Gregor Bazel

Door de kenners van het werk van Gregor Bazel wordt bovenstaand fresco niet erkend als authentiek omdat het niet stijlvast zou zijn.
Het zou buiten de stijl vallen, want gemaakt vanuit een ontspoorde geestestoestand, door iemand die niet meer weet wat hij doet.
Zo is ook het werk van Willem de Kooning uit zijn Alzheimerperiode om dezelfde reden gediskwalificeerd.
Toch is dit fresco zonder twijfel ‘echt’ van deze obscure meester van de Wasco-gruppe.
We weten dit omdat hij het werk maakte onder toeziend oog van zijn verplegers tijdens zijn opname in de Beeldende kunstkliniek in Grünewald.
Gelukkig maakte de verpleging foto’s om diagnostische redenen.
Ondanks de vroege datering maakt het werk toch een heel frisse, verse indruk.

Gregor was indertijd overvallen door een acuut geheugenverlies.
Hij wist niets meer, maar wat precies kon hij niet zeggen.
‘Hoe kan ik nu iets missen als ik niet weet wat ik mis’ was zijn reactie op zijn bezorgde omgeving.
De onbezorgde ‘patient’ werd met een grote glimlach opgenomen, zo staat in het intakeverslag te lezen.
Hij leek er niet onder te lijden, integendeel hij leek creatiever dan ooit.
Bazel genoot van de enorme ruimten van de paviljoens die hij als ateliers beschouwde, licht en ruim.
Spontaan was hij begonnen de hoge muren ongevraagd van fresco’s te voorzien, uiteraard met Wasco.
Hij betekende talloze achterzijdes van intakeformulieren, deze wachten nog in het archief van de kliniek om te worden vrijgegeven.
Helaas zijn de fresco’s na zijn ontslag op gezag van de geneesheer-directeur overgeschilderd, “Het is hier immers een kliniek en geen expositieruimte”

Bazel wilde niet weg uit de kunstkliniek, het beviel hem uitstekend in Grünewald.
Hij deed zijn best om te simuleren door elke vraag met ‘ik weet het niet’ te beantwoorden.
Zo probeerde hij zijn ‘stipendium’ te verlengen, vergeefs.

Saillant detail is dat Bazel de Kooning nog heeft ontmoet toen deze dankzij zijn Alzheimer een geheel nieuwe weg was ingeslagen.
Bazel vond het laatste werk van de Kooning verreweg het beste, hij noemde het figurabstract, waar de Kooning wat afwezig om moest glimlachen.
Helaas miste Gregor het tact om dat in het bijzijn van Leo Castelli en Peggy Guggenheim achterwege te laten waardoor hij zijn lancering in de New Yorkse kunstwereld vaarwel kon zeggen.
Gregor Bazel was een man met veel talenten maar van diplomatie kon je hem niet beschuldigen.
Hij plette heel wat tenen in de kunstwereld, die hem gaandeweg meer ging negeren.
Buiten de kunstwereld werd hij bekend om zijn anonimiteit, niet eens zozeer als kunstenaar, maar simpelweg door de unieke plaats in te nemen die nu eenmaal de naam Gregor Bazel heette.

Gregor keek later nogal lakoniek terug op zijn verblijf in de Kunstkliniek.
‘ach, destijds vergat ik mijn geheugen te onthouden, en nu onthoud ik mij van herinneringen, en straks verheug ik mij op het onvergetelijke’

We zullen nog vaak aan deze markante figuur denken wanneer er weer werk van hem opduikt.

De nieuwste baan

X bevond zich in een vervreemdend klein hokje
spiegelwanden rondom, ook de deur bleek van spiegel.
Het plafond was van opaalwit tl-licht.
Op de vloer lag een verfrommelde supermarktzak als een zwerver.
X kreeg hier het beeld een luxe dier te zijn, steriel opgefokt in deze luxueuze stal,
als in een goedkope sf-serie.
Hij zag dat de spiegeling een brilmontuur droeg met een
landkaartprintje, het prijsje zat er nog op.
De opticien had hem die van harte aanbevolen,
een model uit de serie ‘Geography’, hip en toch niet te nerdy.
Beneden zag hij scherpe schoenpunten die de ruimte leken te willen lekprikken.
Met dit pak aan zag hij er onberispelijk uit voor de nieuwste baan.
Even schrok hij van de haren die uit zijn oren groeiden,
ze detoneerden met het totaalplaatje.
Een vluchtige twijfel in zijn ogen leek hem te betrappen.
Hij keek nooit in de spiegel.
Zo kon hij toch straks niet bij zijn oude vader verschijnen in het verpleeghuis, waar vader zich het laatste hemd van het lijf probeerde te scheuren?
Kennelijk wilde zijn vader naakt sterven.
Zou dat niet respectloos zijn?
Zijn vader die alles met zijn handen had gedaan.

X herkende zichzelf niet… tot ik zag dat ik het was.
Ik was het daar, hier.
Uit de zak op de grond haalde ik mijn oude ‘scharrelkleding’ en afgelopen schoenen.
Ze roken vertrouwd naar mij.
Het was afgelopen.
De afgelopen maand had in het teken gestaan van het krijgen van de nieuwste baan.
De personal coach, mediatrainer en de styliste hadden mij op het goede spoor gezet.
Deze nieuwe baan van ‘sales profile counselor’ of was het ‘account marketeer executive’ ?
vroeg niet minder dan een transformatie mijnerzijds, aldus het bevriende drietal.
Bijziend zocht ik mij een uitweg in de herenmodezaak.
‘Meneer, meneer u vergeet uw bril, uw schoenen, waar gaat u heen? hoorde ik mijn persoonlijke winkelassistent nog roepen.

Mijn inmiddels naakte vader herkende mij nog, gelukkig, onder een laken.
Ik zag hem vaag maar voelde zijn langdurige stevige hand.
In stilte bedankte ik mijn vader voor zijn handen die hij mij had gegeven.

The invisible

De kater bood zich aan in de etalage.
Zijn huid verkocht hij onbetaalbaar duur.

Het winkeltje had een ruim assortiment:
reuzentulpen, een paar schoenen, een trompet en katers.

De verkoper was een onzichtbare man.
Zijn aanwezigheid was echter overal voelbaar.

De kat schuurde zijn kop aan de trompet
of poetste hij het koper voor de kijkende koper?

Plots kwam zijn broer tevoorschijn – lenig en voornaam
sprong hij de trompet sierlijk van de sokkel.

Broerlief bleef flegmatiek liggen in het schijnwerperlicht.
Deze gebeurtenis gebeurde eerlijk gezegd helemaal niet.

Alleen in dit gedicht dat geen kenmerken draagt van een gedicht, werd de schijn ervan geworpen; het bleef bij het ongeborene.

Fabel van de televisionair


‘Moeder natuur kijkt naar zichzelf, ze kijkt overal.
Ze kijkt overal dwars doorheen.
Overal ziet ze haar eigen huid van wereldweefsel’ Eberhard Wülfling

Volgens de televisionair zou de televisie de mens een bredere kijk op de wereld geven, door juiste informatie, de juiste beelden door te geven.
Maar de breedte moest het vooral van de lengte hebben.
De kijker zo lang mogelijk aan de buis kluisteren werd een doel op zich.
De juiste informatie werd al snel amusement om beter in slaap te komen.
Kwantiteit werd een bewijs voor kwaliteit.
Wie de hoogste cijfers haalde had gewonnen, succes werd synoniem met goed en waardevol.
De blik van de kijker moest gevangen worden en gevangen blijven.
De wilde explorerende blik werd gedomesticeerd.
Wie zapte dacht vrij te zijn om ieder moment weer iets anders te kiezen.
Maar tv-verslaving bleek geen keuze te zijn, maar een tunnelvisie.

De beste informatie gaf de televisie als metafoor voor de menselijke geest, als spiegel.
Een projectiescherm waarop zowel het mooiste als de grootste bagger te zien was.
Waarbij het heel verleidelijk was om de kaart aan te zien voor het gebied.
TV-realiteit was altijd geregiseerd, geformatteerd, voorgekauwd, zelfs (of beter gezegd juist) als het live was.
Televisie spiegelde de verslaving, het onvermogen om het ding uit te zetten, je mocht niets missen.
Je ontdekte pas hoe immens groot, onvoorspelbaar en multidimensionaal de wereld was als je het ding had uitgezet.
Alsof je wonend in een culinaire stad vol restaurants iedere dag toch weer bij de automatiek een kroketje uit de muur had getrokken.

De computer is net zo’n metafoor, het is alleen nog net iets persoonlijker.
Je bent nu een ‘personal brand’ en vooral een consument.
Het schept de illusie van interactiviteit, maar je weet nooit wie of wat er aan de andere kant zit.
Een robot of een mens die zich voor iemand anders uitgeeft of iemand die echt denkt dat zijn facebookgezicht echt is,
een androïde.
De hele virtuele wereld wil jou bedienen op je persoonlijke voorkeuren, als je maar betaalt en je privacy verkoopt voor toegang tot het netwerk.
Je bent nu een product op de markt, de relatie markt, de arbeidsmarkt, de supermarkt.
Alles is een markt en marketing.
Het geeft je de illusie van macht en sturing, manipuleer je zelf of wordt je gemanipuleerd door marktgestuurde informatie?
Het blijft hoe dan ook manipulatie.

Met de nieuwste metafoor, de mobiele telefoon, heb je je persoonlijkheid altijd bij de hand, je geheugen, je parate kennis, je familie, je agenda, je muziek, je film, je boek, je talloze vrienden, je afkeer en je voorkeuren.
Kortom, je zoekgeschiedenis als een spiegel voor wat persoonlijkheid is.
Wie ben je nu als je batterij plots leeg is?

Ons lichaam is zelf een wereldontvanger.
Wij opereren als zender en ontvanger tegelijk.
Als programmamakers, regisseurs, acteurs schrijven we zelf het script van deze 3-D film.
En de plot van deze onvoorstelbare voorstelling is;

Aan het eind van de markt is iedereen los.

Fabel van de grensverlegger

Het hek doet zich voor als een voldongen ijzeren feit.
Zonder grensverlegger bestaat het begrip hek niet.

Ben je nu een vogel, gevangen in een hele mooie kooi
of ben je een buitengeslotene, verstoten uit de paradijstuin?

Ben je binnen of ben je buiten, het is een oneigenlijk dilemma want de wereld verschijnt in jou,
binnen jouw belevingswereld.

Wat je buiten noemt valt binnen jouw belevingswereld.
Zelfs dat waar je kennis van hebt en wat niet wilt weten
kan niet ontkend worden, hoe ver je het ook wegdrukt.
Hoe meer je zoiets wegdrukt hoe sterker de aanwezigheid wordt bevestigd.

Om iets te kunnen ontkennen moet het er eerst zijn,
daarom werkt ontkenning als een bevestiging.

Erkenning en aanvaarding werken als oplosmiddel.
Echter niet als strategie, alleen wanneer iets van harte omarmd wordt.

Bewust zijn is een open poort, het scharniert naar alle dimensies. Er is geen sleutel, bewust zijn is zelf de toegang tot alles.

Het gaat voorbij aan beperkingen, voorbij aan lichaamsgrenzen.

Vraagbaken

hoe laat is de tijd?
hoe duur is het geld?
hoe leeg is het ruim?
wie ruimt er het veld?

wie zuigt uit z’n duim?
wat valt in een gat?
wie speelt er de held?
wie gaat er nog prat?

wie is er bereid?
hoe hoog ligt de lat?
wie heeft er al spijt?
wie is het nu zat?

wat duur is het geld?
wie staat ergens voor?
wat lijkt nergens naar?
wat kan ermee door?

wat ziet het gezicht?
wie maakt het verwijt?
wat weegt het gewicht?
hoe laat is de tijd?

wat wordt er vermeld?
wat is een gedicht?
wie heeft het voorspeld?
wat ziet hier het licht?

wat schuilt er latent?
wie zuigt uit de duim?
wat wordt er ontkend?
waar blijft het verzuim?

wat is nu het feit?
wat is permanent?
waar vind je de schat?
wie is hier bekend?

hoe droog is het vocht?
waar leidt het spoor toe?
wat zacht is de kracht?
hoe waar is een koe?

hoe spaar je de wolf
de kool en de geit?
hoe recht is een bocht?
hoe lang duurt de tijd?

waar wachten we op?
hoe zwart is de nacht?
wat kost je de kop?
wat had je verwacht?

wat wordt nooit verteld?
wat zwijgt onze taal?
wat is ver gezocht?
hoe vreemd is normaal?

waar doe je het voor?
wat blijft ongekend?
wat als je niks hebt
en alles al bent?

Fabel van het eerste oog

Water is de basis van het leven op aarde.
Wellicht is droogte de basis van buitenaards leven,
maar aards leven moet nattigheid bevatten.

Een wateroppervlak heeft de eigenschap te reflecteren,
in een regendruppel weerspiegelt de hele omgeving.

Het is misschien een idioot idee, maar wat is er idioter dan de praktijk van deze evolutie?
Dit idiote idee is dus in goed pragmatisch gezelschap, tot er een beter idioot idee komt.

Zou weerspiegeling het allereerste begin kunnen zijn van een oog? Zou de eerste reflectie in het eerste water, het eerste zien hebben veroorzaakt, of beter gezegd veroogzaakt?

Verzocht de weerspiegelde hemel dringend om een oog, uit noodzaak waargenomen te willen worden? Is reflectie de eerste gedachtenvorm verschenen aan het geestesoog?

Het geestesoog ziet wat het fysiek oog doorgeeft, maar het geestesoog ziet ook zonder fysiek oog. Het ziet bijvoorbeeld wanneer het fysieke oog blind is.

Hoe kunnen dieren en planten zulke subtiele, intelligente aanpassingen belichamen zonder bewust te zijn van de talloze factoren die meespelen en nodig zijn voor de realisatie van bijvoorbeeld een oog?

Bovenstaande vragen zijn natuurlijk onzinning als er niet eerst een intelligent bewust zijn aanwezig is. Wat heeft een oog voor zin als er niet al een bewuste waarnemendheid is.

Dat wat wij wereld noemen is te herleiden als de werking van zintuigen. Zonder getuige van die zintuiglijke prikkels is er geen waargenomen wereld. Het mysterie is zeer pragmatisch.

Vandaag in Nutopia

“Zwervend door Holland stuit ik op eindeloze hekken
die afgezaagd door omheind laagland gaan”

Ik heb een droom, mijn droom begint met een boom,
een fruitboom.
Stel je ons holle land eens voor zonder hekken.
Een land waar je zonder hindernissen kunt rondwandelen.
Stel je voor, uitdelen in plaats van verdelen, opdelen en indelen.

Fruitheggen in plaats van hekken, overal langs wegen,
paden, landerijen, heggen van fruit, appels, peren, noten,
pruimen, kersen, frambozen, op handhoogte te plukken
voor de toevallige voorbijganger.

Stel je voor, iedere zomer een fruitfeest van overvloed
voor vogels, insecten, kinderen, moeders maken jam en taart.
Dan is het hek pas goed van de dam,
de heg vlecht zich voort tot een onbegrensde boomgaard

Stel je voor, begin gewoon aan de rand van je eigen tuin,
plant daar een heg van diverse fruitbomen,
vlecht ze in elkaar en wacht rustig af,
elk jaar zal de heg je dankbaar zijn

Een droom die nu wordt waargemaakt is geen droom meer.
Wanneer het gebeurt doet er niet toe, maar het zal vandaag zijn.
Het is altijd vandaag in Nutopia.

Meervoudig begaafd

Onze eerste tweedehands automobiel had een onbestemde kleur, een Tjechische Skoda. De stuurinrichting shimmyde.
Onder het rijden trilde het stuur vanzelf nerveus heen en weer. Mijn vader die geen zenuwlijder was kreeg er wel degelijk de zenuwen van.
We waren in alle vroegte gevlucht voor familieleden die ons in het Ahrdal met hun Alpenkruizer ongevraagd waren komen opzoeken.
Het uitspreken van dingen die niet bevielen beviel mijn ouders kennelijk niet zo.
Ze reden liever in het diepste geheim weg, zonder enige verklaring, zonder confrontatie.
Later bleek de oom kruimelcrimineel te zijn, maar ook zedendelinquent, meervoudig begaafd.

Bij Neurenberg raakten mijn ouders in conflict over de te nemen richting.
Mijn moeder las de kaart op z’n kop en gaf louter tegenstrijdige infomatie, terwijl vader worstelde om het zenuwenstuur in bedwang te houden.
Vlak voor de grote rotonde was de paniek compleet, waar moet ik heen? riep pa wanhopig.
Ik zat achterin tussen de twee kiftende echtelieden in, ik riep;
“Rustig, dit is een rotonde, we kunnen hier net zo lang rondjes blijven rijden tot we de goede afslag weten.”
Verbijsterd keken mijn ouders elkaar aan en konden even ontspannen.
Na vijf rondjes had moeder de juiste afslag ontdekt,
resoluut wees ze ons de juiste richting aan.

Het viel ons gaandeweg wel op dat het verkeer steeds rustiger werd. De autobahn was prachtig breed en glad.
Ook werden we steeds vaker door enorm snelle bolides ingehaald.
Het waren echte raceauto’s.
Moeder begon zenuwachtig te lachen.
Een man met en geblokte vlag leidde ons, na een trage finish, naar de kant.
We waren op de Nürnburgerring terecht gekomen, het GrandPrix-circuit.
Een goede Duitser leidde ons terug naar de autobahn huiswaarts.
Oom Adolf was de slechte Duitser die mooie autobahnen had gemaakt en iedereen een Volkswagen had beloofd.
Wist ik veel dat het een foute Oostenrijker was als zesjarige?

Op het plein bij de Keulse dom hielden we een pauze, er werd een splinternieuwe Skoda verloot.
Ik mocht een lootje kopen om mijn vader een bestuurbare auto te bezorgen.
Er werd aan het rad gedraaid en het scheelde maar één cijfertje.
Mijn moeder bleef maar volhouden dat het bijna gelukt was.
Intuïtief wist ik dat net mis gewoon helemaal mis is en bijna raak er helemaal naast. Vergeefs probeerde het uit te leggen aan mijn moeder.
Het voelde als falen dat die nieuwe Skoda op dat plein bleef staan. Ik gunde mijn vader zo van harte een stevig stuur om zich aan vast te houden.

Na een rustige vakantieweek thuis kwamen de verlaten familieleden aanrijden.
Mijn vader zag ze net op tijd. Verstop je, daar komen ze!
Als ze zien dat we thuis zijn komen ze binnen en komen we niet meer van ze af. Ga op de grond liggen.
Er maakte zich een zenuwachtige spanning van ons meester, er werd onderdrukt gegniffeld.
De bel bleef maar rinkelen.
Ze wisten dat we thuis waren, onze vale Skoda stond immers voor de deur.
De familie droop uiteindelijk af, argwanend naar ons huis turend.
Wij waren onderduikers in ons eigen huis, ondergedoken voor foute familie. De Skoda bleek steeds meer onbestuurbaar en werd ingeruild voor een Volkswagen Die snorde als een meikever.
De droom van iedere Duitser.