Fabel van de Weetgier

De Weetgier zweeft op wijdgespreide vleugels boven de belevingswereld.
De wind van onwetendheid draagt hem.
Soms daalt hij, de aaseter, af om iets tot op het bot te onderzoeken.

Azend op het ongekende schuimt hij zo de wereld af.
Stil verheven weet de weetgier dat hij nog steeds vrijwel niets weet.
Die wetenschap maakt hem vastberadener om alles te willen weten.
Ieder moment komt er nieuws bij, bovenop het gebeurde dat niet vergeten mag worden.

Weetgierig blijft hij kijken, steeds opnieuw, alsof hij voor het eerst ziet.
Als een eeuwige beginner.

“Wat is weten eigenlijk?” vroeg ik aan de Weetgier, die verbaasd was dat ik zijn taal sprak.
“Een weetgier kent twee vormen van weten,” zo begon hij zijn uitleg.
“De eerste is het kennen van objecten.
Je kent de naam die afgesproken is en vorm waaraan je het herkent.
Je kent de eigenschappen en algemeen geldende kenmerken die onderzocht zijn.
In feite ken je dus een gemaakte afspraak, die herhaal je en bevestig je.”

De Weetgier keek in de verste verten en vervolgde zijn betoog.
“De tweede vorm van weten is het kennen van het kennen.
Dit is het weten dat zich kent.
Het gaat vooraf aan elk waarnemen.
Herkenbaar aan het feit dat het geen naam kan dragen, geen vorm heeft, geen eigenschappen of kenmerken.
Dit soort weten schittert door afwezigheid…”

“Het eerste weten is het verslinden van objecten.
Het tweede is het verslonden worden, als aas.”
Zo besloot de Weetgier, en hij steeg op richting de verste verte.

Het nog onbedolvene

we leven in het nog onbedolvene
eerst zal het stof zacht op ons vallen
dan de bladeren en daarna de nacht

maar zover is het nog niet
archeologisch nogal prematuur
want wat is hier het geval?

we leven in de verwondering
van hen die ons opgraven:
kijk nou, een oude, malle gedachte

een herinnering, nog als nieuw
en hier een hele grafkamer vol
achterhaalde aannames

ons huis is een ruïne voor later
om netjes te laten overwoekeren
volgestouwd met gebruiksvoorwerpen
die nergens op lijken of voor dienen

ons vuilnis wordt van museale waarde
bebaarde deskundigen zullen onze sporen
duiden en dateren als zijnde prehysterisch

verbeelding als instant tijdmachine

Wilde inkt

dit weet niet wat zich schrijft
de waarde ervan kent zich niet
het is om het even geschreven

en waardeert dit niet-weten
waarom, wat het is of hoe,
boven welke verklaring dan ook

het kan er niets aan doen
dat een blijvende stroom
de notulist teder teniet doet

een stroming van wilde inkt
die moeiteloos haar weg vindt
naar de zee van betekenis

al is dit helemaal niets
het is zichzelf genoeg
als een zee… opgedroogd

Fabel van de boom

Taal is het gereedschap van de filosofie.
Veel filosofie lijkt op een tang die in een hamer knijpt of op een zaag die in een schroevendraaier zaagt.
Of op een schaar die in een schaar knipt.
Kan taal als gereedschap ooit iets repareren of oplossen?
Of maakt het gereedschap deel uit van het probleem?
Het lijkt erop, dat het gereedschap alleen maar meer gereedschappen produceert.

Taal hakt direct ervaarbare werkelijkheid in stukjes.
Conceptuele stukjes.
Kan een bijl (de taal) iets over een boom zeggen door de boom in stukjes woord te hakken?
Bast, stam, wortels, hout, stronk, bladeren, takken…
Waar blijft het ‘meer dan de som der delen’?

De werkelijke boom raakt helaas volledig uit het zicht als het gereedschap niet wordt weggelegd.
Taal hakt de levende boom tot brandhout.
De mens lijkt een vreemd soort kachel waarin taal wordt opgestookt.

Laat het gereedschap eens liggen en kijk zonder namen te noemen.
Klim in de boom, omarm de stam, leg je oor te luisteren op de bast, ruik het hars, proef de noot, voel de wind door de kruin gaan, laat je vallen uit de boom als een rijpe vrucht.
Taal maakt zinnen, zintuigen maken zin.
Zintuiglijke gewaarwording is zin.

Talmen

muziek als wild gras
ligt hier pasgemaaid te drogen
je hoort de geur van onkruid
gekleurd door boventonen

geperst tot balen stro
wacht het op luisteraars
die de aarde afgrazen
op zoek naar vers klankgewas

maar wat gaat er boven
ongemaaid lawaai uit de verten?
dwalend langs akkers malszachte halmen
en dan talmen, talmend talmen

ongeoogst hooi is zo ongehoord mooi

Jaarwisseling

Op gezette tijden is het weer zover.
De huid van tijd wordt afgestroopt, gelooid,
opgevuld met spul en weer dichtgenaaid,
en met de datum van afschot gebrandmerkt op de borst
tentoongesteld in Museum Opgezette Tijden.

Ontzag schuifelt door zalen langs geprepareerde jaren.
Het fluistert gedempt: kijk die horens, en die dikke oren.
zie je daar die gaten waar eens de ogen zaten?
Ach, die afgesleten hoeven die niets meer hoeven…
Het was een mooi beest, het is er voorgoed
geweest en niet geweest.

Is dit de retorische vraag?

Tijdloos nieuws en weerbericht


Informatie als neerslag van betekenis, deze woorden slaan neer.
Op sommige plaatsen bestaat het woord ‘weer’ niet, omdat het klimaat zo constant is, zoals in Indonesië.
Permanente zon en een helder blauwe hemel geven geen neerslag van betekenis.

Zo is er ook iets met het woord nieuws.
Verschil maakt iets tot nieuws.
Voorheen ging de ontwikkeling zo traag en was de wereld nog zo klein, dat er geen verschil werd opgemerkt.
Evolutie gaat nu eenmaal onmerkbaar, traag en gestaag.
Er was weinig nieuws onder de zon: goed nieuws is geen nieuws.
Van lange periodes van vrede en voorspoed is zo goed als niets bekend.
Waarom zou geluk opschrijven dat het gelukkig is?

In geïsoleerde gebieden bestond het begrip tijd niet eens.
Buiten de ‘beschaafde wereld’ droeg men geen horloges, men had immers alle tijd.
Verschil zet kennelijk aan tot taal en begripsvorming.
Hoe extremer de verschillen, hoe duidelijker de begrippen?
Voordat taal ontstond, sloeg betekenis niet neer.
De mens leefde in symbiose met de biologische klok en met de lange seizoenen van moeder natuur.

De ontwikkelingen versnellen zich nog steeds, zodat er geen tijd meer is om al het nieuws nog bij te houden.
De onophoudelijke neerslag lijkt wel een zondvloed van informatie die de betekenis wegspoelt.
Tot reflectie en iets rustig laten bezinken komen we nauwelijks meer toe.
Het weerbericht meldt overstromingen.
Dijken van definities spoelen weg, vervuilde informatie vergiftigt de hele stroom.
Het is tijd voor waterbeheer, het aanleggen van stuwmeren, sluizen, dijken, uiterwaarden.

Moet de informatiestroom worden geordend, gezeefd?
Zijn er zuiveringsinstallaties nodig die een concentraat destilleren van afvalwater?
Zodat één druppel het essence van betekenis bevat?
Wij zijn natuurlijk zelf dergelijke zuiveringsinstallaties.
Reflectie is een natuurlijk gegeven, een stil meer dat weerspiegelt.

Filosofie kan als filter dienstbaar zijn.
Meditatie destilleert één druppel die verdampt.
De hele wereld ruikt ernaar.

Fabel van de luis

Zonder lichaam geen jeuk, zonder jeuk geen leven.
— F. Cawaldo

Fitz Cawaldo Picazon was een rijke luis met een dure pels.
Een pels bij wijze van jas, waar hij als een vorst in woonde met zijn hele familie.
Fitz droeg de pels behalve in de strengste winters ook in de heetste zomers van Mexico.
Zijn rijke luiszoontje Fitzi, erfgenaam van het familiebedrijf Picazon (Jeuk&Zonen) en enig kind, was voorbestemd om het bedrijf over te nemen.

Van oudsher was Picazon het toeleveringsbedrijf van jeuk en aanverwante artikelen zoals uitslag, rode vlekken, schimmels en diverse eczemen.
Het bedrijf had honderden arme luizen als werknemer om de jeuk te distribueren onder het volk.
Ze werden per besmetting betaald, no cure no pay.
De handel liep gesmeerd omdat het zusterbedrijf Pomada de benodigde zalf verstrekte.
Pomada was in handen van Oom Luis, broer van Mama Picazon.

De oude Fitz overleed in zijn pels, hij voelde plots geen jeuk meer…
Toen zoon Fitzi bewindvoerder werd, jeukten diens handen om de zaak eens goed te reorganiseren.
Ieder weldenkend wezen zal zich afvragen: “Wie, in hemelsnaam, bestelt er jeuk, uitslag of schimmels?”
Het antwoord is even simpel als verbijsterend: niemand of derden…
Niemand… duidt op het gratis verstrekken van bovengenoemde ongemakken en de peperdure zalf als remedie.
En derden… op het verspreiden van deze goedaardige aandoeningen, in opdracht van belanghebbenden.
Die belanghebbenden konden particulieren zijn, maar ook de overheid.
Al was het maar om belasting op zalf te kunnen heffen.

Fitzi’s grootste verdienste was wel dat hij, nadat zijn Oom Luis gek was geworden van de jeuk, beide ondernemingen liet fuseren.
Na uitgebreide research wist de jonge Fitzi een zalf te ontwikkelen die zelf de benodigde jeuk veroorzaakte.
Werknemers van Picazon konden worden ontslagen: geen luizebaantjes meer.
Picazon ging op in Pomada, de omzet verdubbelde.
De markt was erin geluisd.

De toekomst scheen onbewolkt, totdat een journalist van la Jornada het sluwe concept aan het licht bracht.
Hij publiceerde het geheime recept voor jeuk alsof het vuile was betrof.
Fitzi werd zwart gemaakt in de pers, de krant sprak schande.
Wat een luizenstreek!

Betere publiciteit had de jonge ondernemer zich niet kunnen wensen.
Fitzi kwam in de cel van waaruit hij zijn bedrijf kon voortzetten, daar het middel inmiddels zo populair was onder de bevolking dat de vraag niet te stelpen was.
Men smeerde de zalf overal op, als het maar jeukte.
Hoe meer jeuk, hoe beter.
Er kwam een volksopstand: de eis was onmiddellijke vrijlating van Fitzi.
Bij zijn vrijlating kreeg Fitzi Cawaldo een hoge Mexicaanse onderscheiding voor zijn bijdrage aan het algemeen welbevinden en de staatskas.
Tijdens die ceremonie droeg hij trots de oude pels van zijn vader.

Helaas kreeg Fitzi geen nazaten en had dus geen opvolger.
Hij stierf als de rijkste luis ooit.
Picazon Pomada werd uiteindelijk door de Mexicaanse staat genationaliseerd.

Fabel van de duizendpoot

Duizendpoot was nogal filosofisch aangelegd, hoewel… ook daar twijfelde hij aan.
Voor hij iets ondernam, dacht hij er eerst zeer grondig over na.
Vooraf ontwierp hij een stappenplan.
Welke poot zou hij eerst zetten en wat was de juiste volgorde van stappen.
Pas wanneer het filosofisch helemaal klopte, kwam hij in actie.

Het onomstotelijke feit dat hij bij elke uitvoering weer struikelde over zijn eigen poten, maakte dat hij zich nog grondiger ging voorbereiden.
De laatste voorbereidingen duurden dan ook eindeloos.
Duizendpoot kwam in een crisis: de eerste stap zetten werd een onmogelijke filosofische opgave.
Hij kwam tot de slotsom dat hij geen poot had om op te staan.
Wekenlang lag hij op z’n rug te kronkelen.
Het was dat zijn goede vriend Slak langs gleed op zijn slijmspoor, anders had Duizendpoot er nog gelegen.

“Wat doe je?” vroeg Slak.
“Niks, ik heb geen poot om op te staan.”
Slak lachte langzaam om zijn goede vriend.
“Al mijn wiskundige berekeningen lopen op niets uit, met welke poot te beginnen?” jammerde Duizendpoot.
“Je bent te gek om los te lopen,” grapte Slak.
“Hoe doe jij dat dan, jij hebt toch ook geen poten om op te staan?”
“Dat klopt,” zei Slak, “maar wanneer ik ergens zin in heb, begin ik te kwijlen van verheuging en dan glij ik vanzelf voort.”
Duizendpoot lag nog steeds te kronkelen.

Slak was doorgaans heel geduldig, maar nu was het geduld zo langzamerhand wel op.
“Luister,” sprak Slak streng, “volgens mij is struikelen gewoon jouw manier van vooruitkomen.
Dus ga maar gewoon je gang en struikel voort.
Dat struikelen gaat vanzelf, daar hoef je geen moeite voor te doen.”
Duizendpoot schrok van de heftige taal van Slak.
Zo kende hij hem niet.
Hij rolde zich om en deed een poging om te struikelen.
Duizendpoot probeerde het pootje voor pootje, en warempel: het lukte perfect.
Hortend strompelde hij voort, sloeg af en toe op hol en over de kop.
“Het lukt!” juichte hij.
Dat struikelen zo eenvoudig kan zijn, zoiets vroeg hij zich nooit meer af.
Van filosoferen kwam het niet meer.
Het struikelen nam hem voortaan volledig in beslag.

Slak werd een beetje nerveus van zijn ‘nieuwe’ vriend, die regelmatig een pootje brak dat hij dan weer mocht spalken.
Zo was er altijd wat te doen.