Fabel van het zoogdier

Het zoogdier zuigt langdurig melk uit zijn moeder.
Een mensenkind zuigt niet alleen lang zijn moeder, uit maar blijft ook nog eens tot op hoge leeftijd in het ouderlijk huis wonen om te worden verpleegd.
In vergelijking met andere dieren is de mens in het begin van zijn leven lange tijd handelingsonbekwaam en ontoerekeningsvatbaar.

Nestvlieders eten meteen vast voedsel nadat ze zelf uit het ei zijn gekropen.
Sommigen zoeken meteen zelf hun eten, houden zichzelf warm, leren vliegen zonder vangnet, trotseren gevaren door zich te verbergen voor roofdieren.
De meeste vissen, reptielen en insecten zijn na hun geboorte autonome wezen (behalve de dolfijn en de walvis, die ook weer zoogdieren zijn).
Zelfs apen, die het dichtst bij de mens staan, zijn sneller zelfstandig.
De mens spant wat dit betreft de kroon der schepping.

Negen maanden wordt de nieuwe mens in de baarmoeder gehospitaliseerd.
Daarna duurt het nog zeker twintig jaar tot het op eigen benen staat.
Het zou te ver gaan om van een parasiet te spreken, al wordt er ruimschoots aan de criteria voldaan.
Wanneer het menselijk zoogdier het ouderlijk huis eindelijk verlaat, is het vaak zo verslaafd aan melk dat het andere zoogdieren hun voeding ontneemt.
Koeienmelk wordt voor het grootste deel gekweekt voor aan de zuivelverslaafde mens.

Nestvlieders kijken een beetje meewarig naar de mens als kroon der schepping.
Ze vinden de mens een verwend, kinderachtig wezen dat maar moeizaam wil opgroeien.
Afhankelijk van wat anderen van hem vinden.
Een hulpbehoevend kuddedier.
De naakte mens moet zich behelpen met kunstmatige lichaamsbedekking om zich warm te houden, zijn vacht is gedegenereerd, in ieder geval niet geëvolueerd naar een net verenpak.

De vogel is in feite de echte kroon der schepping.
Elke vogel maakt die eeuwige droom van de mens waar: vliegen.
Na die evolutionaire sprong opwaarts van de vogel lijkt het kruipend gedierte des velds slechts een achteruitgang.

Wellicht zijn alle menselijke pogingen opwaarts te evolueren een compensatie voor het zelf niet kunnen vliegen.
De vogel heeft geen dromen nodig, maar leeft die, vliegenderwijs.
De mens kan zich alleen verheffen door een engel te worden.
Een vogel in de geest.
Of zoals Risho, voor de jaartelling begon, dichtte:

waar is de mens
het ei is heel
de vogel gevlogen

Fabel van de fanatieke atheïst

Er zijn atheïsten — je komt ze wel eens in het wild tegen — die fanatiek ongelovig zijn.
Er zit een lading achter hun ongeloof waarmee ze anderen willen overtuigen.

Zijn ze boos en teleurgesteld?
Ze lijken het niet-bestaan van God te verwijten aan God.
Het is Gods schuld dat hij niet bestaat.
Een prachtige paradox.
Dat hun mooie wereld zo’n puinhoop is, komt door Gods afwezigheid.

Ze poneren hun atheïsme even fanatiek als gelovige fanatici hun geloof.
Missen ze hun vader?
Die immer aanwezige afwezige man, die achter zijn krant beschutting zoekt tegen het wrede wereldnieuws?
Zonder zijn kind te begeleiden in het aanvaarden van het onaanvaardbare?

Is de overtuigde atheïst eigenlijk een vadermoordenaar?
Wacht de atheïst in het geheim tot God alsnog zal besluiten om te gaan bestaan en rechtvaardig zal ingrijpen?
De gelovige atheïst ontsteekt in woede als je zegt dat als de mens zelf zijn eigen almachtige God heeft geschapen, dat de mens dan nog machtiger is dan God.
Baas boven baas.

Het is een vreemd soort aanname dat je zou moeten kiezen tussen geloven of niet geloven.
Is keuzevrijheid vrij zijn van keuze?
Waarom zou je overal iets van moeten vinden?

Wat is je lievelingskleur, vroeg je aan het kind.
Allemaal!, luidde het antwoord.

Fabel van de lezende wezens

De meeste beesten lezen de wereld door geuren te ruiken.
Voor het dier met een verfijnde neus is de wereld een open boek.
Het mooie van dit wereldboek is dat er niet één eenduidig verhaal in staat, maar dat alle mogelijke verhalen erin besloten liggen.
Ze liggen er voor het opsnuiven.
Afhankelijk van de route van het dier ontstaat er gaandeweg een chronologisch verhaal van geuren.
Dieren, planten, vruchten, voedsel, mest; vrijwel alles geurt.
Geur is de poëzie van de levende wezens.

Het meeste subtiele verhaal dat ik onlangs geroken heb is het verhaal van de jonge haasjes.
De pasgeboren haasjes liggen in een leger in het open veld.
Ze worden beschermd doordat ze geurloos zijn, zo geniaal is de natuur.
Hoe doe je dat, geurloos zijn: met voorbedachten rade of zonder?
Het geurloze detecteren, dat is pas subtiel ruiken.

Ik begaf mij dus in het open veld, de neus in de lucht.
Zo liep ik langdurig rond, ik rook van alles: gras, kruidig hooi, slootwater, koeienvlaaien.
Tot ik op een bepaalde plek niets rook, een totaal vacuüm aan geur.
Ik volgde mijn neus die mij langzaam naar de grond trok.
Daar vond ik een prachtig holletje in het hoge gras, geurloos… de haasjes hadden het leger al verlaten.

Als enige in zijn soort leest de mens letters: tekens van inkt hebben de neus vervangen.
De mensenneus steekt zich in de boeken of hangt er maar een beetje bij.
De mens lijkt zich te oriënteren door verhalen te lezen, het symbool is belangrijker dan de geur.
Op deze wijze ‘ruiken’ we aan andermans levens, volgen hun pad of ontwijken juist hun dwaalwegen…

Het equivalent van geurloze haasjes is het lezen van een onbeschreven bladzijde.
Door het lezen van die leegte kun je een notie krijgen van de basale aard van de menselijke geest.
Wij zijn tot in ons diepste wezen een onbeschreven blad.
We weten immers vrijwel niets, we denken veel te weten.
Het meeste van wat we denken te weten is tweedehands, van horen zeggen.
Door de geest van niet-weten toe te laten, kunnen we openstaan voor de wereld.
We zijn beschikbaar in plaats van bezet.
Wij zijn het geurloze zijn, een leeg leger.

Om het immense verschil tussen directe ervaring en taal te illustreren: probeer eens iemand uit te leggen in woorden hoe Lievevrouwenbedstro ruikt, of een verse mango.
Het zal je niet lukken, hoeveel woorden je er ook aan vuil maakt.
Terwijl één snuifje aan de gedroogde plant of de verse vrucht voor eens en altijd duidelijk maakt hoe dat ruikt.
Om in woorden te uiten hoe dat ruikt, kan ik alleen maar zeggen: heerlijk!

Babeltaal

dit

is voorlopig het hoogste punt

van deze Babelse taalstapelgekte

stop hier met lezen en begin onderaan

 

punt

ieder punt is het top-

op deze naamloze wereld

taal is de verbeelding van grip

het vrij beschikbare toe-eigenen?

wat is taal anders dan je met namen

als je zelf levengevend gebied bent?

hoe kun je ooit leven in de taalkaart

het is een ruïne van stapelgekte

deze woordentoren komt nooit af

dat begrippen begrijpen inzicht is

hierop stapelt zich het misverstand

kan vervangen als volwaardig surrogaat

de directe levende ervaring van het gebied

een denkbeeldige bodem, de aanname dat naam

op wat voor grond wordt deze taalstapel gebouwd?

woord voor woord met specie van spaties

letterlijk vanaf de grond opgemetseld

want wat is een woordtoren zonder fundament

klim al lezend vanaf hier, regel voor regel naar boven

De romanlezer

“De roman valt met de deur in je bovenkamer.
In de eerste zin wordt hoofdpersoon Bert
gemeen doodgebeten door een hondsdol hert.”

Zo luidt de beginzin, je zit er meteen middenin,
in shock door de zinloze moord.
Een plausibel plot zal hopelijk later
nog de nodige zin lenigen?

Hunkerend naar een onthullend slot
ploeg je voort om het geschreven onheil te spellen.
Al vraag je je diagonaal af waarom dit verhaal
niet in een compacte dichtvorm is gegoten,

(in klare taal als bij een anekdote, basaal.)

De dikke pil heeft een gesloten einde
waarin het hert, de ogen wijd opengesperd,
wordt doodgeschoten door een anonieme figurant,
onpersoonlijk kil en alert, ronduit gênant.

Het slot poseert als apotheose.
De nabestaanden eten wild met abrikozencompôte
in een tuin vol beloofde rozen.
De honger is gestild, het bloed vergoten.

Op de binnenkaft staat het hele epos
als bondig resumé vermeld:
“Anonieme figurant wreekt Bert
en molt hert na exuberant diner met gif!”

Je droomt die nacht,
met één hand hangend aan een klif.
Daar krijs je onmachtig zacht,
de plot is onverwacht navrant.

Je bent zelf de figurant,
het hert, Bert en de detective.
Alles met voorbedachten rade.
Grif beken je alle wandaden
om er maar van af te wezen.

Nooit meer slapen,
nooit meer lezen.

Ruimtelezer

de dingen hebben randen
als eilanden liggen ze hier
binnen hun kust van buitenkant
de zee van ruimte tast hun kustlijn af

onze blik rust op de dingen
op hun oevers van eindigheid
zie de tuit van de theepot op het punt staan
van sierlijk naar nergens te vertrekken

dit gedicht ligt hier als een kade vol rijke ladingen
klaar om te worden gelost in het lezen
van willekeurig welk ruimtewezen

ongekende vrachten komen hier aan
om zich zintuiglijk te laten beproeven

sta op de uitkijk van deze papieren kade
je leest als ruimte al deze dingen
terwijl je blijft waar je altijd bent geweest

Fabel van het medeschepsel

Wij zijn niet alleen op deze overbevolkte wereld.
Kunnen we dan eenzaam zijn?
Samen één zijn?

Er is altijd wel een medeschepsel in de buurt.
Een buurtgenoot met wie of van wie je kunt genieten.
Met een brede blik op levende wezens kun je talloze medeschepselen ontmoeten met wie je kunt meeleven.
Je wordt als medelever wakker, dankzij het medeschepsel dat je ontmoet.
Of dat nu een mier is, een hondje, een vogel, een mens of een plant.

Wie of wat dat wezen ook is, het is een reisgenoot, onderweg naar…?
In ieder geval onderweg naar deze ontmoeting.
Je reist een stukje samen of je luistert naar hun reisverhaal.
Dat maakt je eigen reis rijker.
Twee reizen meer dan één.
Reisgenoten delen waardevolle reisinformatie.

Alle schepsels worden op hun beurt weer bewoond door een ongrijpbaar oerwezen.
Het oerwezen is wat elk schepsel levend maakt.
Het is als een stroom die een dood apparaat laat werken, met dit verschil dat het oerwezen een stroom is die overal stroomt.
Er is geen aan- en uitknop.
Anders gezegd: geen plek blijft droog.

Een bijzondere reisgenoot is het plantaardige soort schepsels.
Zij voorzien ons van zuurstof en ze geven hun leven op om als voedsel door ons lichaam te kunnen reizen.
Hun voorouders dienen ons als brandstof.
Planten zijn wellicht de meest meelevende wezens op aarde.
De plant dankbaar zijn, is op z’n minst wel zo beleefd.
Als dieren zijn we schatplichtig aan de planten.

Het ontmoeten van menselijk schepsels wordt steeds zeldzamer, omdat de mens gedwongen is zijn toewijding te richten op dode apparaten en het verwerven van dode dingen.
De tijdgeest, de god van de dode dingen, stelt het dode boven het oerwezen.
Wie deze god vereert, verschilt niet wezenlijk van een robot.

Grondstof

Ach, kijk nou toch,
die kleinste deeltjes…
je ziet ze niet.

Je ziet niet dat ze
geen deeltjes zijn,
het fijnste onstof.

Zo fijn opgelost,
verspreid in ruimte,
subtieler dan gas.

Kijk, zie je,
niemand zag ze ooit,
fundamentele speeltjes.

Niemand ziet ze
als het ontastbare spul
waar gedachten uit bestaan.

Niemand komt op het idee
dat het spontane spel
van deze spelende deeltjes
identiek is met het spel
dat onze geest met ons speelt,
stof dat nadenkt.

Niemand denkt ze,
die spelende deeltjes.
Ze spelen onze gedachten.

Fabel van het gewoontedier

Het gewoontedier komt in de beste families voor en onder alle diersoorten.
Dat maakt hem zo bijzonder en veelzijdig.
Het dier zingt altijd hetzelfde liedje, niet omdat hij het zo mooi vindt, maar hij kent geen ander liedje.
Zoals het liedje thuis klinkt klinkt het nergens, het klinkt naar thuis.

In het algemeen is een gewoontedier routineus en laat diep ingesleten sporen achter.
Het meest ingesleten gewoontespoor is ademhalen.
Geen adem halen geeft een akelig benauwd gevoel, dus niet ademhalen laat hij wijselijk achterwege.
Voor eten geldt hetzelfde.

Het gewoontedier volgt altijd de weg van de minste weerstand.
Pas als iets echt niet volgens de oude bekende weg lukt, zal het dier — met gezonde weerzin — een weerstand overwinnen en een andere weg inslaan.
Zo kan het overwinnen van weerstanden tot nieuwe gewoonten leiden.
Dat heet evolutie: een ingesleten gewoonte die geleidelijk aan ontspoort en een nieuw gewoontespoor trekt.

Gewoontedieren lijken niet erg avontuurlijk, omdat ze de bekende weg maar blijven aflopen.
Maar dieren die steeds het avontuur zoeken, zijn aan dezelfde macht der gewoonte onderworpen.
Altijd iets anders willen is natuurlijk ook steeds weer hetzelfde.
Er zijn er die obsessief nergens een gewoonte van willen maken.
Ze verblijven in gesloten inrichtingen voor hun ongewone gewoonten.

Het is opmerkelijk hoe divers het spectrum aan gewoonten is.
Er is vrijwel geen bezigheid te bedenken die niet als gewoonte wordt gepraktiseerd.
Het waarom van gewoonten ligt waarschijnlijk in de geruststellende werking van herhaling.
Herhaling schept vorm en structuur, zekerheid en veiligheid.
Een neurose is niets anders dan het scheppen van veiligheid door rituele herhaling.

Het meest bekende gewoontedier (exemplarisch voor de soort) heeft er een gewoonte van gemaakt niet te bestaan.
Het is de automatische piloot, zijn biotoop is een cockpit.
Een robot met louter wenselijke gewoonten, onmenselijk gewoon.

Wanneer de robot alle menselijke gewoonten heeft overgenomen, zal het gewoontedier voorgoed vakantie hebben van zichzelf.