Jakje


Wat is je lievelingskleur?
Allemaal, zei het kind.
Een wijs antwoord
waar niet over is nagedacht,
het kwam spontaan en lukraak.

Het antwoord is inclusief, integraal.
Alle kleuren zijn meer dan de som der delen.
Ze verlenen elkaar contrast en diepte,
kleuren spelen het spel van wederzijdse aanhankelijkheid.

Kleuren bepalen hun namen ten opzichte van elkaar.
Dat kleuren samen zouden vloeken
vond ik altijd een curieus oordeel.
Ze noemen elkaar door kleur te bekennen.

Het jakje dateert niet uit de Ming-dynastie maar uit 2014,
het bestaat uit 3049 steekjes en er zit er niet eentje los.
De kunstenares wil graag anoniem blijven.
Haar argument “dan willen ze straks allemaal zo’n jakje”
is uitermate steekhoudend.
Het werk is onbetaalbaar en niet te koop.

‘De traditie van het eenmalige’ schrijft voor
dat deze draagbare kunst wordt doorgegeven
van pasgeborene op de eerstvolgende pasgeborene,
en zo voorts.
Van ieder kindje wordt de naam van binnen
in de rug geborduurd.
Het is een ontroerende traditie, er schijnen jakjes
te rouleren met een paar honderd namen.

Stel je voor: een mensheid van pasgeborenen
die allemaal hetzelfde jakje hebben gedragen.
Zo’n mensheid zou gedragen worden.

Fabel van de zeehond


Onze hond is een zeehond, net uit zee aan land gekropen.
Het wonder van de evolutie heeft ons ingepalmd met zijn onverwoestbare lach.
Op het strand is hij in zijn element, het beste van twee werelden.
De zee en het vaste land.
Dat grensgebied herinnert hem aan zijn afkomst.
Zo te zien is hij er erg mee ingenomen.

Voldaan overziet hij zijn jachtgebied.
De prooi van zijn dromen is een teefje, kinderen geen bezwaar.
Onze hond heeft, in onze ogen, de volgende stap in de evolutie gezet.
Hij heeft lachspieren ontwikkeld.
Bij zijn nazaten zullen deze spieren aangeboren zijn als vast repertoire van de genen.

Kan een hond lachen?
In onze ogen wel, het werkt in ieder geval op onze lachspieren.
Waarom zou een hond lachen?
Wij zijn er empirisch van overtuigd dat hij om ons lacht.
Om hoe hij ons steeds van de sokken praat met zijn charmante lichaamstaal.
Hoe hij ons weet te bewegen om hem uit te laten en zijn ondoorgrondelijke geurwegen te volgen.
Hij lacht om hoe onbeholpen wij apporteren; steeds gooien wij de prooi weg, nooit zullen we het leren.
Als dat hondenhumor is, dan is het plezier geheel wederzijds.

Had Darwin hierom kunnen lachen?
Of dacht hij in alle ernst dat de evolutie van de mens ligt in het determineren?
Dan zou determinatie het eindstation zijn.
Dat is op zich een lachwekkend idee, omdat evolutie juist het ontsnappen aan definitieve definities is.

Elke soort schept zich voort.

Soep van nergens


Soep is ons lievelingseten: eten en drinken tegelijk.
Slurpen is toegestaan, slurpen is proeven met lucht,
het intensiveert het proeven.

Dikke soep die, nog net nat,
als kokende lava bubbels spat.
De oersoep van het vloeibare zijn.

Met wat droog brood erbij
heb je toch nog wat te kauwen,
want vertering begint met speekselvorming.

Soep dient op lichaamstemperatuur
te worden opgediend zodat je nauwelijks
nog verschil voelt tussen de soep en de rest van je lijf:
je wordt één met de soep.

Die sensatie wordt nog sterker als
de soep onuitgesproken van smaak is,
zeg maar zoals de smaak van je tong.

Ik hoor u al zeggen:
maar dat smaakt toch nergens naar!
Dat klopt inderdaad, maar nergens is wel de ultieme smaak,
het meest subtiele proeven.

Proeft u zelf maar eens.
U hebt uw mond vol met tong.
Nergens…
ongekend lekker.

Garderobe


schoeisel bestond ooit uit verworven eelt
kleding was voorheen een dichtbehaarde huid
onze maagdelijke zolen raken geen grond meer aan

beheersing van vuur bracht haaruitval teweeg
kleding werd surrogaat voor verdwenen vachten
bescherming tegen koude nachten, nat en leeg

nu kan de mens niet meer zonder modieus textiel
gehuld in (om aandacht schreeuwende) schutkleuren
verschuilt hij zich in het openbaar als eeuwig juveniel

De virtuele archipel


de geesteswereld schijnt een waterachtige spiegel
ze reflecteert moeiteloos hele wereldbeelden
hoe meer golving des te meer vervorming

bij constante beroering slaan de gedachtegolven om
in een kolkende maalstroom komt er schuim bovendrijven
opgeklopt gedachtegoed lijkt bijna vaste vorm aan te nemen

het zijn de schuimeilanden, de archipel van de virtuele wereld
soms lijkt de kaart zo verdacht levensecht op het gebied
maar bij het aan land gaan zak je door de bodem van waan

wacht je lang genoeg, dan spatten alle luchtbellen uiteen
en keert het schuim terug tot spiegelglad watervlak
dat kan een regenplasje zijn, een vijver, een stille oceaan

als spiegel voor de maan

Theologica van de kabouter


Kabouters bestaan niet.
Wat kan deze zin betekenen?

Dat kabouters nooit hebben bestaan.
Dat kabouters zijn uitgestorven.
Dat kabouters nog niet bestaan, maar wel zouden kunnen gaan bestaan.
Dat kabouters nog nooit ontdekt zijn; ze leven geheim.
Dat kabouters onbestaanbaar zijn voor altijd en overal.
Dat kabouters alleen denkbeeldig bestaan.

Al deze voorgaande mogelijkheden gaan uit van de valse aanname dat we zouden weten wat kabouters zijn.
Niemand weet wat een kabouter is, het is iets ongekends.
Hoe zou je een kabouter kunnen herkennen als je niet eens de juiste kenmerken weet om te determineren?
Hoe zou je kunnen zoeken naar iets als je niet weet wat je zoekt?
Er bestaan wonderlijk genoeg talloze speculaties over wat kabouters zouden kunnen zijn.
Hoe meer speculaties, hoe meer het ongekende vaste vorm lijkt aan te nemen.

Bovenstaande bespiegeling gaat over de kabouter als het ongekende.
Hetzelfde gaat natuurlijk op voor het woord god.

God zou het ultieme zijn, het meest sublieme.
Vandaar dat ieder mens god invult met zijn eigen ultieme ervaring, een goddelijke ervaring die al het voorgaande overstijgt, sublimeert.
Voor de een is het seks, voor de ander is het muziek, voor de derde is het niets, voor de vierde is het alles en voor de vijfde is god een combinatie van deze vier.
De inhoud doet er niet wezenlijk toe: het gaat om het ultieme, het sublieme van de directe ervaring.

God is dus feitelijk een ander woord voor: ik weet niet hoe ik het meest ultieme dat ik ken moet uitdrukken, ik heb er geen woorden voor.
Ik weet het niet en dat weet ik.

Hoe kan het dat er zoveel kabouterstoeltjes staan te bestaan als er geen kabouter te vinden is?
Waar rook is, is vuur, zou je zeggen.

Waar goddelijke ervaring is valt de vraag naar god totaal in het niet.

Geestig spul


fietspad door het afgeplatte land
horizontale betonblokken
richting horizonsopgang

dagelijks fietst het zicht zich
over de open wondergang
tussen de grassige weiden door

waar pasgeschapen lammeren
om moedermelk jammeren
bermen van klaaglijk geblaat

fietsend naar school groeide het benul
dat wat echt telt, niet te tellen is
dat het ware verhaal niet taalt naar taal

al het bestaande is hetzelfde geestige spul
zelfs de kleinste golvende deeltjes
scheppen zich wetenderwijs tot vers materiaal

wie vrij is kent al dwalend alle mazen
één ooi springt steeds elegant over het hek
om langs het fietspad vers te kunnen grazen

Fabel van de tijd en ruimtereiziger


Lopen wij naar de tijd toe of er vanaf?
Naar de toekomstige tijd toe of weg van de verleden tijd?

Of ervaren wij tijd dankzij het feit dat wij zelf tijdloos zijn?
Zonder tijd zou alles tegelijkertijd gebeuren, aldus Einstein.

Zoals gemeten ruimte slechts afstand is tussen twee deeltjes materie,
zo is tijd niets anders dan de duur tussen twee vastgestelde momenten.

Ruimte zelf heeft geen afmeting en geen locatie, het midden ligt overal.
De ‘verschillende’ locaties in de ruimte zijn identiek, want ruimte is nergens niet.

Wat wordt er dan gemeten als het niet de ruimte is?
De afstand tussen identieke locaties?

Als tijd niets anders is dan de duur tussen twee vastgestelde momenten, en het beginmoment en eindmoment van de meting zijn allebei vastgesteld…
Wat wordt er dan gemeten als elk moment een en hetzelfde nu is?

Het geheugen lijkt tijd en ruimte een schijn van substantie te verlenen.
Dat is knap, want ruimte is niets dan niets, en tijd is dat wat volgt op het vorige.

Alles verschijnt en verdwijnt in dit voortvloeiende, langgerekte nu.
Ik snap niets van tijd en ruimte, maar van de rest begrijp ik geen barst.
(met dank aan ‘De Huilende Rappers’)

Het nu lijkt op een rivier, die in blijvende verandering toch onveranderlijk blijft liggen in een lege bedding van ruimte.

Fabel van de kolibriesaurus

Van mastodontisme naar delicate subtiliteit.
Om uiterste verfijning te bereiken moet je groot beginnen.
Jong geleerd is oud gedaan, maar in de evolutie is dat jonge groot en grof om later klein en fijn te worden.
De dinosaurus leeft nog steeds, hier en nu, in de gedaante van een kolibrie: een mini-dino met veren.
Het kale monsterachtige heeft plaatsgemaakt voor kleurrijke elegantie in allerlei variaties.
Er zijn naar schatting 340 soorten.
Zelfs de kip heeft nog hetzelfde basisskelet als de tyrannosaurus rex; het afgekloven dijbeentje van de kip is identiek, alleen wat kleiner.

De paleontoloog vindt elk eindpunt van een evolutionaire vertakking een hoogtepunt van de schepping, maar stelt dat als er nu toch een kroon der schepping moet worden benoemd de kolibrie op de eerste plaats zou komen, als ongekroond hoogtepunt.
Een kolibrie is inderdaad verbijsterend verfijnd.
De kleinste weegt 1,8 gram: de bijenkolibrie.
Hij maakt 15 tot 80 vleugelslagen per seconde, die hem in staat stellen roerloos in de lucht te staan in iedere gewenste stand.
In vergelijking met de mens is de kolibrie welhaast een heilige die geen vlieg kwaad doet.
Waar de mens de natuur geweld aandoet en slachtingen aanricht onder zijn soortgenoten, is de kolibrie slechts een onverbeterlijke dief van nectar: hij steelt werkelijk als de raven, geen bloem is veilig.

Het is aandoenlijk om te zien hoe een paleontoloog (een volwassen mannetje uit de familie der mensachtigen) zijn plaats in de schepping met liefde afstaat aan zoiets kleins van 1,8 gram.

Fabel van de mode

Het pantoffeldier is geen dier maar een bacterie, volgens criteria waar het pantoffelwezen zelf geen zeggenschap over heeft gehad.
Ik ben van mening dat gecategoriseerden inspraak zouden moeten hebben bij het vaststellen van criteria waaraan zij zelf onderhevig zijn, maar dit terzijde.
De naam ‘pantoffeldier’ spreekt zo tot de verbeelding dat het aanzet tot dit soort fabuleuze onzin, hetgeen goed past bij het onderwerp mode.

Binnen de biotoop van het onzichtbare komt het pantoffeldier op de tast louter soortgenoten tegen.
Het dier kent domweg niets anders dan microben.
Komt het toevallig een andersoortige tegen, bijv. een staafvormige bacterie, dan is het hele existentiële vraagstuk dat mode heet binnen een oogwenk verorberd tot verteerbare proporties.
Dit alles speelt zich natuurlijk af buiten het gezichtsveld van de gemiddeld goedgeklede burger.
Het schaalbereik van onze waarneming bepaalt nu eenmaal wat wij gangbaar vinden.

Zouden wij door een macroscoop naar het heelal kijken, dan zouden wij wellicht verbanden zien die tot nog toe verborgen bleven.
Een macroscoop verkleint het allergrootste tot voor ons waarneembare afmetingen.
Een bijwerking is wel, dat wij zelf tot bacteriële afmetingen verschrompelen.
Mode lijkt vooral niet gangbaar te willen zijn.

Laatst reed ik, als bioloog op weg naar een congres over mode en ethologie, onder een viaduct door waarop met dikke witte letters gekalkt stond: ‘Mode is Porno!’
aangevuld met: ‘Kleding is Repressie!’

Ik reed te snel om de naam van de afzender te kunnen lezen.
Was het een keihard statement van de Bond van Naturisten?
Naakten Aller Landen Verenigt U?
Zouden de activisten hun actie ’s nachts naakt hebben uitgevoerd?
Ik wist het niet.
Hun boodschap had de uitwerking van een mentale kortsluiting.
Plots was mijn bovenkamer van iedere inhoud ontbloot.

Ik staarde in de blauwe lucht waar ik de zwevende deeltjes volgde die in mijn oogvocht dreven.
Wat mij weer aan het pantoffeldiertje deed denken, waar ik als bioloog jarenlang experimenteel onderzoek naar had gedaan.
Ik was van het begin af aan betoverd geweest door hun doorzichtige naaktheid.
Puur zijn, zonder opsmuk.
Biologische mode dient om partners te verleiden, zoals verenpracht (paradijsvogel) en vachtpatronen (giraf, zebra) en de uitzonderlijke prieelvogel, die zijn kleurrijke huid projecteert in de ruimte van zijn zelfgebouwde prieel!
Hij zou de eerste kunstenaar zijn, ware het niet dat zijn kunst wel degelijk nut heeft, wat van echte kunst niet gezegd kan worden.
Het pantoffeldier hoeft als onzijdige niemand te verleiden.
Wat een gemoedsrust zal het geven om geen jaarlijks toelatingsexamen te moeten doen.

Wanneer iedereen het voorbeeld zou volgen van de naakte amoebe, dan zouden wij blind worden voor naakt zijn.
De woorden ‘mode’ en ‘naakt’ zouden uit onze taal verdwijnen, zoals in sommigen landen de begrippen ‘weer’ en ‘seizoen’ niet bestaan vanwege het permanente zonovergoten klimaat.