Drie fabels


De legeraanvoerder

De haas wint oorlogen, verovert landerijen, verdedigt grondgebied.
Niet door onderdanen op te offeren in een bloedige strijd, maar door stil in zijn leger te waken over het malse groen.
Nadat hij zijn leger met jongen heeft verzorgd en zijn nazaten heeft onderwezen in hoe de hazen lopen, laat de haas zich eens in het jaar schieten door de boer.
Zo voorziet de haas zijn jongen van een vredige jeugd.

 

De luizenmelker

Koning Bladluis was trots op zijn succesvolle leven: een grote familie, uitgebreide jachtgronden.
Hij had één zoon, die kennis kreeg aan een bevallige schaamluis.
De koning was niet blij.
“Het is niet ons soort luizen, maak het uit met haar.
Zij leven in huizen, stinken en zijn niet zo mooi groen als wij.
Bovendien zijn ze nog te lui om hun kont te krabben.”
De prins maakte het uit met de schaamluis, en kwam thuis met een lieveheersbeestje.
De koning was helemaal in de wolken, zo’n charmante verschijning.
Echter, tegen de avond had het lieveheersbeestje de hele familie bladluis uitgemolken.
De koning had eeuwig spijt van zijn huwelijksadvies.

 

De gevleugelde vraagbaak

De wijze uil was gek op vragen stellen.
Zo redeneerde zij: “De rekenfout zit hem erin, dat er maar één antwoord goed gerekend wordt, terwijl alle antwoorden goed zijn als de vraag maar klopt.”
Zo kwamen hulpbehoevende dieren bij haar met hun problemen.
De uil zag hun problemen als het juiste antwoord en verzon er ter plekke een passende vraag bij.
Dan leek het probleem opeens zin en betekenis te hebben.
De dieren waren terstond tevreden met hun probleem; het loste weliswaar niets op, maar het betekende tenminste iets.
Dan was het dus allemaal niet voor niets geweest.

Mythologica van de fabel


De mens is een ark.
Geen ark van Noach, maar een ark vol fabeldieren.
Deze dieren vragen niet om gered te worden van de ondergang.
Integendeel, deze dieren redden de arkmens om niet voortijdig ten onder te gaan in de zee van mogelijkheden.
“Geschiedenis is de waarheid die tot leugen wordt, mythologie is een leugen die waar wordt,” zei Jean Cocteau.
Fabeldieren zijn mythologische betekenisdragers.

Het mensdier steekt de oceaan van het leven over.
Geboren op het veilige strand van de baarmoeder moet de mens veilig de levenszee oversteken naar het dodeneiland.
Het lichaam is zijn vaartuig, de wind van ervaren blaast in zijn zeilen.
Gaandeweg blijkt het vaartuig bevolkt met fabeldieren, dienstbaar aan de mens.
Ieder fabeldier vertegenwoordigt een aspect van de menselijke geest als een facet van een diamant.

De fabel geeft de wetmatigheden van het leven weer.
Sommigen noemen het wijsheid.
Ik spreek liever van werkelijkheden, in de praktisch zin: dat wat werkt.
Zo kan de mens zich laten leiden wanneer hij op een kruispunt van wegen staat, om de eigen koers te bepalen.
Het ironische van menselijk leven is dat het ontwijken van de dood — door omwegen naar het dodeneiland te plannen — het leven niet verder helpt.

Recht koers houden op het dodeneiland werkt het leven in de hand.
Wat overigens niet inhoudt dat je eerder zal aankomen dan wanneer je het eiland zou proberen te mijden.
Nog beter lijkt het om helemaal geen koers aan te houden: je zult moeiteloos je bestemming bereiken.
Het dodeneiland betreden is herboren worden voor wie wil aanmonsteren in een nieuwe ark.

Spirituele dood is een renaissance van de ziel.
Het idee kwijtraken dat je iets te verliezen hebt.
De ark blijft hetzelfde, de ziel is als nieuw.
Fabeldieren zingen in koor zeemansliederen om de ziel te vieren.

Zelfportret van Kamagurka


Kamagurka is een visionair kunstenaar en zoals zal blijken een verlichte geest.
Hij schildert lukraak portretten van mensachtigen.
Die publiceert hij en wacht dan af welke bestaande mensen zich erin herkennen of er door anderen in worden herkend.
De gelijkenissen zijn treffend, of de geportretteerden weten zich bekwaam aan te passen aan hun afbeelding.
Bovenstaand schilderij, te zien op de tentoonstelling Het Verlies in het Cobra Museum, toont gezichtsverlies.
Het werk kan echter ook gelezen worden als een letterlijke verbeelding van De Bovenkamer.
Je ziet de belijning van een ‘boven’-kamer met in het midden een gloeilamp die de ruimte verlicht.
De geest is zelf licht: geesteslicht.

Het wachten is nu op Kamagurka die zichzelf zal herkennen en zich aanmelden als geportretteerde.
Een ironisch portret van zijn ware wezen.
Het is een van de kenmerken van genialiteit dat de maker zelf niet de implicaties van zijn werk overziet.
Het is voor de maker te evident om er aandacht aan te schenken.
Het ware wezen mag geen naam hebben.
We kunnen lang wachten tot Kama zich meldt, een absurdist is niet gek.

Het absurdisme van Kamagurka heeft op zijn best een overeenkomst met de irrationele Koans in het Zenboeddhisme.
De mentale kortsluiting die beide vormen teweegbrengen, geeft onmiddellijk verlichting.
Denkbeeldige tegenstellingen vallen weg.
Ze vallen in het niet.

Criminologica

schrijven is een waarheid liegen
de goedkoopste wijze
van reizen naar waar dan ook…
naar onbelaste paradijzen
voordeliger dan vliegen
of kamperen op een vluchtstrook

ik betaal nooit huur
dus ik beken, ik ben
in alle opzichten crimineel
ik hou van avontuur

bijvoorbeeld hoe ik speel
met mijn leven en graag
aan denkbeeldige tralies zaag
de gevangenis is virtueel

al spelend met vuur
laat ik hier een spoor
van verbrande schepen na
het kapersschip vaart door

ik sticht branden zoals
anderen landen stichten
ik waag mijn kale hals om
gedachten te ontwrichten

mijn lijf heb ik gestolen
van een argeloos wezen
om geheim in rond te dolen
en gestolen verlangens te genezen

ik ben een dief, steel veel
uit mijn eigen portemonnee
zo steel ik van de dief die ik speel
en als je liegt, lieg dan

liefst met alle winden mee
met een stem van fluweel
totdat het gedrukt staat
het jargon bestaat uit taalpuree

je bedriegt bedriegers
van het graf tot aan hun wieg
wat nog mooier is dan liegen?
dat is liegen dat je liegt

in braafheid ben ik slecht
ik vervals documenten
net zo goed als echt
mijn vrienden zijn agenten

geweld vind ik geweldig
saai en slaapverwekkend
mijn paspoort is ongeldig
mijn held, dat is een kraai

ik ontloop mijn straf niet
wees gerust, mijn brand
wordt eeuwig uitgeblust
dit ligt in het verschiet

zie het als een beloning
van hogerhand, want
niet-zijn is mijn woning
dat mag wel in de krant

Mooi Gewoon van Duco Heist


Bovenstaande foto toont een detail van ‘Het Slakkenhuis’, ontworpen door Duco Heist van architectenburo ‘Mooi Gewoon’ (Denekamp, 2013).
‘Het Slakkenhuis’ is gerealiseerd in samenwerking met de stichting Natumorf, die zich sterk maakt voor het organisch bouwen in de periferie van de urbane regio Noord-Oost.

Heist heeft zich dit keer laten inspireren door het slakkenhuis en de menselijke gehoorgang.
Akoestisch is er zeker sprake van een bijzondere bijvangst.
Men moet welhaast schreeuwen om zich te verstaan met een medebewoner, omdat het geluid onmiddellijk wegebt in de gekromde bovenruimte.

In de omringende tuin zijn enorme sculpturen in de vorm van gehoorbeentjes geplaceerd, door een 3D-printer vervaardigd van gemalen wit marmer uit Carrara.

Uitgangspunt bij het ontwerp was het vermijden van herhaling.
Elk venster heeft dus andere afmetingen en wordt uiteraard kleiner naarmate men door de gehoorgang naar hogere verdiepingen klimt.
Een hoek van 90 graden is nergens te bekennen.
Bijzonder is ook de afwezigheid van een trap, die je toch zou verwachten in zo’n hoog gebouw.
De vloer loopt als ‘vals plat’ heel geleidelijk omhoog, analoog aan de waterpasloze vloeren van Hundertwasser in Wenen.
Daardoor kom je gaandeweg in een vertraging van de slakkegang.

Aparte kamers vond Duco een overbodige luxe.
Hij wilde een lange doorgangsruimte creëren, waarin hij buitengewoon goed geslaagd is.
Ook bijzonder is het ontbreken van een deur.
Een oor of schelp hebben evenmin een deur, aldus de bouwmeester.
Om tocht te vermijden heeft Duco de oplossing gezocht in een luchtsluis, die een pui van turbinale lucht blaast.
Bij toenadering schakelt de turbine uit.

Aan het eind van de rondleiding onthulde Duco dat hij momenteel bezig is met een nieuw project, gebaseerd op ‘de bovenkamer’.
Het wordt heel apart, men denke aan gedachtegangen, denkbeeldige ruimte, zwevend meubilair, dubbele bodems, glazen plafonds, kelderbalkons etc…

Duco Heist kwam in 1968 vanuit Gstaad naar Nederland en vroeg hier als eerste Zwitserse vluchteling asiel aan, hetgeen hem werd verleend op grond van ‘culturele xenofobie’.
Hij was in meerdere opzichten een pionier, velen zouden hem navolgen.
De eerste jaren verbouwde hij kraakpanden volgens een stijl die nu bekend staat als ruïnebouw.
Later voelde hij zich meer en meer aangetrokken tot luxueuze projecten.

Saillant detail is, dat ‘De Bovenkamer’ in zijn geboortestad Gstaad zal worden gerealiseerd, weliswaar in de periferie maar toch.
Het pand in Denekamp is nog te bezichtigen op afspraak, maximaal acht personen per rondleiding.
Er worden overigens nog bewoners voor gezocht.
(Aanmeldingen bij stichting Natumorf.)

Wit hondje in de sneeuw

de ziel is
een wit hondje
in de sneeuw

schrijven op wit
zoiets als de ziel uitlaten
soms zie je je hondje niet meer
dan valt het weg tegen de achtergrond
en duikt opeens weer op
als uit het niets

gelukkig is mijn ziel
een beetje groezelig
zo zie je nog eens
hoe het loopt

gaandeweg snuffelt de ziel
(met haar geleende neus)
aan de nagelaten lyrische vlagen
taalsporen in papieren sneeuw

een lezer loopt deze uitlating na
volgt geursporen, stap voor stap
een herkende geur is genoeg om
de mentale staart te laten kwispelen
of
met eigen nat te overschrijven

Soepzooitje


Wanneer mijn moeder soep maakte, deed ze er meestal ingrediënten in.
Het duurde lang voor ik begreep wat dat begrip inhield: ingrediënten.
Ze gebruikte voor de jus een pakje dat letterlijk ‘Jus met Ingrediënten’ heette.
Er stond verder niks op.
Later werd mij duidelijk dat alles en iedereen uit ingrediënten is samengesteld.

In de televisiegids las ik consequent het woord rolverdeling als ‘revolverding’ en was dan in de veronderstelling dat het weer zo ’n saaie cowboyfilm betrof waarin blanke nepindianen werden doodgeschoten.
Ik zette er een streep door.
Op een zeker moment had ik in de gaten dat ik het verkeerd las en verbaasde ik mij erover hoe ik het steeds opnieuw verkeerd bleef lezen.
Letter voor letter moest ik mijzelf overtuigen van het woord r-o-l-v-e-r-d-e-l-i-n-g.
Acteurs bleken ingrediënten zijn voor de filmsoep.

Het woord raamprostitutie bracht ik in verband met de eendagsvliegen die op het ongewassen vensterglas op en met elkaar zaten te flikvlooien.
Ik zat erbij en ik keek ernaar, en dacht: dit is dus raamprostitutie.
Waarom weet ik niet, maar ik dacht het.
Ik heb als kind altijd met de taal overhoop gelegen, taal was een soepzooitje.

Onverwachts op bezoek in het ziekenhuis trof ik mijn moeder aan die zojuist was geopereerd aan haar baarmoeder.
Ik heb mijn oma’s nooit gekend, dus ik begreep het niet: de moeder van wie of wat?
Haar moeder?
Zonder gebit vertrouwde ze mij op gedempte toon toe dat ze al haar ‘scharmer’ hadden weggehaald.
Het drama waarmee ze het woord scharmer uitsprak doordrong mij van een verschrikkelijke ramp, waarvan ik niet wist wat die inhield.
Al haar scharmer!
Mijn god, nee toch!
Niet een beetje, maar álles…
Ik huilde maar wat met haar mee.
Meehuilen met de wolven leek haar altijd wel te troosten, waarom we huilden wist ik niet.
Al vond ik praten zonder gebit van jongs af aan wel iets intens zieligs hebben.
Een tandeloze wolf.

Het was rond de tijd dat ik zelf schaamhaar kreeg.
Ik begreep niets van de moedertaal.
Waarom een lichaamsdeel ‘schaamstreek’ heette, snapte ik niet.
Schaamhaar, ik schaamde mij erover te praten of er iets over te vragen.
Van biologie begreep ik dat de hele natuur permanent met seks bezig was.
Planten plantten zich voort als konijnen en de menselijke natuur kon zich ook nog eens zonder voortplanting met seks bezighouden.
Waarom al die schaamte, als alles en iedereen daaruit voortkwam en het klaarblijkelijk in praktijk bracht.
Anders waren we hier toch niet samen, als ingrediënten?

In de dierentuin en in de natuur zag je alle dieren oefenen op de voortplanting.
En wel met zo’n vanzelfsprekende natuurlijkheid, dat je plaatsvervangend mee zat te genieten van hun genot: de schaamte ontstegen.
Die lading op menselijke seksualiteit is mij altijd een raadsel gebleven, de aandacht ervoor ervaar ik als buitenproportioneel.

Taal is natuurlijk ook seks, alle woorden kunnen het met elkaar doen.
Ze fokken elkaar op tot nieuwe exemplaren.
Woorden als ingrediënten verleiden elkaar tot steeds weer nieuwe verhalensoep.
Mijn moeders soep vond ik vers niet te eten.
Pas na een paar dagen begon haar soep lekker te worden, als de vermicelli en de andere ingrediënten begonnen op te lossen.

Lijstloosheid


Waarom wonen kunstvoorwerpen in lijsten?
Gouden lijsten, vol pronkende ornamenten.
Soms ontsiert versiering het schilderij, dan overschreeuwt vorm de inhoud.

Een lijst lijkt een raamwerk waardoor je naar een andere wereld kijkt.
Gluren door een raampje.
Je kunt het ook zien als een afkadering die zegt: ‘Hierbuiten houdt de kunst op te bestaan en ze begint pas weer bij de volgende lijst.’
Of is het een markering, die zegt: ‘Mensen let op, binnen dit raster bevindt zich iets heel bijzonders.
Komt dit zien, dit is kunst, een verheviging van de werkelijkheid.
Dit is pas echt echt.
Dit is kostbaar, dit heeft status.’

De mens behoort tot de familie der kraaiachtigen: de kraai verzamelt glimmende dingen, blink-blink.
Bij kraaien is daar geen praktische, zinvolle reden voor te vinden.
In die zin is de kraai kunstzinnig door zinloze glimdingen te verzamelen.
Zo bezien is de kraai voorouder van het menselijke gedrag.

De mens hult zich graag in de omlijsting van een duur huis, een dure auto, dure kleding, sieraden…
Het mensdier is een luxe-beestje.
Het kunstwerk binnen de lijst is vaak al lang weer doorverkocht om nog meer glimmende dingen naar binnen te kunnen slepen.
Deze menssoort staat onder antropologen inmiddels bekend als de ‘lijstmens’.

Bij moderne kunst is de lijst vrijwel geheel verdwenen.
In beginsel wellicht uit armoede, een lijst is immers een luxe toevoeging en staat natuurlijk voor de gevestigde orde waaraan avantgarde-kunst zich wil onttrekken.
Moderne kunst hangt er vaak kaal en naakt bij.
In grote lijnen kun je de ontwikkeling in de moderne kunst zien als een gestage uitbreiding van de kunst naar de wereld buiten de lijst.
Als een meer dat buiten haar oevers treedt.

De muur waar het lijstloze werk aan hing, vormde vanzelf het nieuwe kader waar de kunstenaar uit wil treden.
Vervolgens vormde de ruimte binnen de muren een nieuwe begrenzing.
Het museum als geheel werd gaandeweg een beperking waar de kunst doorheen wilde breken.
Deze beweging verklaart ook waarom musea van nu zelf de pretentie hebben een kunstwerk te willen zijn en het feit dat kunst per strekkende meter wordt afgeleverd.
(Denk aan Hockney’s laatste werk en Hirst’s bolletjesbehang.)

Het kunstterritorium is dus steeds verder uitgebreid.
De kunst is het museum uitgelopen als een overrijpe franse kaas, de straat op, de pleinen over.
Ze heeft de wereld overstroomd.
Als alles ruikt naar kunst, vervalt uiteraard de zin van het hele begrip.

‘The eye of the beholder contains all beauty, and everything else as well.’

‘Art has no future nor past, it’s the art not to define and see now for yourself the divine state of framelessness.’

Walter Bazel (voormalig conservator)

Kaal uitsterven?

een vis kreeg haar
voor haar verjaardag
van
dier & vriend Charles Darwin
(één der hoogstbegaafde mensapen)

hij gunde haar veel haar
niet alles ineens
natuurlijk maar
haartje voor haartje
jaar na jaar

overleven gaat haar
nu nog makkelijker af
dan kaal uitsterven
een verlegen kreeft
(hij valt op haar)
wordt haar kapper
knipt haar haar met zijn schaar

hij bloost als hij haar haar ziet
uiteindelijk vinden zij elkaar
onweerstaanbaar favoriet
er schuilt in evolutie één gevaar
het maakt de hele zee van haar

Fabel der visschen

De zilte gemeenschap der vissen in de oceaan
vreesde ooit een gruwelijke landvloed.
Een vloed die oceanen zou dempen,
droge straf voor een zondig bestaan.
Sommige vissen hadden de wet overtreden
door tegen de stroom in te zwemmen.
Zonde van de energie.

Een tsunami van vaste grond dreigde,
aldus de veilige visgeschriften.
De vissen leefden streng in de leer
en lazen de zondaars de les.

Visgod Sardino sprak aldus:
“Zwemt heen, schiet kuit en hom,
verdrinkt in het heilige nat,
want ja, je moet toch wat
in deze donk’re vissenkom.

En mocht de vloed toch komen?
Spuugt elkaar dan uit mededogen
veelvuldig en vol in het gezicht,
liefst in den ogen
om uitdrogen te voorkomen.
Zo zullen jullie de hemelzee
eensch deelachtig worden…”

Aldus geschiedde het dat fanatieke gelovigen uit mededogen
elkaar in het gezicht spogen.
Zie je wel, het helpt, zeiden ze tegen elkaar,
de landvloed blijft tot nog toe uit.
Laten we volhouden en blijven spugen.
Uit voorzorg.