Gelukkig onbegrip

Gelukkig onbegrip

Je weet eerst niet wat je ziet.
Dan denk je er iets in te herkennen.
Het lijkt op een bekend iets,
bij nader inzien moet je bekennen
dat het het toch niet is.

Het is anders dan het oude vertrouwde.
Je noemt het voorlopig ‘iets dingachtigs’,
als werktitel, dat voelt alsof je er een beetje grip op hebt.
Een naam als handvat om het ding te hanteren.
Je voegt er wat losse eigenschappen aan toe,
kleur, vorm, gewicht, smaak, substantie.

Zo komt het dingachtige ter wereld als begrip.
Je lijkt op een vader die aangifte doet van zijn pasgeboren kind.
Het ding lijkt net als een kind pas echt te bestaan met een officiële naam.
Ondefinieerbare dingen, zonder naam en zonder papieren zijn als illegalen, we doen alsof ze niet bestaan.

De volgende keer dat je het dingachtige tegenkomt zegt je geheugen: ‘O, dat ken ik, dat heb ik eerder gezien’
Herinnering schept het bekende zijn.
Nu probeer je medestanders te vinden die jouw begrip
onderschrijven, daarmee lijkt het begrip algemene geldigheid te verkrijgen.

Onze gemeenschappelijke taalwereld bestaat grotendeels uit begrippen die feitelijk niets verklaren dan het onbegrip van de bedenker.
Je denk het te begrijpen, maar je feitelijk begrijp je alleen het begrip.
Je weet nog steeds niet wat je ziet.

Je voelt je gelukkig onbegrepen, gelukkig maar,
want wie of wat wil en kan worden gereduceerd tot een begrip?

Uflotisme

Z.T.nr 2 van Rolf Webersang, 1988, fotograficus.
representatief voorloper van het Uflotisme buiten Europa.

Bij exposities van Rolf valt op dat zijn werken
zonder uitzondering scheef hangen, uit het lood.
Dit om iedere associatie naar een horizon te vermijden.
Dit versterkt de antizwaartekracht van het werk.
(het werk is gratis te downloaden en uit te printen op canvas, let wel de prints zijn eenmalig, bij iedere download vervaagt het beeld)

U.F.L.O.T

U.F.L.O.T

Abstracte kunst heeft geen zwaartekrachtpunt, geen horizonlijn, het zwevende beeld krijgt een ruimtelijke werking.
Het kubisme en abstracte kunst is nooit tot de fotografie doorgedrongen.
Dat is vreemd omdat de tastbare werkelijkheid overloopt van kubistisch beeldmateriaal, als je er oog voor hebt.
De kunstmatige scheiding tussen abstracte en figuratieve kunst heb ik nooit zo begrepen.

Zoals chaos een onbegrepen orde is, zo is abstractie voor mij een moeilijk te traceren figuratie uit de fysieke realiteit.
Kubisme vormt een overgangsfase naar totale abstractie door objecten tot geometrische vormen terug te brengen.

Het menselijk oog (of beter gezegd: de zachte waar in het brein) dat visuele informatie omzet in herkenbare beelden,
is zo geconditioneerd dat het alleen zaken herkent met een kenmerkend profiel, een pictogramachtig oerbeeld van het object, gekoppeld aan een horizonlijn, zodat het beeld staat.
Een plint kan al als horizon dienst doen.

Laat je het ding vanuit een andere hoek zien dan is het al snel niet meer zo herkenbaar.
Focus je vanuit een vreemde scheve hoek, van bovenaf, zonder horizonlijn dan is het object niet meer te identificeren.
Het is bevrijd van elke context.

Deze dingen vallen onder de noemer: UFLOT,
Unidentified Flying/Lying Object Trouvé.
Vanaf nu is deze term gemunt als fotografische stijlvorm.
Het is een samentrekking van UFO en het begrip ‘Objet trouvé’ van Marcel Duchamps.
Met deze blik is er overal gratis abstracte kunst te vinden.

De vele UFO-waarnemingen zou ik onder de kinetische kunst willen scharen.
In de geest van Tingely en Calder, abstracte beelden die zonder sokkel rondzweven.

Omgekeerd zou met terugwerkende kracht abstracte kunst van bv. Mondriaan als Ufo-waarnemingen kunnen gelden.
Je weet immers niet wat je ziet en het toont aan dat de buitenaardsen onder ons zijn, vermomd als kunstenaars.

Wellicht heeft abstracte kunst een transcendente werking op de toeschouwer omdat ze bevrijd is van welke context dan ook.

Fabel van het baaswezen

De baas wordt geschaduwd door zijn hond.
Zo komt zijn schaduw aan het licht.
De hond zet zijn baas aan tot zelfreflectie.
Dat komt, de hond is van nature een en al een luisterend oor. Hij luistert onvermoeibaar naar ‘his masters voice’,
zonder oordeel te geven, zonder bevestiging, soms een relativerende knipoog.
De hond weigert tegenspraak te geven, voor een hond is mensentaal geklets in de ruimte.
Hij spreekt liever de taal van de praktijk, lichaamtaal, geurtaal, smaaktaal, gromtaal, bijttaal, staarttaal, met de interpunctie van hier en daar een schuine kop.

Na een goed gesprek met dokter hond voelt de baas zich helemaal gezien en gehoord.

Het hondenoor maakt alle vragen rethorisch, ze kaatsen onmiddellijk terug naar de afzender.
De baas wordt op zichzelf teruggeworpen, hij hoort zichzelf praten dankzij zijn hond.
Zonder deze therapeutische begeleiding zat de baas in een gesloten inrichting, in een asiel.
Hij prijst zich gelukkig dat deze hond hem wilde adopteren.

Langzamerhand draaien de rollen zich om, de baas moet gaandeweg zijn meerdere erkennen in het superieure zwijgen van zijn hond.
Willem Elsschot zei het al: ‘Zwijgen kan niet verbeterd worden’
De hond laat zijn baas uit, de baas volgt als een eenzame wolf.

Natuurlijk zijn er ook blaffende honden, maar dat zijn niet de echte honden, het zijn amateurs, zij studeren hooguit voor hond of geven zich ervoor uit.
Niet blaffen genereert de meeste autoriteit.

De poes is weer een ander geval, zij maakt de mens tot butler, portier en masseur.
Een poes heeft personeel.
Ze had ooit alle Egyptenaren in dienst, maar daarover later.

Mijn eigen hond is ook zeer gehoorzaam, ik hoef maar te zeggen:
‘En nu eet je die worst op, anders zwaait er wat’
en hij doet het zonder te dralen.

Boom en kaart

Zo ontstond de platte grond, de plattegrond,
een landkaart van het meerdimensionale zijn.

Pel een mandarijn, wals de ronde schil vlak,
nieuw land is geboren met een unieke grenslijn.

Nu kan de reis beginnen naar het echte land,
proef het vruchtvlees, smaak is haar grondgebied.

De papieren landkaart geurt vaag naar de echte bossen
die in het gebied stonden, voor de houtkap.

Het echte gebied ligt nu ontbost te dromen
van landkaartbomen waaraan mandarijnen groeien.

Kaarten hebben niets gemeen met het gebied
dan de papieren werkelijkheid van houtpulp.

Bewust naïef

>
De bal was ooit rond en kon raar rollen.
Het spel was ooit onvoorspelbaar.
De bal is inmiddels plat, lekgeschopt, stukgespeeld,
Hij heeft genoten van het bal zijn, een prachtig leven gehad.

De rijkste club koopt de beste spelers en wordt kampioen.
Wie het best ongemerkt doping gebruikt is de winnaar.
Wie de meeste volgers heeft gekocht is populair.
Hoge kijkcijfers zijn een bewijs van kwaliteit.
Wie de spelregels naar zijn hand zet heeft gelijk.
Wat de meerderheid wil is het goede, het ware en het schone.

Het spel verliest waar de speler zijn onmacht niet kan verwerken.
Spel is ironisch en speelt zich af in de speler,
de deelnemers zijn macht en onmacht,
ze spelen het spel van echt en doen alsof.
Zonder ironie is het spel een voortzetting van de oorlog
alleen met andere middelen.

Spel is altijd nieuw, je speelt alsof er nog nooit gespeeld is.
Je vindt het spel ieder moment opnieuw uit, bewust naïef.
De speler gaat op in het spelen, in liefde voor de bal.
Deze bal is altijd de eerste en de enige, leve het spel.

De schoonheid van het eenmalige.

De Fabel van Begonia

M was zonder twijfel een Begonees, geboren en getogen in de hoofdstad Maculpo.
Opgevoed tot echte man, wat betekende dat hij geacht werd zijn land en cultuur te verdedigen tegen alle vijandige buurlanden, de vrede met geweld te handhaven.
Dagelijks werd elke dode vijand gevierd en elk eigen slachtoffer diep betreurd.
Zoals elke echte Begonees was M sneuvelbereid, het voelde als een eer dat te mogen.
Zijn cultuur bestond er uit dat hij moest geloven dat hij tot het ras van de Begonezen behoorde..
Dat ras werd bij jongens bekrachtigd door het neusbot ritueel te breken, tijdens breken legde je de eed van gehoorzaamheid af.
M had daarna dagenlang bloed geroken.
Na deze pijnlijke rite was het moeilijk om je geen echte Begonees te voelen, de eed voelde als een brandende plek in zijn borst.
Een stigma om trots op te zijn, zo werd M ingeprent.

Het land Begonia was door hogerhand geschapen, speciaal voor de Begonezen, zij waren uitverkorenen, ze geloofden er heilig in.
De buurlanden werden als achterlijk gezien door de Begonezen omdat ze er anders uitzagen, een vreemde taal spraken,
die buren geloofden rotsvast in heel andere zaken.
Weer andere buren geloofden rotsvast nergens in, zonder te zien dat ook dat weer een geloof was.
Zolang iedereen achter zijn grenzen bleef leek het vrede op aarde, maar zodra grenzen overschreden werden, ontstond er meteen conflict.
Ieder conflict versterkte hun identiteit en ergens genoten ze ervan hun krachtige onoverwinnelijke identiteit te tonen door deze met geweld te verdedigen, een sterke bevestiging van bestaan.

DNA onderzoek wees uit dat er geen enkel genetisch verschil was met de bevolking uit de buurlanden.
M was eerst in shock door dat bericht, maar hij zag ook een nieuwe weg ontstaan.
De Begonezen bleven geloven dat alleen zij bijzonder waren, uitverkorenen, M merkte dat er niet over te praten viel, hij ging zich een vreemde voelen onder zijn ‘eigen volk’.
De moderne psychologie liet zien dat geloven een scheppende kracht is die je voor elk gewenste droom bewust kon inzetten.
‘Dus waarom zouden we niet in een droom geloven waar iedereen van droomt?’ dacht M.
De zeer rationeel wetenschappelijk ingestelde Begonezen bleven liever investeren in een inwisselbare identiteit dan in een gezamelijke droom.
Zonder die identiteit zouden ze niemand meer zijn.
M werd tot persona non grata verklaard en ontvluchtte zijn land.
‘Er loopt een diep ingesleten spoor van geweld, dat is de gewoonte’
M wil anoniem blijven, zijn verblijfplaats is geheim, interviews geven wil hij niet.
‘Waarom praten over wat evident is, als ook dat weer geweld oproept?’
‘Zolang de wond gevierd wordt als sierraad blijft geweld een gewoonte’
‘Identiteit is een medicijn om je te genezen van je aangeboren gezondheid, de bijwerkingen zijn erger dan de kwaal, ze zijn de kwaal’
Meer wilde M er niet over zeggen.

Fabelachtige tijd

Als Bor van Geenen kon ik pas laat klokkijken.
Ik keek wel eens naar de klok als volwassenen ernaar wezen alsof het ding een autoriteit bezat om mensen op te jagen.
Je was volgens die autoriteit altijd te laat of je moest je haasten.

Kloklezen leerde ik pas later toen het al te laat was.
Te laat om het concept tijd te belichamen.
Het tijdconcept heeft nooit kunnen aarden in mijn eigen aard.
Dit droeg ertoe bij dat ik eigenaardig werd, gevonden, in de ogen van anderen.
Tijd is mij wezensvreemd.
Vraag mij hoe laat het is en ik zeg: ‘Het is nu….?’
De vraag naar de tijd is voor mij een zelfgenererend probleem dat niet bestond voor de vraag gesteld werd.
Doorzie je de foutieve aanname dan vervalt het hele probleem.

Duur is onmeetbaar voor mij, het begin van duur kan ik mij niet herinneren, het kan er dus altijd al zijn geweest.
En het duurt maar voort.
‘Maar als je sterft, dan stop het toch?’ werpen tijdgelovigen mij voor de voeten.
Dan moet altijd even verwerken dat mensen denken te weten wat de dood is, voor ik antwoord;
‘Duur heeft geen lichaam en duurt dus gewoon voort,
mijn lichaam stopt maar de duur is los van het lichaam’

In deze fase van het gesprek dreigt een enkeling van zijn tijdgeloof te vallen, een deel schaalt mij in bij de ongevaarlijke gekken, kappen het gesprek af omdat ze snel naar de volgende afspraak moeten.
De ruime meerderheid begint niet eens aan zo’n gesprek, tijd is heilig, hun houvast.
Tijd is een smoes om niet hier en nu te hoeven zijn, een vlucht.

Tijd kon mij nooit opwinden.
Mijn horloges vielen stil omdat ik ze niet opwond, of ze gingen stuk.
Ik verloor ze, nooit was ik ze kwijt.
(Nooit zag ik een poes met een horloge of een hond met een friese staartklok)

Ik ben meer een ruimtemens.
Hoewel mens?
Eigenlijk heeft het hele concept ‘mens’ ook nooit vat op mij gekregen.
Laat ik het bij ruimte houden, ik hou van de ruimte.
Ruimte is geen concept, het bestaat uit niets anders dan niets.
Ruimte is afwezigheid van alle concepten.
Een aanwezig zijn van afwezigheid.
Duurloos.

Astrale Vluchtgegevens

Ik teken dit op uit de zwarte doos:
Ze droeg de huid van de maan als een schraal bontjasje kaal als het oudste licht.
Haar verschijning was van louter schijnsel,
uiterst verfijnde stralen licht, die als haren een voor een uitvielen.

Ze bewoog door stil te hangen temidden van dit heelal waar alles draait om het draaien, onbewogenheid als schutkleur.
Ik ontmoette haar tijdens een astrale vlucht.
Op de hoek van het sterrenstelsel, bij de eerste afslag,
de Melkweg.
Het leek alsof ze mee wilde liften.
Maar bij nader kennismaking draaide alles om haar.

Opeens zag ik haar, een buitenaardse schoonheid.
Ze had een hemellichaam aangetrokken voor deze gelegenheid.
Kalm zei ze:

‘Niets’

Ze had geen mond, geen gezicht.

‘Weet je ‘ vroeg ze telepathisch

‘Weet je al van niets?’

‘Ik knikte, door mijn aandacht even krom te buigen’

‘Weet je wat Niets is?’

Mijn wezen lichtte op tot een groot vraagteken.

‘Niets is toeval’

‘Maar wat is toeval dan?’ vroeg het vraagteken.

‘Toeval is voorbeschikt om niets te zijn’

Haar buitenaardse intelligentie verscheen als een steeds groter wordende glimlach, de glimlach dijde uit tot ze heel de ruimte vulde.
Opgelost.
Terug op aarde moest ik met gezonde tegenzin mijn lichaam weer aantrekken, als een stug, te dik ruimtepak.

Het nevenpersoonlijke heden

Bor van Geenen heeft hele garderobes neven, die ieder een eigen persoonlijk heden genereren.
Sinds Fernando Pessoa heten deze nevenverschijnselen heteroniemen, niks pseudo, allemaal evenwaardige virtuele maskeringen.
“Even geloofwaardig als de mate waarin men in ze gelooft”
“De persoonlijkheid is een soort draagbare mode, maar dan een denkbeeldige mode voor de bovenkamer.
De persoon is feitelijk niets anders dan een vorm van binnenhuisarchitectuur, interior design maar dan met taal, beelden, denkbeelden, meningen, overtuigingen, concepten.
Menigeen schakelt geestelijke ontwerpers in om hun bovenkamer een beetje leefbaar in te richten.
Zijn ze uitgekeken op het meubilair dan nemen ze een andere inrichting.
Naast de diploma’s ingelijst aan de muur hangt de persoonlijke smaak, voorkeur en afkeer ligt in de vitrinekast, onder hoogpolig tapijt ligt het stof tot nadenken.
“Het verleden vormt een decoratief behangetje”

Dit staat allemaal te lezen in ‘Het nevenpersoonlijke heden’ de
geautoriseerde biografie over Bor ven Geenen, de biograaf wil graag anoniem blijven.

Het enige verschil tussen gewone onsterfelijken en Bor van Geenen is, dat Bor’s binnenwereld binnen een oogwenk totaal heringericht kan worden.
In een flits lijkt er iemand anders tegenover je te zitten, die plots het tegenovergestelde kan beweren.
Bor leeft in een permanente staat van verhuizing:
“Alles verhuist behalve de ziel, verandering is een blijvende verwijzing naar de ziel” zei Bor ooit in een ongepubliceerd interview.

Bor put uit het eindeloze magazijn dat de wereld heet, hij recruteert persoonlijkheden om deze hun ‘eigen’ verhaal te laten vertellen.
Zijn lezers kunnen gratis winkelen in zijn bovenkamer.
“Nemen jullie de dingen van jullie gading, dan neem ik de ruimte.” aldus van Geenen.

Bor geeft er de voorkeur aan de bovenkamer in een oogwenk leeg te maken, met alleen twee virtuele schroeven in het denkbeeldige plafond voor zijn schommel, met uitzicht rondom.
“ik heb een kop als een vissenkom”
Zo kijkt hij graag geheel naakt (ja, ook het lichaam trekt hij uit) naar deze kaleidoscopische wereld, heen en weer, en weer en heen schommelend om in evenwicht te blijven.

“Het lichaam, dat is zoiets als de nieuwe kleren van de keizer, alleen niemand ziet het”