Fiets

Wie had nooit kunnen bedenken
dat vrijheid ging betekenen,
een vrij zijn van dat armzalige
concept vrijheid, en juist daarin
verbonden met wat dan ook?

Wie zou ooit ontdekken
dat betekenisvrij ‘n fris aquarium is
waarin elke vis van betekenis
vrijelijk kan zwemmen?

Niemand zou er achter komen,
pas als er onverwacht vanuit niets
zich ‘n hemel zonder inhoud openbaart
licht er mogelijk het flauwe benul op van,
ach, natuurlijk op die fiets…

Rauhfaser

“Het Syndroom van Rauhfaser”, zo luidde de officiële diagnose.
Acute allergische symptomen bij elke vorm van behang…
uiteindelijk resulterend in een rouwfase.
Waarom mocht een muur niet gewoon muur zijn
en er uitzien als een muur, desnoods ongestuct, rouw en ruw?
Dan was er nog dat klankbehang, die alomtegenwoordige terreur
van muzakpulp die elke stilte tergend traag verwurgde samen met
het borreltafelbehang, dat loze gezwatel om aan het woord te blijven
en verhulde dat men niets te melden had.
Zoals bij zovele syndromen kon je je afvragen:
Wat het eigenlijke probleem was, de kudde of het zwarte schaap?
Was het normale niet de ziekte en het abnormale een gezonde weerstand?
Maar niemand leek zich iets af te vragen.
Alsof er een behang van zwijgen…

Vensterbank

Zo, vandaag de horizon netjes platgeschaafd en vlakgeschuurd.
Was wel even een klus, maar die hinderlijke kromming is nu zo goed als weg.
De wereld een betere plek maken…daar is het ons om te doen.
We vorderen gestaag op ons pad.
Zo’n horizon is toch ergens de vensterbank van het landschap nietwaar,
dus dan wil je wel dat de dingen daar stevig kunnen staan,
niet wegglijden en over de rand vallen.
Vroeger dacht men nog dat de aarde rond was,
maar op dat front boeken we nu veel vooruitgang.
We ontmoeten veel weerstand van mensen die het wel mooi vinden
precies zo als het is, maar daar win je de oorlog niet mee.
De wereld kan altijd verbeterd.
Vorige jaar nog het laatste schuim uit de zee gezeefd,
al dat loze sop op die golven…wie zit daar op te wachten?
We blijven ambitieus, straks nog de bochten uit de rivieren halen
en het paradijs is een feit. We maken alles haaks voor onze nazaten.
.

De fijne ziekte

  • De fijne ziekte was zo populair dat iedereen besmet probeerde te raken.
    Deze ziekte bracht louter heerlijke symptomen met zich mee: een gezonde eetlust, een glorieuze stoelgang, erotische wellust en een euforische vervoering die niet te herleiden was.
    De gemoedstoestand van de patiënt was het best te omschrijven als die van een simpele ziel.
    Zomaar geïnfecteerd raken viel nog helemaal niet mee, de praktijk bleek weerbarstig.
    Hoe de ziekte werd overgedragen bleef buitengewoon mysterieus. De prognose was dat het leven bij benadering van 1 tot 5 jaar bekort zou worden. Dit werkte echter niet als afschrikking. Mensen die het geluk hadden te mogen lijden aan deze fijne ziekte vermeden vastberaden hun huisarts uit angst voor genezing.

Fombeau de Mazzelpineut

Als uitverkoren mazzelpineut was Fombeau de Frambois
faalmachtig als geen ander, het doen van laten en
het laten van doen bracht al het wenselijke voort…
Zij/Hij/Het/… Fombeau dus, wisselde per etmaal van geslacht
of liet welke vermeende geaardheid dan ook
in het midden, waar het ontsprongen dansjes deed,
geheel aanhankelijk aan hoe of welke waanwind er nu weer waaide.
Als overtuigd aanhanger van ‘de these van Hypo’ aangaande:
‘Wat Dan Ook…’ en om daar dan speculaties van te bakken…
hulde Fombeau de Frambois zich liefst in wandelwol,
droeg weerloos kruinschoeisel en was in het zeldzame bezit
van geen enkele rolkoffer.
Mazzelpineuten werden doorgaans geboren en opgetogen in Zonderland
ten zuiden van Schootoord.
Fombeau offerde daar van jongsaf erbarmzalige korrelgodjes op het fornuisaltaar
aan de Gleufhaven waar dagelijks gebulte schepen der woestijn aanmeerden
die daar hun buitenaards geheime ladingen losten op de kade van openbaring.
Als Mazzelpineut voerde Hij/Zij/Het een uitgesproken tong van geest,
die bestond uit fijngepureerde atomenwolken gedachtengas
of denkdamp zoals de Zonderlozen dat zogenaamd noemen.
Een gas dat regelmatig olifantomen van reeds ontschapen werelden
voortbracht, hetgeen in geen enkele geestfles meer paste.
Dankzij het jaloersmakende bezit van een muggemaag
at Fombeau mondjesmaat dove boeketten Dagdauw met teugjes vaaswater.
Als voorzanger(es) van ‘het genootschap van de Raapsteen’
dat tijdblindheid nastreefde, zong Fombeau bij wijlen euforische lamento’s
voor alle ongeborenen die zich alvast konden verheugen op nog
ongekende belevingswerelden. Volgens ‘de these van Hypo’ kon dit bestaan
van alles betekenen, althans, aldus het vluchtige gedachtengas van Fombeau.

De mens dankt zijn zelfbeeld

De mens dankt zijn zelfbeeld, veel dank daarvoor…aan het dierenrijk, ter vergelijk
bieden dieren alle eigenschappen die de mensch ‘toch’ zo ‘menselijk’ maken.
Zo werkt de mens als een paard, huilt als krokodil, blaft als een hond
zijn kinderen af, is dom als een gans, bang als de wezel, ijverig als mier,
ijsbeert als gevangene van zijn eigen gedachten, zijn gedachte leven,
de mensch schijt als een reiger, liegt als beest, kroegt als een tijger,
fokt bij als de konijnen, sluwt als een vos, verveelt zich als stier, is glad als
een aal in emmers snot, die mensch is graag & vaak zo dronken als een tor,
vrekkig als een gier, zelden zo gezond als een vis, maar geil als een beer,
stil als een muis, koppig als ezel, jaloers als kip, gejaagd als een haas,
mak als het lammetje, stoeiend als poes, trots als een aap, moedig als leeuw,
smerig als rat, vals als de krolse kat, ondankbaar als ‘n hond & zo trouw
als een vlo in circus Sapiens, niets dierlijks lijkt hem vreemd, maar feitelijk
plakt hij eigen onvermogens van menselijke tekorten op ‘t onschuldige lam,
waarna het makke dier wordt geofferd voor een God zo wijs als een uilskuiken,
lui als een varken & bezig als bij blijft de mens kloterig als een hommel miereneuken,
arm als het rijkeluiskindje, eenzaam als een wolf jankend tegen de maan,
stoïcijns als een kameel volhardend op doodlopende wegen, suïcidaal als
lemming, vrij als vogelvrijverklaarde, terminaal als een kolenmijnkanarie…

De kwekers

Hij was als buitenkijker geboren. Op school keek hij steevast uit het raam naar het schoolplein waar bladeren in krinkeltjes rond dansten in de herfstwind…dat kwam hem voor als het meest geheimzinvolle. Daar danste het leven in het wild, dat had niemand hem geleerd, dat werd moeiteloos begrepen. Dat wilde, dat wilde hij. Een schoolklas fungeerde goed als broeikas om kinderen tot kasplantjes op te kweken. De kweker voor de klas wist elk spontaan natuurlijk gedrag weg te snoeien om te voorkomen dat het gewas vrucht zou gaan dragen.
Het echte leven speelde zich buiten af, niet alleen buiten maar ook buiten de bestaande paden, buiten de efficiënte snelwegen naar maatschappelijke doelen die zelden het belang van het gewas dienden. Voortplanten was zelfs geen doel, dat was een biologische gewoonte… een neiging waar men ook vrij van kon zijn. Het innerlijke mysterie kende hij van buiten, daar konden de kwekers niet bij. De wonderlijke bloei van binnen kon niemand plukken of snoeien. Het trok alleen onvoorstelbaar vreemde insecten aan, die terloops al nectar proevend aan kruisbestuivingen deden die tot wildgroei leidden.
‘Wie zat hier nu op te wachten?’ , werd een keurmerk van bestaansrecht.

Hand

Woorden leken op de vingers van een verloren handschoen.
Samen vormden deze lege vingers van leer een zin, een betekenis van
een ding dat verwees naar de echte hand van botjes, vlees en warm bloed.
Een levende hand, een directe ervaring uit de eerste hand.
Nooit zal taal iets anders zijn dan een machteloos tastende handschoen,
een machteloos grijpen naar het ongrijpbare. Schrijven is een falen dat bij voorbaat vast staat, succes verzekerd. Dit toch steeds weer proberen heeft iets heroïsch,
het is de euforie van het vergeefse dat een heel eigen schoonheid in zich bergt.

Onwandelbaar

Voeten diep in gebed verzonken?
Lichtvoetig slapend, in vruchtwater ingebed?
Elk bad voelt als wedergeboorte, van wat?

Benoemen kan men het niet, maar het wordt nooit nat.
Voeten weten van het onbetreedbare…
Het onwandelbare dat overal thuis…

Kijk, dat voeten over water zouden lopen…
is bijzonder, maar dat water over voeten loopt !
Dat blijft onverklaarbaar wonderzaam.

O, godgloeiende

ogodgloeiende

O god,
o zo godgloeiende god,
welke modderfokker
fokte deze blote modderprop?
Ontstond zo onze klontige modderkloot,
zo godsonmogelijk groot?

O, godgloeiende godengod,
wrochtte je schop onze modderbol
zonder bovenromp of onderkont?
O, omgesmolten godsstolsel,
hoe komt ooit onze zo mollige bol
zo godsonmogelijk tovervol,
zo vol wondermooi modderfoksel?

O, godbloeiende kosmoswolk
vol ondoorgrondelijk droomstof,
rondomzoomd door klotsend godensop.
Bemors ons toch onder zonnevonken,
pomp voort zonder stop.

O morsende god.
O loof ons,
plotloos godswonder.
O loof onze
zompige modderbonk,
modderfokkig

&

pronk!