Het onvoldongene (anonieme bron)

Muziek is het meest geschikt om iets over muziek te zeggen.
Met een gedicht zeg je het beste iets over poëzie.
Kunst becommentarieer je dan weer beter met kunst.
Waarom?

Je maakt juist muziek, een schilderij, een gedicht omdat taal tekort schiet.
Als taal kon zeggen wat kunst is of teweegbrengt, dan zou kunst niet meer gemaakt worden onder de noemer ‘kunst’.
Veel poëzie gaat nu juist over de tekortkomingen en de vergeefsheid van taal.
Een goed schilderij maakt veel andere schilderijen slecht.
Veel slechte kunst vormt een goed referentiekader voor kwalitatieve kunst.

Kunst is de geschiedenis van de waarneming.
De kunst van de waarneming is echter geen geschiedenis.
Waarneming is altijd onmiddellijk, nu.
Zelfs al meen je je oudste herinnering te zien, dan zie je die nu.
Anders gezegd: geschiedenis is wat er nu nog actueel leeft in mensen.

Soms vragen mensen mij: is dat kunst wat daar aan de wand hangt?
Hoewel het object uiterlijk niet of nauwelijks van ‘echte’ kunst is te onderscheiden, noem ik het geen kunst.
Waarom zou ik?
Ik maak het ook niet, ik ben veeleer een aantreffer.
Aangezien alles kunst kan zijn is niet iedereen kunstenaar, maar niemand.
Ik stel het werk niet ten toon, dat doet het zelf wel.
Het werk moet zelf werken, voor zichzelf spreken.

Wat er onder mijn handen ontstaat is de uitkomst van doelloos bezig zijn,
een waardevrij spel met naam, vorm en betekenis.
Bijvangst van de verwondering die onderzoek heet.

Het valt me op als iets opvallend is.
Ik neem iets waar, of ik meen iets te zien, het lijkt iets te zijn.
Zodra iets lijkt, dan is het dat niet.
Het kan zijn dat iets wat ik aantref op kunst lijkt.
Dat is dan meteen het bewijs dat het geen kunst is.

Wat voor verschil zou het maken voor de restdingen als ik bepaalde uitverkoren dingen kunst zou noemen?
Ik geloof niet in dat kunstmatige verschil.
Ik noem het dus geen ‘kunst’, maar ik noem het ook niet ‘geen kunst’.
Dit benoem ik om de complicatie van de eenvoud aan te geven.
Sommige dingen zijn zo eenvoudig, dat ze bijna niet uit te leggen zijn.

Het loslaten van labels opent je ogen voor het onvoldongene.
Beste lezer, of u nu wilt of niet: u bent een geboren aantreffer.

Klein wereldje

Het is een klein wereldje
huisje boompje beestje
je bent een klein kereltje
met een klein zielig geestje

elke avond eet je
je zelfverbouwde voer
grauwe erwten, flauw en rauw
je waant jezelf, dat weet je
een slimme buitenboer
nu zoek je nog een vrouwtje
tegen de winterkou

de wilgen dragen rieten hoedjes
op dit plantaardige planeetje
waar het ruikt naar havermout
alles lijkt zoet, goed en aardig
waar is het zout, stout en fout?

zo eenzijdig is wel eigenaardig
een schaap met witte voetjes
ontbreekt er nog maar aan
het drinkt zijn melk zo zoetjes

de zon zal hier nooit ondergaan
niets om over te klagen
de volle maan heeft sproetjes
op haar wang of zijn het kraters

om de goden te behagen
zwets je over kalveren en koetjes
sla je een modderfiguur met flaters
en zeg je: doe je zus en zo de groetjes

elke avond eet je
het zelfverbouwde voer
erwten grauw, flauw en rauw
je waant jezelf, dat weet je
een stoere buitenboer
je zoekt alleen nog een vrouwtje
want anders vat je kou

en komt er nooit een vrouwtje?
dan koop je maar een jas
een jas met houtje touwtje

Ongemengde technieken


Tot mijn verheuging werd mij na de laatste publicatie over Gregor Bazel (Polystyreen zelfportret) dit tot nog toe onbekende werk van hem toegestuurd.
De afzender beweert dat Gregor bij haar in de kleuterklas heeft gezeten en destijds al een hartstochtelijke liefde voor Wasco tentoonspreidde.
Zij bleef zijn ontwikkeling op de voet volgen en kocht dit werk op de eerste expositie na zijn afstuderen, in het voormalig postkantoor.
Het legendarische postkantoor dat later uitvalsbasis zou worden van de Wasco-beweging.

Het werk heeft geen naam, is ongesigneerd, maar draagt onmiskenbaar alle onderstaande kenmerken van Gregor Bazel’s werkwijze.
Uiteraard weer uitgevoerd in waskrijt op industrieel strokarton.
(Ongemengde technieken)

Bevestigingsmiddel


Günther Uecker

Sla de spijker op z’n kop in de muur
om er het schilderij aan op te hangen

raak bevangen door het hamerslaan
het slaat een directe zin in het bestaan

luie trage projectielen, ga recht vooruit
ga die blinde muur tot zien bezielen

krijg de smaak goed te pakken
het middel is nu doel op zich

sla door en door en op den duur
heb je een kamermuur vol bevestiging

sta dan als kijker genageld aan de vloer
alsof het spijkers heeft gehageld

hoogpolig witte pixels prikken licht
in het zicht als onleesbaar spijkerschrift

dat spijkerharde realiteit ons zo onverwacht zacht
kan tonen als wolken dons is gewoon een feit

het bekende middel is nu zelf toegetreden
tot het domein van het doelloos ongekende

ofwel: het zomaar zijn zonder reden

Polystyreen zelfbeeld


Dit zelfportret van Gregor Bazel is van echt polystyreen, zuiver tempex ofwel piepschuim.
In de Rotterdamse volksmond is het De Kunstkop gedoopt.
Voor niet ingewijden: Gregor Bazel was oprichter en voornaamste representant van de Wasco-beweging.
Zijn beeldhouwwerk is zo mogelijk nog minder bekend dan zijn oeuvre in oliekrijt.

Het betreft hier het zelfbeeld van de introspectieve kunstenaar, vandaar het ontbreken van ogen, neus etc.
Een (te) kleine transparante sokkel draagt het enorme hoofd met een dun ijzerdraadje als nek.
Bijzonder aan het werk is dat het topzwaar is, ondanks het vederlichte piepschuim.
Door deze wanverhouding kan het beeld bij enthousiaste benadering makkelijk omvallen.
Tijdens de expositie in 1964 lag het beeld meer op zijn kant dan dat het overeind bleef.
In de kunstkritieken was dit dan ook het belangrijkste kenmerk.
Als je iets van een standbeeld mag verwachten, is het wel dat het niet omvalt maar stil staat, zo luidde de kritiek.
Het beeld werd volkomen geridiculiseerd.

Voor Bazel zelf was dit aspect nu juist essentieel voor de subtiele expressie van het werk.
“Een zelfbeeld valt, als het goed is, permanent om!” zo lichtte hij toe.

Voortschrijdend inzicht maakt dat dit werk, met terugwerkende kracht, een kruispunt in de kunstgeschiedenis markeert.
Metaal als grondstof voor sculptuur werd langzamerhand vervangen door kunststof.
Vergankelijkheid van het beeld ging onlosmakelijk deel uitmaken van het beeld.
En het belangrijkste: het belichaamt het begin van het introspectivisme.

Het verhaal gaat, dat Gregor zijn evenbeeld aan de oever van het havengebied zag ronddrijven.
De markante kop werd jarenlang door de rivier geslepen als een steen.
De kunstenaar was meteen geraakt door de treffende gelijkenis.
Lange tijd was het beeld zoek, waarschijnlijk omdat het materiaal destijds als waardeloos gold.
Er werd op neergekeken, omdat het indertijd usance was om elk knutselwerk maar meteen in brons te gieten.
Het beeld is gelukkig in particulier bezit gebleven, waardoor het gespaard bleef voor de brand in het pand naast Bazels atelier die zijn collectie tempex-sculpturen deed wegsmelten.

Bazel was het totaal niet eens met dictatuur van het bronsgieten als enig zaligmakend.
In zijn visie bestond alles uit natuur, de mens incluis.
Hij beschouwde chemische composieten evenzeer als natuurlijk materiaal als een berg of een boom.
Aardolie is immers niets anders dan uit bomen ontstane grondstof waaruit kunststoffen geboren worden.
Bronspuristen verguisden hem om deze ruime visie.

Bazel had een brede interesse en zag eindeloze toepassingen in polystyreen.
Hij noemde polystyreen ook wel het goud van de eenentwintigste eeuw.
Dat goud zou volgens hem moeiteloos garant kunnen staan voor een vaste geldwaarde.
Het zou een stabiele wereldeconomie kunnen waarborgen.
Geld zou onbeperkt bijgedrukt kunnen worden.

Een enkeling vonden hem geniaal als kunstenaar, maar knettergek als econoom.
Sommigen zagen dat net andersom, terwijl de meesten er geen mening over hadden omdat ze er nooit kennis van kregen.

Vertekend beeld


Ik val in slaap bij de rechte lijn
het rechte verveelt mij… gaap… diepgaand

Het is het vege teken van geen idee
de legale terreur van het linealisme

De haakse hoek maakt mij comateus
gelukkig leef ik op bij de lichtste curve

een glooiing in het landschap
een boompje uit het lood

een schuins regenbuitje
een kromme regenboog

een slingerend beekje
een gebogen horizon

een zwalkend bergpaadje
een omweg van A naar B

Het scheve leeft, het beweegt
mij tot een evenwicht

Het geeft een vertekend beeld
waarmee ik mijn niet-weten

kan meten — heel exact — tot talloze
decimalen voor & achter de komma

Permafrost

De moeder van de kleine Wladimir zei:
“Onthoud dit, dit is belangrijk!”

terwijl ze wees naar de afdruk
van een vogelpootje in de sneeuw.

Waarom zegt een moeder zoiets
ernstigs over bijna niets?

Zag ze er een handtekening in,
een subtiel merkteken?

Was het de afdruk van een winterkoninkje,
de kleinste regerende vorst?

Doelde ze wellicht op de blijvende vergankelijkheid?
De pootafdruk die blijft als lege vorm na de dooi?

De herinneringssneeuw smolt niet in de jongen,
zijn geheugen was als permafrost.

Een witte cocon waar rups Wladimir zich in spon
om zich later als Nabokov te ontpoppen.

“van de engelen zijn wij de rupsen,” zo dichtte hij.

Creatieve verveling

Mijn jeugdleven speelde zich het meest af op straat en vooral op het ongeplaveide.
Op braakliggende grond met drijfzand opgespoten, niemandsland, sloop en bouwterreinen.
Een huissleutel had ik niet, wel lucifers, zo stond ik vaak voor een dichte deur.

Kennelijk dachten mijn ouders er niet aan om mij een sleutel te geven, ik vroeg er ook niet om. 
Waarom zou ik? 
Binnen kwam ik toch wel.
Gaandeweg leerde ik inbreken, netjes zonder sporen van braak. 
Een gesloten deur daagde mij uit, zonder sleutel binnenkomen gaf een euforisch gevoel.
Heerlijk, via de brievenbus, met een paraplu, bezemsteel of klerenhangertje.

Blind voelend naar de klink van het slot, die ik richting scharnier drukte.

Het lukte altijd, behalve als het nachtslot erop zat.
’s Avonds maar via het bovenlicht van het keukenraam.
Eerst met een bezem, later waren mijn armen lang genoeg om de klink van het raam te openen.
Was het bovenlicht dicht, dan probeerde ik de balkonroute.
Via de kozijnen het portiekdak op, het balkon van de buren over en dan kijken of onze balkondeur open was.
Buren blokkeerden in de loop der jaren een vrije doorgang, dan moest ik via de buitenkant van het hek de balkons passeren.
Kortom: thuiskomen was een groot avontuur, je was pas echt thuis als je had ingebroken.
Ik brak dus ook in als er wel iemand thuis was.
Eenmaal binnen keek ik anders naar mijn thuis, als een vreemdeling, een buitenstaander.
Vreemdheid werd mij vertrouwd.
Was ik hier verwekt of had ik gewoon ergens ingebroken?

Je zou hier ook kunnen lezen dat ik mij gigantisch verveelde in die industriële slaapstad.
Liever beklom ik de regenpijp naar het platje dan de portiektrap.
Nam ik de portiektrap, dan alleen zonder de treden te raken, lopend over de leuning.

Ik brak ook graag in voor anderen die geen sleutel bij zich hadden: vriendjes en buren.
Het werd langzaam bekend, ik werd een beetje verdacht, want wie garandeerde dat ik niet op bezit uit was?
Bezit kon mij gestolen worden, toegang verschaffen was een doel op zich geworden.

Men zegt dat het in de toekomst — dat is inmiddels nu — niet meer gaat om bezit maar om toegang tot…
Je hoeft niets meer te bezitten, alleen maar een geldig toegangsbewijs te tonen.
Of een goed nagemaakt bewijs.
Alleen daarmee kun je erbij horen en meedoen.
Gesteld dat je erbij wilt horen en wilt bijdragen.

Wie geen toegangsbewijs heeft doet er goed aan om te leren inbreken.
Lees: codes kraken.

Vluchtsimulator

de droom gaat aan de haal
ze boekt ongevraagde vluchten
naar onbekende bestemmingen
je mag immers niks missen

onmiddellijk moet je de bus halen
en je haalt hem net niet of net wel
vervolgens moet je heel snel
op een trein springen, die je net mist

dan maar gauw een taxi en ja zeg
een file richting vliegveld
iedereen droomt kennelijk weg
in dezelfde droom, dezelfde file taxi’s

het vliegtuig heeft vertraging, meldt de radio
misschien haal je hem nog net als je hard
holt over de lopende band naar de terminal
je komt niet vooruit, de terminal ligt ergens anders

je stapt nog net in, de deur sluit zich
het toestel stijgt tot grote hoogte
maar het haalt de bestemming niet, of wel?
het stort neer tussen de lakens van ontwaken

je hoofd, die zwarte doos met vluchtgegevens, vertelt:
er was geen piloot aan boord, geen passagier,
geen bestemming, geen toestel, geen scenario
de droom blijkt een vluchtsimulator

gedroom haalt het niet bij wakker zijn
liever lucide wakker liggen in deze berm
van hersenen die als grijze struikjes
het mentale zwerfvuil verzamelen

woorden zijn verpakkingsmateriaal
weggegooid na gebruik, de berm ingewaaid
klaar voor een vers droomscenario
ontwaken verklaart alles helder

Voetspraak

onze hond volgt voeten
hij volgt ze op de voet
voeten zijn de baas

sokken aan betekent uit
sokken uit is wachten
tot ze weer aan gaan

schoenen aan is uit
schoenen uit is helaas
een voorbarige gedachte

benen op de bank is afwachten
benen eraf is: zullen we dan maar
onze hond is altijd klaar

voetjes op de vloer is gaan
trap op is wachten
trap af is uit
behalve als
de baas besluit
tot later

voetenwerk is
hondenpoëzie
verse voeten
besokt
beschoend
trap af
deur door
en gaan

dat geluk
(simpel weg)
kan bestaan
uit gaan

een baas is maar
een raar
besluiteloos wezen
voor de hondenziel
die van vastberaden trouw
is gemaakt

hond blaft
de baas ontwaakt
en nu naar buiten
alleen de voeten
zijn nog naakt

je zal maar nodig moeten