Lachs

’s morgens gong de lachwekker af
lach er een visdame van zware zeden
met de slappe lach van een windei

dus ik dacht als het eerst om mij lacht
dan lach ik wel later het best
het lacht in de lijn van het onverwachte

wat schiet er in de lach, gaten van ernst?
wie liet zich ooit iets gelegen lachen
aan dit belacheloze bestaan

een lach is zelf niet leuk helaas
altijd die lachers op haar bezwete hand
belachelijk dwaas, door waan bepaald

wie betaalt trouwens het gelach
van brul&gier en met welk
bruto belachbaar inkomen?

onder ede van een edelachbare
pleiten de lachtoffers lachhartig
voor louter zoute kul

zo is er voor elk wat lachs
gemarineerd in de pekelzee
de lach als neusje van de zalm

Levenskunst 2

De verzamelde kunstliefhebbers raakten door de in witte wijn gebluste irritatie, wat oververhit.
Wat is zo bijzonder aan levenskunst, ik kan thuis ook op een stoel gaan zitten.
U zegt het, maar doet u het ook?
Dat doet er niet toe, wat is dan het verschil tussen kunst en leven?
Wie stelt vast dat er een verschil is of moet zijn?
Nou ja , je gaat toch niet iets gewoons tentoonstellen?
Dus u vindt dit gewoon?
Het stelt toch helemaal niets voor?
Wie stelt vast dat het iets gewoon is en iets anders moet voorstellen?
Dit zijn toch gewoon de nieuwe kleren van de keizer?
Hoe zou dat kunnen, deze man is al compleet naakt?
Geef mij één reden waarom dit kunst zou zijn.
Al uw vragen komen tot dusver voort uit valse aannames, wie beweert dat dit kunst is of geen kunst is?
Ok, wat is het dan wel, het is wel in een Gallery geëxposeerd?
Als deze levenskunst in een autoshowroom was tentoongesteld, was het dan opeens een vervoermiddel?

Het is dus niets, vatte de lila gastheer bondig samen, het stelt niets voor, geen statement, het pretendeert niets.
Dan hebben wij ons voor niets zo druk gemaakt.
Dat is op zich een scheppende daad, van niets iets maken.

Levenskunst 2014

Ik liep door de stad waar het volgens geruchten allemaal gebeurde.
De grachten waren inderdaad verstopt met vrachtverkeer, toeterende auto’s en relaxte verhuizers.
Even verderop stonden mensen in vrijtijdskleding op straat met witte wijn, een vernissage bij een gerenommeerde Gallery.
Dat vrije tijd een eigen kledinglijn voerde had mij al vaker verbaasd.
In de etalage stond een werk tentoongesteld, een ‘doorsnee’ man gezeten in een stoel.
Het bleek het enige werk in de Gallery.
“Levenskunst?” 2014 stond er op het bordje naast de stoel, verder geen verklaring.
Er hing een lacherige sfeer, grappen waren niet van de lucht. “het werk is zo vers, je kunt het zelfs buiten ruiken”

Deze kunst was niet te koop. Waren verzamelaars massaal voor niets naar dit baanbrekende werk komen kijken?
Veel witte wijn bood troost en verstrooiing.
De verantwoordelijke kunstenaar was nergens te vinden, dus alle pijlen richtten zich op de galleryhouder die voor de gelegenheid een lila maatpak droeg.

Is het dan een performance? vroeg een kunstkenner.
Nee, het is geen performance, het is levenskunst!
Waar is de kunstenaar, is hij zelf de kunstenaar?
Er is alleen kunst, geen kunstenaar, verklaarde de man in lila.
Jaja, zeker zoals er een schepping is maar dan zonder God?
U zegt het.
Waarom is het niet te koop dan, alles is te koop, er bestaat nog steeds slavenhandel dus waarom geen luxe slavernij om werkloos op een stoel te zitten. U zegt het.
En u zegt: U zegt het…?
Een rhetorisch zwijgen vulde de Gallery waardoor alle omstanders zich geroepen voelden zich ermee te bemoeien.
Waarom vragen we het niet aan het werk zelf? zo werd er geopperd.
Het werk zegt niets, zei de gastheer
Waarom niet, is het soms levenskunst om te zwijgen?
Nee hoor, maar het werk spreekt vanzelf.
Nou wat zegt het dan? Het kijkt voor zich uit…het zit…het zwijgt boekdelen…luistert het?
Dit werk luistert heel nauw, merkte de gastheer op.
Het werk trok de wenkbrauwen op.
Wie heeft u gemaakt, wie is de kunstenaar?
Het werk begon te blozen.
Het mag dan interactief zijn, maar het kan mij niet boeien.
Waarom bent u hier dan?
Ik kom hier voor echte kunst, heeft dit met levenskunst te maken, dat is toch geen leven?
Deze levenskunst is echter dan echt, het ademt, het leeft, in tegenstelling tot de kunst die dood is.

Het badwaterkind

het graf is weer begraven,
ze was al vaker leeggeroofd,
het mysterie verpatst voor wat snel geld

hersenen uitgedacht,
ogen uitgekeken,
nasuizende oren.

vraag niet wat de vraag is,
dit antwoord is het antwoord
alom en tegenwoordig bezongen
door gevederde medereizigers

het ei is heel, de vogel gevlogen.
luister maar, het oorgesuis is ruis van lange wiekslagen.

gravende handen worden over het hoofd gezien,
de enige buit, vuilgerande nagels en ontgoochelde ogen

het zoeken dat zich zoekt blijft onopgemerkt,
blind voor het vinden dat zich vindt, een echt badwaterkind

het hoofd, een gouden vogelkooi
om het spelende wezen in te lokken, elk lokaas is vergeefs

haar wezen valt nooit te vangen,
daarom zo onvervangbaar

ze komt als gunst op bezoek of niet,
nooit door verlangen

Betonkoffer


Ik ben een koffertje van beton, gewapend beton.
Gegoten uit één stuk voor de grote reis naar daar,
want hier ben ik zo zwaar, verderop schijnt het veel lichter,
ondraaglijk licht volgens sommigen, ze dragen zonnebrillen.
Ik kan mij te licht niet voorstellen, het kan mij niet licht genoeg.
Bagage houdt je hier op aarde, ballast om niet weg te zweven.
Men heeft hier beneden een zwaar leven, vandaar dat ik naar daar verlang.
Inhoud heb ik niet, ja betonijzer,kiezels, cement en wat zand

Natuurlijk vergis ik me,
(menselijk is vergissen)
Ik heb een koffertje dat ik onbedroefd hier achterlaat,
langs de straat voor de gelukkige vinder,
een liefhebber van zwaartekracht
Zware bagage kun je beter missen als je nergens heen hoeft.
Het zijn floreert met minder.
Wat je bent is geen bezit.

Bijheid en mensheid

Er schijnen 25.000 soorten bijen te zijn,
met vijfentwintigduizend bijzonderheden.
Als dat nog geen duizelingen wekt?

Hoeveel soorten mens zouden er zijn
met even zovele eigenaardigheden?
Is er een mensheid en een bijheid?

Bijenvariaties zijn biologisch, evolutionair gestuurd.
Menselijke variëteiten lijken vooral ideologisch gestuurd.
Er zijn weliswaar allerlei biologisch gekleurde mensen,
maar ideologie snijdt dwars door al die kleuren heen.

Ideeën over ras, nationalisme, religieuze, politieke
en quasi objectief wetenschappelijke overtuigingen
verdelen dat wat inherent al een is.

Zolang mensen zich door ideologie laten sturen
kunnen we niet van een mensheid spreken.
Dan blijven alle denkbeeldige ondersoorten elkaar bestrijden
op grond van denkbeelden die op geen enkele realiteit gebaseerd zijn.
Alleen de structurele herhaling verleent deze denkbeelden een schijn van werkelijkheid.
Een zichzelf herhalende waan schept van nature waanzin.

Laat mij dan maar bij zijn,
liefst een hommelachtige eenling zonder volk.
Laat mij dan maar ronddolen in deze betoverde tuin,
stervend van het leven zoals de natuur voorschrijft,
gewekt door duizelingen.

Fabel van de yup

Mijn tag is RS met een doodshoofdje.
Bij het zetten van mijn eerste tag werd ik gestoord door de buurtconciërge.
Zodoende heeft de schedel maar een oog, wel zo passend achteraf.
Wat ook grappig is , is dat de punt van het uitroepteken het oog vormt.
Sinds die eerste spoot ik het hele stadsdeel onder.

Ik geef toe dat ik een halfzwarte kijk op de bovenwereld heb. De initialen staan voor Rebel Skull.
De tekst is erboven uit mijn leven gegrepen, overdag zit ik in het pak genaaid van die meedenkbank.
Het betaalt te goed om alleen maar op de verkeerde plaats dagelijks present te zijn.
Na zessen vertoon ik mij in klederdracht van de Noiz Boyz from the Hood, onherkenbaar voor mijn bancaire collegae.
Ik ben als yup gewoon in de sloopwijk blijven wonen in de periferie van de grote stad waar alles gebeurt.
Veel flats staan al leeg, daar voetballen we tot de ruiten eruit liggen.
De Boys weten niets van mijn dubbelleven, ze denken dat ik overdag dealtjes sluit.
Dat klopt ook wel, ik verstrek alleen leningen aan geldverslaafden.
Wat ze met het geld doen, geen idee,
ze hangen de mooiste verhalen op, maar het zou mij niet verbazen als ze er drugs mee afbetaalden.
De verslaafden hangen in rijen in de wacht van onze digitale secretaresse.
Ik hoor helemaal bij the gang zolang ik niet uit de kast kom. De pooierbak waarin ik rij dient mij als alibi, bewijs van slecht gedrag.
Vaak staan we met wat NoizBoyz rhyms te rappen in het portiek op de groove van de ghettoblaster die ik de jongens kado heb gedaan.
“hee, Rebel hoe kom je aan die megashit?”
“een betaling in natura!”

Het wringt wel overdag, steeds meer.
Ik verlang soms ’s morgens al naar de schemering, mijn natuurlijke habitat.
Zelfs mijn moeder weet niet wat ik uitspook.
Maandelijks geef ik haar cash, dan kijkt bedenkelijk naar de grond.
Ze woont ook in de wijk.
Binnen een paar dagen zou de hele buurt het weten.
Ik hoop volgend jaar promotie te maken en de dealing room te infiltreren.
Eenmaal binnen ga ik mijn slag slaan, eerst vertrouwen winnen door onberispelijk te innen.
Geldhandel is minder persoonlijk, geld met geld maken, handelen in voorkennis.
Mijn superieur vertrouwde mij al cynisch toe ;
Van vrienden moet het hier niet hebben, een kennis is goed, voorkennis is beter.

Om schone handen te krijgen moeten ze eerst goed vuil zijn, zo zwart als bankroet.

Fabel van de Ufo


Het Unidentified Flying Object heeft mijn warme belangstelling.
Niet omdat zo verlang naar buitenaardse intelligentie.
Ik verlang in feite alleen naar de aanwezige intelligentie op aarde.
Die intelligentie is in overvloed aanwezig.
Het wordt alleen niet herkend laat staan dat de gebruiksaanwijzing in alle talen beschikbaar is.
Wanneer iemand iets kan onthouden wordt dat als teken van intelligentie gezien,
terwijl hij alleen maar de algemeen aanvaarde afspraak bevestigt, dat kan een encyclopedie ook.
Intelligentie heeft meer te maken met onmiddelijk inzicht in het grote verband.

De Ufo verbaast mij vanwege de aanname die eraan vooraf gaat, namelijk dat wij denken dat wij alle objecten, die op aarde staan en/of rondvliegen begrijpen door ze te categoriseren.
Deze aanname is moeilijk te bestrijden omdat men er in het algemeen rotsvast van overtuigd is dat iets begrepen wordt wanneer het een naam heeft gekregen en tot begrip is gemaakt. In feite wordt alleen het begrip begrepen, verder niets.
Van het levende gebied wordt een landkaart gemaakt,
vervolgens zwaait men trots met de kaart alsof men het gebied kent als de eigen broekzak.

Het voortbestaan van de Ufo is helemaal afhankelijk van het niet kunnen verklaren van vliegende objecten.
Zodra het verklaard is bestaat het niet meer als Ufo,
het verschijnsel is teruggebracht tot een hanteerbaar begrip en daarmee niet meer interessant want de rest van de wereld is immers verklaard door de grote namennoemer.

Dat iets onherkenbaar door de lucht vliegt schijnt extra tot de verbeelding te spreken.
De Ulo , an unidentified lying object, ligt minder in de belangstelling.
Wacht niet op buitenaards bezoek, kijk goed naar al die liggende vreemde objecten waar de aarde mee bezaaid is.
Hoe meer je kijkt hoe meer je beseft niets te begrijpen dan begrip.
Ik snap er niets van.
Er rest mij niets dan onbegrijpelijk zijn.

De fabel van Franz K.


Het insekt dat ik vandaag recenseer is vrij uniek, nogal enig in zijn soort.
Niet enig in de zin van aandoenlijk leuk.
Leuk is geen passende typering van deze geleedpotige, mysterieus komt meer in de richting.
Het eigenaardige van dit wezen is dat het plots een metamorfose heeft ondergaan vanuit een popstadium.
Nu doen wel meer insekten aan imagovorming vanuit een verpopping.
Maar deze pop vertoonde een bizarre vorm, namelijk een menselijke gedaante.

Een jong, menselijk exemplaar was, nog onwetend van zijn verandering, naar de badkamer geschuifeld en op de wc gaan zitten.
Terwijl hij naar de grond keek vielen hem de vreemde glanzend zwarte tentakels op die aan zijn lijf leken vast te zitten.
De vormen fascineerden hem zo dat het niet bij hem opkwam om bang te worden.
De spiegel bevestigde geleidelijk zijn vermoeden, hij bezag zichzelf als een harig insekt.
Een verstilde euforie maakte zich meester van hem, eindelijk gebeurde er iets, iets ongekends, opwindend en vreemd.
Het levend begraven zijn in de cocon van verveling leek te zijn doorbroken.

K. behield dezelfde naam na zijn gedaantewisseling:
ik zal hem hier verder Franz K. noemen om iedere gelijkenis met bestaande personages te vermijden.
Franz K. was als kind doodsbang om eeuwig bij zijn ouders te moeten blijven, gedetineerd onder hun verstikkende toezicht.
Starend naar het plafond, wachtend op evolutie.

Moeder K. had haar zoon geroepen die bewuste ochtend: ‘Franz kom je ontbijten?’
Franz spiedde met zijn facetoog door de kierende deur naar zijn moeder en zag dat ook zij in een harige insekt veranderd was, dat deed hem geen genoegen, maar tegelijk stelde het hem op onheilspellende wijze gerust.
Nu ontwaarde hij ook zijn vader die bulderde:
‘Franz waar blijft je nou?’
In Franz groeide het besef dat elke menselijke gestalte slechts een voorstadium was voor iets ongekends…

Franz zag zijn moeder met haar zwaarbehaarde achterwerk gonzend trillen. Was het om vader te verleiden?
Vaders voelsprieten wreven al raspend langs elkaar, alsof hij zich verheugde op een geheim genoegen.
De kleine Franz kreeg er jeuk van, hij kon het niet langer aanzien.

“Ik kom zzzzo” riep hij schor en deed deur onhoorbaar op het nachtslot, opende het venster en ging in de raamsponning staan.
Een huivering ging door hem heen.
Het waren zijn vleugelvliezen die op zijn rug zinderend trilden.
Hoe meer hij huiverde hoe sneller ze gingen wapperen.
De zindering tilde hem op tot buiten het raamkozijn, hij vloog.
Zijn denken was vliegen geworden, wat hij ook dacht daar werd hij vanzelf heengebracht.

Godzijdank was de ongelovige Franz K. in een harig insekt veranderd, bevrijd van de verveling.
Voortaan zou hij alleen nog in het ongelooflijke geloven.
Het was beter om even als eendagsvlieg te kunnen vliegen, dan als mens, hoogbejaard te vegeteren in de kraamkamer van het ouderlijk huis.

Het staren was voorgoed afgelopen.
Nu kon hij eindelijk op alle plafonds zitten, wat een vooruitzicht.

Bijverschijnsel

Vandaag begint het nazomeren,
het laatste staartje zomer is als een eerste begin,
zo moedig naief.

Het feest om na te bloeien,
zomaar nog eens een toegift op de overvloed,
oogsten wat nooit gezaaid is.

Licht aangeschoten dool ik korfloos rond,
een bij-verschijnsel, overbodig en vrij van taken,
mijn volk is mij vergeten.

Als laatste nectar proef ik
de gistende valappels onder de heg
ze rotten zo zoetjes aan weg.

dit laatste restje zomer begint,
ze blijft beginnen tot het begin
begint af te nemen.

Zomerloos.