Gekreukeld antwoord


Weinigen weten het, maar Pollice draagt altijd een verkreukelde afbeelding van zijn geliefde in zijn binnenzak, dit blijft ook beter geheim.
Niemand weet wie het is, Pollice zelf ook niet.
Hij is nooit getrouwd, een verteller is getrouwd met zijn verhalen.
Het gelukkige huwelijk zou de bron van alle verhalen doen opdrogen?
Die bron zou gevoed worden door een onbeantwoorde liefde,
zo vertelde het volksgeloof.
Het was liefde op het eerste gezicht toen hij haar op die bladzijde zag kijken.
Zij was het, dat wist hij meteen.

Hij zou de schok van herkenning nooit vergeten, het tijdschrift dat hij doorbladerde in de wachtkamer van zijn bevriende psychiater.
Hij kon de verleiding niet weerstaan om het portret uit te scheuren en snel in zijn binnenzak verstoppen.
Zijn vriend bemerkte een opgewonden berusting bij Pollice, die zich betrapt voelde, maar het verse geheim was hem te dierbaar om vrij te geven.
Wanneer hij ergens een slaapplaats vond legde hij haar gekreukelde gezicht op het nachtkastje.
Zo hield hij zijn onbeantwoorde liefde in leven en de bron open.
Soms sprak hij tegen haar, vertrouwelijke zaken.
Ze begreep hem volkomen, gezien haar hemelse blik.

Regelmatig meende hij haar in iemand te herkennen.
“Ben jij het?”
“Natuurlijk ben ik het, wie zou ik anders zijn als ik het niet was?”
Ze droeg andere kleding, maar haar blik leek op de hare te lijken.
Zo ontdekte Pollice dat zodra iets lijkt, dat dat het dan zeker niet is.

Wat is een verhaal over een beantwoorde liefde?
Geen verhaal, geen verwikkelingen.
Pollice vermoedde soms dat de mensheid graag onbeantwoorde liefdes produceerde om het verhaal van de wereld gaande te houden.
In Umbrië heerst het volksgeloof dat de wereld stil valt als het verhaal niet verder zou gaan.
De wereld zal letterlijk vergaan, stoppen met draaien,
de aardbol zou uit de lucht vallen.
Hoewel Pollice wist dat het een fabeltje was kon het hem toch niet onberoerd laten.
Geloof geeft werking aan een verhaal, wist hij, bijgeloof brengt aan het twijfelen.
Voor de zekerheid bleef Pollice maar verhalen vertellen.

Wat is liefde anders dan een blind vertrouwen?
Vooral wanneer die liefde onbeantwoord blijft, moet het vertrouwen wel groot zijn.
Een verhaal beginnen vereist een enorm vertrouwen.
De verteller vaart blindelings de zee van mogelijkheden op,
niet wetend in welke vreemde haven hij het verhaal kan binnenloodsen.
Zinken is geen optie, want de liefde van zijn leven staat op het spel.

De pleitbezorger

Als pleitbezorger van het vluchtige oeuvre van Pollice Grosso heb ik veel kritiek mogen ontvangen voor mijn magere pogingen om een glimps van deze versluierde figuur te laten zien.
Men verwijt mij; onvolledigheid, slordigheid, onwaarheden en een platte schrijfstijl.
Ik wil mij hier graag mee verdedigen door te zeggen:
dit soort kritiek is volkomen terecht.
Het treft mij echter niet, want het betreft de aard van de zaak, het kan niet anders.
Pollice zal de eerste zijn om dit te beamen.
In zijn eigen woorden;
“het gesproken woord is de levende muziek, het boek is een dode partituur”

Schrijven is schrappen, een begraafplaats van lievelingen,
dus altijd onvolledig.
Het hoogst haalbare is je lievelingen tussen de regels door leven in te laten blazen door de lezer, maar dat is een zeldzaam talent wat mij niet gegeven is.

Wat betreft slordigheid; het leven is slordig, kijk eens naar de natuur, die chaos van een herfstbos en toch liggen alle blaadjes harmonisch op elkaar.
Het rommelige maakt een tekst levendig.
Pollice springt van de tak op de hak en weer terug, fladdert even rond voor een mugje en landt een stukje verder weer op hetzelfde takje.

Onwaarheden? Schrijven is net zo lang liegen totdat het gedrukt staat.
Staat het eenmaal gedrukt dan moet het zichzelf waarmaken, een goed verhaal lukt dat, een slecht verhaal is geen verhaal.
En dan mijn platte schrijfstijl.
Die erken ik volledig.
Mijn beschrijvingen beogen niets meer te zijn dan een plattegrond van het labyrint Grosso, de lezer moet zelf op pad.
“Stijl is niets anders dan het gestolde onvermogen van de schrijver”
“eigenheid of authenticiteit is die hoogst particuliere afwijking die een vorm vindt in taalkundige
eigenaardigheden, die niet iedereen zal verstaan die niet een soortgelijke afwijking koestert”

“Het verhaal bestaat uit de koestering van afwijkingen”

Vanzelfsprekend blijft er in de tekst slechts een schim over van de levendige legende Grosso.
Vergelijk het met muziek zegt Pollice;
“de muziek gaat verloren door het vastleggen in een partituur, de levensadem is eruit verdwenen”
Alleen een tovenaar kan die dode noten doen herleven.
Gelukkig is iedereen als tovenaar geboren, helaas weten slechts weinigen dat.
Wie dus al lezend muziek hoort, weet dat het toveren is begonnen.
Gebeurt het niet dan is het een slecht verhaal of
je mist de bijpassende afwijking.

De wereld in je binnenzak

De jas van Grosso leek wel een tent zonder stokken, als de wind eronder sloeg.
Hij kwam bijna tot op de grond, je kon er in wonen, nou ja…in overnachten, voor een keertje.
“Reizen doe je licht, reizen moet je lichter maken, waarom zou je anders reizen, reizen is geen vrachtvervoer.
Het echte reizen is de vervoering van het gewichtloze”
Een verteller draagt behalve zijn verhalen geen bagage, met dit verschil dat een verteller gedragen wordt door zijn verhalen” aldus Grosso.

De jas van de verteller heeft enorme lege zakken, zijn hele huishouden zit erin. Boeken zijn voor hem overbodig, dat scheelt, geen boekenkast nodig.
De bodem is uit de zakken gescheurd waardoor de hele voering feitelijk een grote zak is.
Het is de vilten herdersjas die hij ooit op een winternacht cado kreeg van de familie Agostini,
een oud geslacht van schapenhoeders, als dank voor hun vergeten familiegeschiedenis die hij hun had onthuld.
Pollice kwam informatie inwinnen over het verhaal’Pecora nera’ het zwarte schaap.
Ze wisten niets over hun markante voorouders.
Toen Grosso dat vernam stak hij overmoedig van wal door het ene gerucht aan het andere te breien, omdat het toch allemaal dezelfde wol is.
Hun betovergrootvader was te vondeling gelegd tussen de schapen.
Hij zou zijn opgegroeid als schaap als hij niet gevonden was door een adelijke familie van het wijnhuis Agostini, die hem uiteindelijk een goede opleiding tot advocaat had gegeven.
Ze noemde hem Trovatello, de gevondene.
Alleen schapengeblaat en de geur van wol kon hem als kind troost bieden, het verhaal wil dat hij huilde als een lammetje, hartverscheurend.
De jongen wilde maar niet deugen in de ogen van zijn weldoeners, alleen zijn zusje begreep hem wel.
Zijn goede opvoeding ten spijt bleef hij zich aangetrokken voelen tot het zachte schapenleven.
Uiteindelijk werd hij verstoten toen hij koos om alleen te willen zijn met een kudde in de bergen.
Trova was de meest welbespraakte herder uit de Dolomieten, af en toe citeerde hij flarden van gedichten voor de kudde die er rustig van leek te worden.
De dochter van zijn adelijke adoptieouders, zijn zuster dus, werd later verliefd op het zwarte schaap Trova.
Ze trouwden zonder toestemming, Trova kende de mazen in het huwelijksrecht.
Op papier waren ze broer en zus en werden gezien als een verboden vrucht aan de familiestamboom.

De adelijke ouders kwamen aan lager wal en werden hulpbehoevend, noodgedwongen moesten ze toestaan dat hun bastaardzoon voor hun ging zorgen.
Het rijke landgoed werd betrokken door de enorme kudde.
Maar het leven tussen de schapen deed de oude adel goed en zo verzoenden ze zich met hun dochter en hun gevonden zoon.
Pas toen Trova zelf kinderen kreeg begon hij zich af te vragen wie zijn echte ouders waren.
Hij kon het niet nalaten om in iedere oudere die hij tegenkwam zijn mogelijke vader of moeder te herkennen. In de bergstreek wordt een jammerend lammetje nog altijd Trova genoemd.

Verhalen bieden onderdak, een maaltijd en soms een jas.
De mensen smullen van verhalen en ze zien de verteller graag smullen.
‘Het verhaal is mijn enige kapitaal, verklaart Pollice, de een moet zijn verhaal kwijt, anderen komen verhaal halen, weer anderen moeten op verhaal komen.’
Pollice was vereerd om zo’n oude jas te ontvangen met de wereld in zijn binnenzak.
De winter zag er zonnig uit met zo’n huid van zwart vilt.

Zintuiglijke evolutie

De wereld bestaat uit veel meer indrukken dan er zintuigen zijn, niet bij te benen.
Waarschijnlijk gaan er ieder moment ontelbare potentiële indrukken verloren die nooit door een zintuig worden gedetecteerd.
Ze vertoeven in het wijdse domein van het onkenbare.

Zou het kunnen dat evolutie niet gaat over voortplanting om soorten in stand te houden?
Dat voortplanting slechts een middel is om beleving mogelijk te maken via het lichaam als wereldontvanger.
Wat zou een lichaam zijn zonder werkende zintuigen?
Er zou geen wereld verschijnen.
Evolutie zo ook kunnen gaan over het ontwikkelen van zintuigen, over het verfijnen van waarneming, over het uitbreiden van waarnemingsmogelijkheden?
Wellicht wil de belevingswereld zich uitbreiden door nieuwe zintuigen te ontwikkelen?
Zintuigen maken het mogelijk dat de wereld zichzelf bewust beleeft.

In de dierenwereld zijn al zeer verfijnde zintuigen ontwikkeld, geschikt voor waarneming van electriciteit, magnetisme, echolocatie, infrarode warmtegolven, ultraviolet licht etc.
Hoe zou onze wereld eruit zien als wij deze zintuigen zouden hebben?
Rustig aan, we hebben alle tijd, evolutie gaat onmerkbaar traag.
Iets mensachtigs scharrelt hier pas, naar schatting, 200 miljoen jaar rond.

Mensen kunnen sympathie, empathie, intuïtie en telepathie ontwikkelen of zelfs een zintuig voor ongeboren, ongekende mogelijkheden.
Voor de oermens was het middeleeuwse leven onvoorstelbaar,
voor de middeleeuwer zou onze belevingswereld ondenkbaar zijn.
Het bijzondere van deze tijd is wel dat alle ontwikkelingsfasen van de mens tegelijkertijd naast elkaar lijken te bestaan, zonder besef van een gemene deler.

We spreken af, over 200 miljoen jaar om onze evolutie te evalueren.

Volpinella


Volpinella was een kruising van een Lagotto Romagnolo, een truffelhondje en een Volpino Italiano, een Italiaans Vosje.
Van de eerste kruising had Pollice een teefje gehouden.
Daarmee zou hij een nieuw hondenras ter wereld brengen.
Volpinella was inmiddels de vierde generatie van een echt bastaardras, een neus op vier poten.
Ze leek nergens op, maar Pollice herkende haar uit duizenden vanwege haar opvallend ontbrekende kenmerken.
Ook de voorgaande honden werden Volpino genoemd en dat had een zwaarwegende poëtische reden.
Omdat poëzie nu eenmaal de enige beweegreden vormde voor Pollice, zonder poëzie zou hij zich nooit meer bewegen.
Het eerste hondje leek nog het meest op de oorspronkelijke Volpino en had hij gevonden tijdens een doorreis van Lago Maggiore naar Milaan.
In het bos vond hij het jonge dier verkerend in kennelijke staat, kwijlend en kreunend bij een vers gegraven kuil onder een eikenstronk.
Het stonk er onmiskenbaar naar truffel, die onweerstaanbare muskusachtige molmschimmelgeur.
Pollice begreep dat de hond de truffel had gevonden en opgepeuzeld, waarschijnlijk te veel van het beste.
Overmatig truffelgebruik kan heftige hallucinaties veroorzaken zo wist Pollice uit ervaring.
Soms vermoedde hij dat zijn onstuitbare verhalende vermogen zijn oorzaak had in de truffel.
Pollice droeg het slappe beestje mee in de enorme binnenzak van zijn jas.
Die zak was legendarisch om wat hij er allemaal uit tevoorschijn toverde.
Bagage had de reizende verteller zelden, hij had binnenzakken, hierover later meer.
Het teefje ontwaakte uit haar roes en was vanaf dat moment onafscheidelijk van haar redder.
Ze bleef graag graven naar het zwarte goud maar het eten liet ze aan Pollice over.
Later in Toscane kwam hij een verhaal op het spoor dat de truffel de stinkende, rottende ziel van de duivel was.
Die ziel had hij verkocht aan een sluwe vos in ruil voor een goed verhaal.
Geef mij je ziel, had de vos gul voorgesteld, dan geef ik je een verhaal waarmee je iedereen om je vinger kunt winden, wat wil je nog meer dan iedereen?
De duivel zwichtte voor dit geniale aanbod gaf zijn ziel af en moest bij volle maan wachten op het verhaal van de slimme vos.
Inmiddels had de vos de zwarte ziel in duizend stukje gebeten en begraven onder olijfwortelstronken.
Om deze reden zouden ook de olijven zwart van kleur zijn geworden, aldus de volkslegende.
Sinds die tijd zoekt de duivel wanhopig naar zijn arme ziel.
Later kwam de duivel de vos tegen en vroeg :
“Waar is dat verhaal nou?”
De vos had gezegd: “Dit is het verhaal!”

Het verhaal had Pollice zo betoverd dat hij al zijn honden Volpino of volpinella noemde, het verhaal wond hem om haar vinger.
Zijn vriend, een vermaarde psychiater, onthulde in beschonken toestand het geheim van zijn succesvolle behandelingen.
Door medicinale toediening van truffelextract, liefst een overdosis, bracht hij de patiënt in diepe hallucinerende slaap.
Na drie dagen bijkomen werd men nooit meer de oude, maar wel beter.
De zielendokter stond bekend onder de bijnaam ‘ liberatore dell’anima ‘, bevrijder van de ziel.
Pollice deed uiteraard al aan zelfmedicatie dankzij zijn trouwe hond, maar hij prees zijn vriend om zijn moed om onorthodoxe middelen in te zetten, als het maar helpt.
“Ach, jouw verhalengezwam is minstens zo verzachtend voor de gewonde ziel, zwamneus” had ‘de liberatore’ geantwoord.

Wat ik nu vertel moet geheim blijven; sinds dat gesprek is Pollice exclusief leverancier van medicinale truffels voor het Instituto Dell’anima.

Sterrenschrijfsels

Heb jij dat nou ook?
Wat?
Dat je je tekst soms kwijt bent?
Ja, weet ik niet, misschien heb ik wel geen tekst meer.
Ik heb het script al heel lang niet meer gezien en doorgenomen.
Bij welke take zitten we eigenlijk?
Geen idee, weet jij waar deze film over gaat?
Nauwelijks, wat doe jij dan om al die teksten te onthouden?
Ach, ik doe maar wat en de regisseurs zijn altijd tevreden,
je komt zo authentiek over zeggen ze dan, dat is belangrijker dan tekst, een voice-over vult alle leemtes op.
Ben je niet bang dat je eruit geschreven wordt?
Nee, trouwens dat zou me eigenlijk wel goed uitkomen, want ik heb wel wat beters te doen dan rondhangen op deze set.
Wat zou je dan gaan doen?
Ik zou een boek schrijven dat beter was dan deze film.
Zal ik je eens wat verklappen, dat staat gewoon in het script.
Dat meen je niet.
Het script dicteert mij dit te moeten menen, je wordt schrijver.
Nee, nu speel je een rol.
Ik zweer je, ik heb alle rollen al gespeeld, vader, moeder, dochter, detective, misdadiger,weldoener, profiteur, wetenschapper, kunstenaar…,het stond allemaal in de sterren geschreven.
Ja hoor, heel poëtisch om het script als een sterrenhemel voor te stellen.
Kijk nou eens, het doek valt, terwijl de aftiteling nog niet eens begonnen is.
Luister, dat maakt allemaal deel uit van deze film, geloof me nou.
Ik ben mijn tekst kwijt, wat moet ik zeggen?
Geen zorgen, het is perfect, je hebt zojuist je laatste woorden gesproken.
……………………….
Ja, hou nog even vast, en nu loslaten, ja, mooi naturel gespeeld, echt!

Het gezicht van de tijd (P. Grosso)


Damasio Caturegli, meester-klokkenmaker, had de langste baard van Toscane en stond bekend als een oude wijze man, hoewel hij nog maar vijfenveertig was.
“Vroeger werden de mensen veel jonger oud dan later toen ze niet meer goed wijs werden.” (P. Grosso)
Damasio had niet bewust zijn baard laten staan, maar zich domweg nooit geschoren.
Was er een verband tussen lui zijn en wijsheid?
Hoe langer zijn baard werd, hoe vaker mensen hem voor wijs gingen verslijten.

Damasio was klokkenmaker in dienst van de het stadsbestuur van Rodella.
De toren had een zeer verfijnd uurwerk: het sloeg om het kwartier en op het hele uur.
Rodella was een heel vredig plaatsje, het was onbekend in de wijde omgeving, er gebeurde nauwelijks iets wat de moeite van het vermelden waard was.
De vredigste plekken op aarde kennen geen geschiedenis, de tand des tijds heeft geen vat op het paradijselijke.

Toch gebeurden er op den duur vreemde dingen in Rodella.
Het begon heel onschuldig: recepten mislukten, mensen raakten van slag, ze ontwaakten narrig uit hun middagslaapjes, afspraken liepen mis, men kwam in tijdnood.
De gemeenschap raakte ontregeld, de ziel verstoord.
Wat was de plaag die het plaatsje trof?…
Duiveluitdrijvers werden ingeschakeld, doktoren geraadpleegd, missen werden opgevoerd om de vloek uit te bannen.
Het werd alleen maar erger, hooglopende ruzies, misbaksels.
Men ging boete doen, zaken opbiechten die nooit gepleegd waren, domweg om het onheil af te kopen.
Caturegli werd geraadpleegd als wijze oude man, maar steeds wees hij die verzoeken af, met de smoes dat hij geen tijd had.
Pas toen hij zelf niet meer kon slapen, ging hij op onderzoek uit.
Hij sprak met alle bewoners over de lasten die ze ondervonden, over alles wat mis ging.
Gaandeweg ontdekte hij een patroon van onregelmatigheden en ontsporingen: leven spoorde niet meer, maar wat was het spoor?

Caturegli ontdekte dat het uurwerk in de klokkentoren de tijd de ene keer vertraagde en de volgende keer versnelde.
Er was een tand van het grote rad gebroken, de tand des tijds.
Door die ene ontbrekende tand sloegen andere radertandjes ook scheef.
Kortom, het hele gebit van de tijd werd geruïneerd.
Een spoor van vernieling liet het uurwerk steeds meer op hol slaan.
Damasio Caturegli grijnsde toen hij in een flits de oorzaak en de vele ontregelende gevolgen voor zijn geestesoog zag.
Natuurlijk, tijd geeft de maat aan om de melodie van het leven te ondersteunen, regelmaat en ordening.
Hij besloot niemand iets te vertellen en het uurwerk in het geheim te herstellen, tandje voor tandje te herplaatsen als een tandarts.
Zonder ooit de oorzaak te kennen zou de gemeenschap weer tot rust en orde komen.

Caturegli sloot zich op in de toren en ging aan het werk.
In zijn enthousiasme vergat hij de enorme gewichten van het uurwerk te halen.
Onder het werk raakte zijn baardpunt verstrikt in het uurwerk, bij het lostrekken sloeg het mechanisme op hol.
Zijn hele schedel zou door de tandraderen zijn verbrijzeld als hij niet op het laatste moment de opwindlier in het uurwerk had gestoken.
Met een klap kwam de tijd tot stilstand.
Damasio zat klemvast met zijn kaken tegen de raderen aan.
Er zat niets anders op dan hard om hulp te roepen.
Het was middag, rumoer op straat, niemand die hem hoorde.
“Aiuto, tempo macina la mia testa!”
Pas toen de schemering viel, werd zijn roep opgemerkt vanuit het hoogste punt van het dorp.

De oude wijze man werd losgeknipt van de allesverslindende tijd.
Na de opheldering die Caturegli verschafte, werd besloten om de klok maar te laten stilstaan met baardhaar en al.
Damasio werd ereburger en verschafte ieder inwoner een wekker, zodat iedereen in zijn eigen tijd kon leven.
Verlaat je nooit op één enkele klok, was de les.

Tot op de dag van vandaag kun je het bebaarde uurwerk in de toren bewonderen.
De dorpelingen geloven dat de boze tijdgeest voorgoed in het uurwerk gevangen zit.
Jaarlijks wordt de mis opgevoerd voor de gebroken tand des tijds.
Wie het niet kan of wil geloven, moet er zelf maar eens gaan kijken.

“De tijd kijk ons aan en wordt gemeten vanuit het eeuwig zijn.”
Met dank aan Pollice Grosso, zonder wie dit verhaal nu nog zou ronddolen in het onvertelde.

Biograaf van Pollice Grosso


In het prachtige boek ‘Onbegonnen werk’ over Pollice Grosso schetst biograaf en boezemvriend Paolo Finocchio de tragiek van het fenomeen Grosso.
Het fraai uitgegeven boek, uitgave van Casa Ricordi, is doorspekt met citaten.
Er komt vreemd genoeg geen verhaal van Pollice in voor, het vormt een verhaal op zich.
Meesterverteller Grosso bereikt met zijn orale overdracht relatief zo weinig lezers dat zijn meesterwerk en magnum opus ‘Het ongeschreven land’ met zijn dood verloren dreigt te gaan.
Tragisch, niet zozeer voor Pollice alswel voor de literatuur die een orale bibliotheek misloopt.
Het is onbegonnen werk, zegt Paolo, om alle verhalen te noteren, te meer daar zij gaandeweg veranderen, aangroeien en vreemde vruchten dragen.
‘Onbegonnen werk’ is het verslag van een wandeltocht door Toscane, Cinque Terre en Ligurië, die vier maanden in beslag nam dankzij het rijke aantal omwegen.

Finocchio volgde Pollice in zijn speurtocht naar verhaallijnen die daar in het landschap verankerd liggen.
“ik ben zwanger van het onvertelde.”
Grosso’s truffelhondje, het vierde inmiddels, blijkt vaak leidend te zijn in de te nemen route.
Ziehier de levensweg van de verteller.
De analfabeet Polli, voor intimi, stelt de wereld voor als een labyrint van verhaallijnen, zijpaden, doodlopende steegjes.
Overal vindt hij moeiteloos zijn weg in het doolhof.
“Een doodlopend steegje kan een goudmijn zijn.”
Hij vertelt nooit van a naar b, maar eerder van a naar f, dan langs p om bij b te komen.
Chronologie is hem vreemd, een horloge heeft hij nooit kunnen dragen, allergisch als hij is voor de tijd en tijdverschijnselen.
“Het gaat om wat blijft, wat je bijblijft, wat onvergeetbaar is.”

Op de wandeling volgde Pollice een verhaalspoor waar hij lucht van had gekregen, het geraamte van de vertelling was incompleet naar zijn gevoel.
“Onvoltooidheid is het vernis van een mooi verhaal.”
Onderweg sprak hij lokalen aan en vroeg ze naar de bekende weg van een vaag verhaal dat hem ter ore was gekomen, soms verzon hij ter plekke een gerucht over het betreffend dorp.
Ze begonnen het verhaal meteen aan te vullen met bijzonderheden, details en speculaties.

Het is niet alleen een meeslepend verteller, maar hij luistert ook adembenemend, aldus de biograaf, alsof hij de spreker leegzuigt.
“Inspiratie is zijn als een uitgeknepen spons.”
Pollice bedankte zijn informanten net zo lang en uitvoerig tot hij uitgenodigd werd voor de maaltijd, die hij zelf op smaak bracht door verse truffel over de pasta te raspen.
In hoofdstuk 4 voelt Paolo Finocchio zich bezwaard en tekortschieten in het vastleggen van de wandelende orale bibliotheek Grosso.
Pollice lacht hem hierom hartelijk uit.
“Het landschap is zelf het verhaal, mijn beste Paolo, jij bent mijn Pinocchio Faolo!
Je neus is het potlood waarmee je mij denkt op te kunnen tekenen, hoe meer je schrijft, hoe korter je neus wordt, hetgeen bewijst hoezeer mijn leugens waar worden, ze worden steeds waarder.”
“Leer zelf het land lezen, Paolo, met glooiende zinsbouw en ellenlange zinnen in alle dialecten.”
“Maar hoe dan?” vraagt de biograaf aan het eind van het boek.
“Word eerst weer analfabeet,” grijnst Pollice.
Paolo gebaart met handen en wenkbrauwen in de lucht.
“Vergeten en veel truffels eten, het land vertelt het grote verhaal, zoals de Aboriginals hun land bezingen in liederen, een doolhof van brede handelswegen waar alles wordt uitgewisseld, betaald of gestolen, dichterlijke zijwegen, aforistische hazenpaadjes, fabelachtige slingerweggetjes door bergen langs beekjes.”

In het slotwoord vat Finocchio samen: Pollice leeft poëzie in alles, je weet niet waar de verteller begint en waar de dichter eindigt.

“Ik, Pollice, ben geworteld
in dit ongeschreven land

geen hek houdt het verhaal tegen
integendeel, het neemt deel,
het opent nieuwe, oude, vergeten
overwoekerde wegen,
leve het hek

leven is de zegen om
dit ongeschreven land te betreden
ik vraag het land zonder reden
voor zichzelf te spreken
wie het hoort krijgt de geest
vertellen is een feest
van het levende woord

voor wie nooit leest
vertel het voort!”

Fabel van het recht op snelheidsuiting

Auto’s kunnen ruim over de maximum snelheid.
Een beetje sportieve auto gaat met gemak honderdzestig en sneller.
Het kan maar het hoeft niet, zeker niet als het nodeloos gevaar oplevert.
Je kunt het veilig uitproberen als er niemand in de buurt is, ’s nachts ver buiten de bebouwde kom op een verlaten wegdek.
Het is absurd om te spreken van het recht op vrijheid van snelheidsuiting.
Tot zover gemotoriseerd verkeer.

In het sociale verkeer gaan we vaak en ruim over de maximum snelheid van meningsuiting.
Een beetje meningsuiter kan met gemak de meest extreme meningen poneren.
Het kan maar het hoeft niet.
Bovendien gaat het om de vraag: is het sociaal verkeer ermee geholpen, werkt het om menselijke verkeersopstoppingen op te lossen?

Extreme meningen leveren extreme reacties op, verbaal geweld.
Extremisten brengen extremisten ter wereld en daarmee nodeloos gevaar.
Je kunt je opgevoerde mening soms uitproberen in een veilige omgeving, als er niemand in de buurt is.
Of als je in gezelschap bent van geestverwante mede-extremisten op het racecircuit van de columns en de borreltafel.

In het gewone verkeer zijn er allerlei redenen om je aan de verkeersregels te houden.
Kleine kinderen, dieren, het weer, hoogbejaarden, psychiatrische patiënten, medicijnverslaafden, mobielverslaafden, dronken bestuurders.
Je weet nooit wie er achter het stuur zit, of welk kind of dier kan oversteken.
In het sociale verkeer is het niet anders, met dit verschil dat volwassenen soms kinderlijk of dierlijk functioneren en de taal niet machtig zijn.
Het is een groot misverstand te denken dat volwassenen toerekeningsvatbaar zijn in het sociale verkeer.
Wie weet hoe zijn woorden verstaan worden door de ander, zeker als die de taal niet spreekt?
Alleen bij je meest intieme vrienden kun je dat een beetje inschatten.

Niemand doet ooit een toelatingsexamen om deel te mogen nemen aan het sociale verkeer.
Er zijn dus ook geen geschreven sociale verkeersregels.
Ongeschreven verkeersregels vragen nuancering en empathie.
Die ontbreken bij fundamentalisten van de vrije meningsuiting, die trouwens geen lontje hebben.
Wie wel eens in een psychiatrische kliniek is geweest of zo’n patiënt als moeder heeft gehad, weet dat hij niet alles altijd kan zeggen: het werkt niet, het minste of geringste is olie op het vuur.
Je weet nooit hoe anderen jouw mening opvatten, of ze zich kunnen inleven en afstemmen.
Vaak zijn deze mensen opgesloten in zichzelf, daarom zijn ze daar.

Het is vaker gezegd: de wereld is grenzeloos en heeft alle kenmerken van een open inrichting, zonder geneesheer-directeur.
(Hij is keihard weggereden.)
We mogen ook nooit uitsluiten dat wij zelf de patiënten zijn of worden van deze inrichting, aangewezen op zelfgenezend vermogen.
Het zou mij niet verbazen als ik, Bor van Geenen, van de weg zou worden gehaald vanwege bovenstaande overschrijding van de maximum snelheid.
Het rijbewijs dat ik nooit had wordt ingenomen, voortaan gaat Bor lopend door het paviljoen.

Fabel van binnenaardse intelligentie

Maanlanding met voertuig.
Voertuig voert handelingen uit,
gestuurd, bestuurd vanaf aarde.

Voertuig is niet intelligent.
Dat is de man in de controlekamer,
zijn intentie reikt tot de maanbodem.

Het lichaam is een landingsvoertuig
voor onderzoek naar leven op aarde,
intelligentie bewoont het tijdelijke lijf.

De controlekamer stuurt alles aan,
een mannetje is nergens te vinden,
de kamer is leeg, schijnbaar wezenloos.

Wanneer het karretje is afgeschreven
en geen waardevolle waarnemingen
meer kan registreren, komt er een nieuwe.

Een verbeterd detectie-exemplaar.
De intelligentie die onderzoekt wordt
vreemd genoeg nooit zelf onderzocht.

Het beginsel ziet zichzelf over het hoofd
als beginsel, zo is er geen beginnen aan.
Men zoekt liever intelligentie op de maan.

De man in de controlekamer besteedt
zijn hele vermogen uit aan rekenapparaten
en gaat slapen, wachtend op resultaten.

Intelligentie onderzoekt het onderzoekende
dat zichzelf zoekt in het zoeken van de zoeker,
die zich vindt als het zoekende in de woestijn

van schijn en wezen, van zijn en niet te zijn.
Als ourobouros bijt het zoeken zich in de staart,
het vinden vindt zich in het onvindbare dat ervaart.