Exit carpe diem

Het vergaan van de wereld is al eeuwen aangekondigd,
met een onvermoeibaar enthousiasme.
Moeder aarde vergaat echter zo moeizaam.
Er zit geen voortgang in haar vergaan.
Trager dan een dode slak.

Ze heeft geen haast en een lange laatste adem…zucht
Ze is niet alleen, ze is in goed gezelschap van het ademloze zijn.

Wij hebben haar vuur proberen te verbranden,
haar zee proberen te verdrinken in water,
haar hemel met lucht proberen weg te blazen
haar grond te bedelven onder zware aarde, vergeefse moeite.

Ach, ze wil best meewerken, maar vergaan gaat zo tegen haar
natuur in.
Ja goed, ze spuugt soms wat vuile lava uit haar puistige huid, ook dat vuil blijkt dan zo vruchtbaar dat nieuw leven ontstaat.
Natuur bloeit uitbundig op dode vulkaanas.

Haar onverwoestbare natuur lijkt wel op dat strijkorkestje
dat rustig hemelse muziek blijft spelen
op het dek van dat enorme zinkende schip.
Alsof ze het weten; op de bodem gaat het leven gewoon verder.

Maar laten we een ding afspreken:
Laten we de dagen niet meer plukken.
Gewoon de dagen laten hangen aan de levensboom,
die boom is al zo vaak geplunderd, dag in dag uit.

Laten we voortaan nog maar één dag leven,
naar de vruchten van deze dag kijken, wat rijp is valt ons vanzelf toe, ons ieder moment van de dag verwonderen over oningevulde ruimte. En laten we dan pas s’avonds laat voldaan sterven van de slaap.

Verteerbare toonkunst

Waar ben jij mee bezig? vroeg ik mijn vriend, de toonkunstenaar.
Ik werk aan een nieuw stuk.
Vertel, wat voor stuk wordt het?
Luister, ik begin hier dus met één enkele toon, die ik lang aanhou.
Hij begon te neuriën, er was geen piano voorhanden hier midden op de rotonde waar ik gras aan het maaien was.
Tenminste voor zover een pianotoon lang duurt, hij sterft dus langzaam weg.
Zo begint het stuk, hoor je het in je mentale oor?
Ja hoor, zei ik, het uitsterven hoor ik heel duidelijk.
Ik twijfel alleen aan die eerste toon, die ene eerste moet wel de juiste toon zetten, wat denk jij?
Volgens mij kan elke toon de juiste toon zijn als wat daarna komt maar de passende context vormt.
Jaja, peinsde mijn vriend en ging verder;
Na de derde herhaling komt er een tweede toon bij, je hoort ze duidelijk resoneren niet?
Twee noten is nog geen melodie, maar dan komt het: met de derde noot erbij zou het een accoord worden maar daarvoor is ze te dissonant.
Het stuk komt heel langzaam op gang, lento sostenuto.
Die dissonante derde toon lost maar niet op, hoor je, het verwachte accoord komt er maar niet.
Voel je de spanning, die derde toon blijft maar janken, ik wil naar huis, toe laat me oplossen in de warme harmonische consensus van het accoord, tevergeefs.
Als toonkunstenaar moet je soms wreed zijn omwille van de schoonheid.
Nu pas, na vijf minuut dertien komt de eerste grondtoon in de bas.
Voel je de opluchting, weliswaar geen oplossing, maar de melodie van drie noten krijgt eindelijk grond onder de voeten.
Sequensgewijs meandert de melodie nu in spiegelbeeld en kreeftgang fugatisch naar een climax terwijl de bas als een passacaglia statig voortschrijdt, als een trotse haan.
Baslijn en fuga komen in het middenregister samen tot een motorisch continuüm.
Een Presto tumultuoso dat cumuleert in een largo agitato, pianississimo, dat wel.
Het schuim van de vervoering stond inmiddels op zijn lippen.
De machinale kakafonie komt geleidelijk aan tot stilstand, snap je wat ik bedoel?
Nou nee, ik hoor je woorden alleen maar als betekenisloze klanken, fonetische ruis.
Ach, laat ook maar…we zitten op een andere golflengte.
Het is alsof ik je een nog nooit gekookt recept voorlees, flauwekul natuurlijk.
Kom vanavond bij ons eten dan proef je in één hap wat ik bedoel, dan speel ik je daarna het stuk voor.
Wat eten we dan?
Dat kan ik nog niet verklappen, een nog onbekend recept,
je weet niet wat je proeft.
Zolang er maar geen fuga in verwerkt is, dat verteert mijn muzikale maag niet.
Je eet liever audiosnacks, muzak met een beat eronder?
Ik heb gewoon geen trek om mijn tanden stuk te bijten op zo’n taaie fuga.
Sommige dingen moet je leren eten, deze fuga is mals als draadjesvlees dat beloof ik je.
Je weet dat ik vegetariër ben?
Weet je wat, dan maak ik er voor jou wel soep van, gepureerd.
Goed dan, hoe heet je stuk trouwens?
Vermicelli, hoe laat ben je uitgemaaid?

Gebruiksaanwijzing: Peau et Cie 2014

Mogen wij u feliciteren met de aanschaf van de Peau et Cie 2014

-Zorg altijd dat dit het juiste moment is.
-Lees eerst de gebruiksaanwijzing (volg de pijltjes).
-Hou het apparaat goed schoon en droog.
-Controleer eerst of er spanning op het net zit alvorens de
stroom in te schakelen.
-Gebruik het apparaat nooit langer dan 30 minuten op stand
vier, laat het dan een kwartier rusten en afkoelen voordat u
het werk hervat.

-Nu is altijd het juiste moment, inderdaad dit moment.
-De gebruiksaanwijzing is naar behoren uitgelezen.
-De eerste keer kan het apparaat een vreemde geur afgeven, dit
is nieuwigheid.
-Betaal op tijd uw stroomrekening zodat u het apparaat altijd
voeding kunt geven.
-Op stand twee kunt u het apparaat twee keer zo lang gebruiken,
in dit geval raden wij u aan na een uur werk te gaan rusten,
het werk kan eventueel de volgende dag worden hervat.

De Peau et Cie is ook manueel te gebruiken.

-Knip in dit geval het snoer maar af, een stekker is overbodig.
-Smeer de scharnieren schaars met kruipolie, de nieuwgeur zal
uitblijven.
-De toepassingen van dit apparaat zijn legio, het valt niet mee
te bedenken voor welk doel dit geen toepassing zou hebben.
-Bewaar het apparaat op een plaats waardoor u er veelvuldig
gebruik van kan maken.
-Bij storing, nooit zelf repareren, direct retour sturen naar
de fabriek.

Vlakkenvullers


Waar komt de behoefte vandaan om vlakken te vullen als het ook zonder kan?
Je kunt het vlak ook volstorten met beton, als vloer om op te lopen, beton als bodem is zeer functioneel.
Waarom zou een vloer van sierlijk mozaïek moeten zijn?
Versieren kost veel geld, inspanning, tijd, liefde, aandacht, onderhoud, herstel, wat mooi is kan lelijk worden.
Kennelijk vertegenwoordigt versiering een belangrijke waarde.

Kunst is moeizaam te duiden, maar het versiert op z’n minst het leven.
Het lijkt erop alsof de dingen ons het hof moeten maken, zodat wij versierd worden.
Voor schoonheid valt een menselijk dier in katzwijm, kunst maakt ons het hof.
In de natuur maken dieren elkaar het hof door zichzelf fysiek te versieren.
Bij de naakte mens heeft mode die functie.

Eigenlijk zijn alle dingen externe sieraden om aandacht van mogelijke levensgezellen mee te trekken.
Kunst, dans, muziek, architectuur, design, literatuur.
Alle kunst is toegepaste kunst, alleen sommige kunst heeft geen nuttige bijfunctie; dat wordt dan als echte kunst gezien.
De waarde van ‘echte’ kunst wordt gevormd door het a-functionele, het onpraktische en het doelloze.
Zo word het versierde ding drager van immateriële waarden.

In de kunst is ook een ferme stroming die vooral het afzichtelijke en afstotende wil uitdrukken.
Geen versiering om de kijker in te palmen, maar een bewust shockeffect dat de kijker wil wakkerschudden.
De toeschouwer wordt op zichzelf teruggeworpen, in staat van beschuldiging gesteld en tot medeplichtige gemaakt, want stille getuige.
Werkt deze kunst aan een verbetering van de wereld of is het meehuilen met wolven in het bos?

Verleiden om in schoonheid op te gaan of bestraffen met lelijkheid.
De vraag is welke benadering beter werkt.
Werkelijkheid is een onderzoek naar dat wat werkt en vooral het bewust nalaten van wat niet werkt.
Wanneer dat wat niet werkt werd nagelaten, zou de uitwerking in de wereld al zo sterk zijn dat datgene wat wel werkt achterwege gelaten kan worden.

Nalatigheid als ultieme daadkracht.

Pruiskoordwuzzel

pruiskoordwuzzel
neven vorizontaal
zegen hertikaal
nomt kiet
oed guit
dan vaar
wat de
we doorden
been eetje
vehanderd rebben
twelf zorihontaal
en
aalf kertivaal
noppen klu
als een
verende zwinger
er
nopt kliets
dan veze
weemde vrereld
twie zoritonhaal
dree tervikaal
bonderwaarlijk
en
ongoordrondelijk
foe hijn
dals it
roordwaadsel
mentinste
blopt als een kus
zeel plevier

Planken wambuizen


Staatsieportret van familie De Dood (R. Magritte).
Discreet verhuld in houten jassen poseert
het gelukkige gezin op een zonnig bordes

om het publiek hartelijk te begroeten.
Als oudste en sterkste geslacht regeert
het koninklijk ras een hemels dodenrijk.

Normaal vertonen ze zich niet graag
in het openbare leven om geen aanstoot
te geven, hun reputatie is al een plaag.

Nergens kun je aardse grond betreden
zonder op stoffelijke resten te staan
van een of ander voormalig levend wezen.

Familie De Dood adopteert graag eenieder
die noodzakelijk van het leven moet genezen,
zo komt alles en iedereen samen als familieleden.

Eens gaan wij hemelen en samen naar de maan,
de familienaam is onsterfelijk, als merk beroemd,
zelden bij naam genoemd, dood kan niet bestaan,

ze schittert door afwezig zijn en een totaal gebrek
aan uiterlijk vertoon, wat rest is binnenkant.
Het licht van sterrenstof verheldert het hele vertrek.

Het vertrek lijkt een aankomsthal waar alle reizen
naar huis beginnen, thuis als een bodemloos land
van luchtig licht, meer kan een reiziger niet eisen.

Geraakt door het onaantastbare


“Dit kunstwerk is van glas en zeer fragiel
Niet aanraken alstublieft”

Uit dit museumbord valt op te maken dat alle onbreekbare kunstwerken in het museum vrijelijk betast mogen worden.
Wanneer een beeld mij raakt dan wil ik dat het liefst meteen omhelzen, strelen of op z’n minst even een hand geven.
Net als met een hond of kat, ik wil ze voelen, direct dierlijk contact.

Ik weet zeker dat beelden het ook heerlijk vinden om aangeraakt te worden.
In beeldenmusea word ik steevast op de vingers getikt door de kunstbewakers.
Het betasten moet dus snel en terloops gebeuren buiten het blikveld van een suppoost.
Je zou je bijna een viespeuk voelen omdat museale aanraking onder ongewenste intimiteiten valt.
Door de betovering van het aanraken vergeet je alles en word je alsnog weer betrapt, terwijl het mij toch al drie keer verboden was.
“Het is de laatste keer geweest, anders moeten wij u uit het museum verwijderen.”

Het is eenrichtingsverkeer, kunstwerken mogen iedereen raken, de toeschouwer moet het maar passief verwerken zonder fysieke steun.
Afblijven dus, niet omdat beelden zo kwetsbaar zijn, maar het patina zou kunnen verkleuren.
Veel kunstenaars vinden aanraking als vanzelfsprekend bij hun beeld horen, maar na de verkoop heeft de schepper er niets meer over te zeggen.

Sporen van contact maken het beeld levend, brons dat gepolijst wordt door aanrakingen.
Patina is slechts buitenkant, ik wil het onderhuidse voelen.
Meestal verlaat ik deze heilige kunsttempels met een onvoldaan gevoel.
Mijn handen jeuken als het ze verboden wordt te betasten.

Het sterkste staaltje van museale smetvrees beleefden wij in een overzichtstentoonstelling van het werk van Calder, bekend om zijn mobiles, bewegende beelden.
Een feest van kleur, vorm en beweging.
Ze hingen daar doods en onbeweeglijk, bevroren door museale mobilofobie.
Ik blies richting de ruimtelijke werken en werd onmiddellijk streng apart genomen door een kunstwaakhond.
We moesten onze adem inhouden.
Tegenspraak werd niet geduld, geduld was op, discussie uitgesloten.
Diepe zucht.
Ook het werk van Tingueley, dat motorisch wordt aangedreven, zie je vaak in eeuwige stilstand gegoten in musea van dode kunst.

een lepel, door het bordschrapen afgesleten,
een granieten trap, door zolen uitgehold,
een stoelzitting, door achterwerken gepolitoerd.
een paar ogen die zijn uitgekeken,
het patina van het geleefde.

Herfstindrukken


Op deze herfstdag ging je naar de dokter, de dokter was ziek thuisgebleven.
Er was een vervangster die beter was, ze was waarnemend, zei ze.
Buiten gingen alle sirenes af, eerste maandag van de maand, altijd een ramp.
Herfst viel buiten zacht onder de bomen, binnenshuis bleef het seizoenloos.
De wetenschap bewees in een artikel dat sterren geen sproeten zijn op het vergezicht van een hemels wezen, simpelweg door de wortel te trekken uit het magnum mysterium.
Inmiddels bleef de wereld verwonderd kijken naar haar herfstverval door middel van je eigen ogen.

Je voelde je al beter toen de vervangster jouw ziekte een latijnse naam gaf, met bijhorend antibioticum dat klonk als een toverspreuk.
Ze relativeerde: “Hoe zouden we ooit kunnen genezen zonder fatsoenlijke ziektes.”
Een autoalarm ging af, niemand kwam kijken, de auto reed snel weg.
Binnenshuis viel de avond, buiten flitste straatlantaarnlicht aan.
De roestkleurige herfstsproeten waaiden niet van het kindergezichtje, de wetenschap stond voor een raadsel.
Natuur degenereert even vitaal als ze regenereert: bloeiend verval.

Na het lezen van de bijsluiter voelde je je terstond genezen, ondermijnende bijverschijnselen.
Niet slikken gaf de beste bijwerking, die niet vermeld werd.
De buurman was zijn auto kwijt, hij kreeg een vervangend voertuig te leen.
Niets beter dan een waarnemend arts.

Inclusief het exclusieve


Ontoegankelijkheid maakt iets exclusief, maar het heilige heeft geen locatie.
Toegang versperren suggereert een bijzonderheid, slechts voor een paar ingewijden toegankelijk, de rest wordt buitengesloten.
Iedere heiligverklaring van een iets of een iemand is een teken van onbegrip.
Heilig is etymologisch een verwijzing naar heelheid, naar de totaliteit en die is per definitie inclusief.
Het inclusieve omvat al het exclusieve.

Of het geheel is heilig of niets is heilig.
Het heilige heeft geen middelpunt, geen vorm, geen naam, geen tijd.
Het is overal tegelijk of nergens.

Natuurlijk zijn er ook mensen die zeggen dat het heilige niet bestaat.
Ze hebben groot gelijk, in de zin dat een naam geven aan het totaal, totaal geen betekenis heeft omdat het alles betekent.
Het lijkt op een verklaring dat de oceaan zo nat is of dat leegte zo ruim is.
Zo’n naam staat een directe ervaring van wat heilig is in de weg.

Kun je het heilige ontkennen?
Ja, door wat heel is stuk te slaan.
Nee, want ook het stukslaan hoort bij het heel zijn.
Stukslaan is een bevestiging van de heelheid.
Na de totale vernietiging blijft het onverwoestbare.

Fabel van de gevonden voorwerpen

Ik beken, ik ben de dief van dit voertuig.
Als een joyrider heb ik de aardkorst ermee geteisterd.
Met iedere voetstap ontnam ik mijn mededingers bestaansgrond.
Voor alles begon waren we met miljoenen, ik was lui en ambitieloos.
Daardoor bevond ik mij in het midden, in de slipstream van de voorhoede en voortgestuwd door de achterhoede kwam ik in het vochtige nirvana.
Ik wilde alleen zijn en liet mij verorberen door de eerste de beste eicel, zo zou later blijken.
Dat mijn dood een bevruchting was kwam als een verrassing,
vooral omdat ik voorheen talloze malen verslonden ben in de oerzee.
Soms meen ik mij alle bestaansvormen die ik bewoonde te herinneren, van amoebe tot schelpdier, van kwal tot hamerhaai, het hele prehistorische experiment.
Ik voel mij dief van dit gestolen lichaam dat ik voor de neuzen van miljoenen ambitieuzen wegkaapte.
Leven is niet eerIijk, diefstal loont.
Hun mogelijke leven werd hun ontnomen, geen voertuigen meer beschikbaar.
Mijn wens alleen te willen zijn werd ruim beloond.
Ik kreeg alleen dit ene lichaam, een aards voertuig om mij in te verplaatsen.
Het beleeft wel aardig met al die extra binnenzintuigen, voor het nirvana was er alleen het buitenzintuiglijke, zo droog.
Als geboren dief kan ik niet veel anders dan stelen.
Mijn voedsel steel ik van de planten en dieren, mijn adem van de hemel.
Feitelijk is natuur natuurlijk één grote dievenbende die elkaar berooft en naar het leven staat, we zijn in goed gezelschap.
Dat ik deze woorden en beelden steel die niet van mij zijn is tot hier aan toe en onvermijdelijk.
Maar het feit dat ik het leven leef van al die miljoenen niemanden dwingt mij ertoe alle identiteiten die ik tot nu toe heb gestolen terug te brengen bij gevonden voorwerpen.
Waar de rechtmatige eigenaars zich kunnen melden.
Bestaan is eigenaardig, zo zonder bezit.