiten zinnen.
Zonder mond delen we alles mede.
We horen de ziel het ongehoorde zingen.
We worden er wakker van, het zingt zich rond.

Het ruimteravijn
Ooit leefde ik minderjarig twee weken in Valkenburg, het was dat jaar de heetste zomer. Boven waren de mannetjes net op de maan geland om hun vlag te planten. Een reuzensprong voor de mensheid, zo heette het.
Maar wat is de ruimtevaart anders dan een sprong in het ravijn tussen de zwevende bergen, die planeten heten.
Beneden in het dal van het stadje liep ik omvat door een zinderende hitte en zag in de etalage van een speelgoedwinkel hoe het plastic speelgoed smolt tot vormeloze klonten, voormalige speelgoedauto’s, poppetjes. Het maakte diepe indruk op mij, veel meer dan de hele maanlanding. Dat nieuwe begeerlijke dingen in een winkel door de magistraal stralende zon op klaarlichte dag tot wanstaltige rommel kon smelten.
Vanaf die tijd zag ik niet alleen de dingen maar ook hun toekomstige teloorgang.
Van de dingen moest je het niet hebben, de niet-dingen begonnen mijn aandacht te trekken.
Wat was Nasa anders dan een extreem dure speelgoedfabriek voor mannetjes met jongensdromen. Met het ruimtevaartbudget had het paradijs op aarde gerealiseerd kunnen zijn. Helaas is het paradijs geen financieel probleem, het is onbetaalbaar en gratis.
De grote ruimtevaartdroom lijkt om planeet aarde te verlaten als een zinkend schip en onleefbare planeten te koloniseren, een spannende jongensdroom. De oplossing buiten zoeken voor een probleem dat binnen ligt.
Het zou een reuzensprong zijn om de rotzooi van binnen op te ruimen en geen nieuwe rotzooi meer toe te voegen.
Nog steeds bewonder ik de zon als het ruimtevaartuig waarmee wij door het zonnestelsel reizen, zonder zon hadden wij nooit op aarde kunnen landen.
Onbezetene
‘U bent genezen verklaard’ verklaarde de psychiater opgewekt.
‘Mooi is dat’, klaagde de voormalig patiënt.
‘Eerst was ik Napoleon, toen Jezus en nu ben ik niemand’.
‘Ja, geweldig nietwaar, nu kunt u weer gewoon verder leven’.
‘Maar het voelt wel als een verlies, het verlies van een vriend’.
‘Dat klopt, want u bent twee niemanden verloren, Napoleon en Jezus’.
‘Nee, ik bedoel u, ik verlies u toch, als steun en toeverlaat?’.
‘Ach, maar u kunt buiten kantooruren gewoon blijven langskomen hoor’.
‘Wat aardig van u, ik betaal er wel gewoon voor’.
‘Dat zal niet gaan, helaas, alleen patiënten kunnen betalen.
‘Moet is dan ook nog afscheid nemen van de patiënt in mij?’.
‘Als u geduldig bent vertrekt de patiënt vanzelf’.
‘Als ik geweten had dat genezing alleen maar tot verlies leidt
zou ik hier nooit aan begonnen zijn’.
‘Bezit is een illusie, vandaar dat we van bezetenen spreken’.
‘Maar illusies zijn toch ook mooi’.
‘Zeker, prachtig zelfs, zolang ze jou niet in bezit nemen’.


