Blootvoetindiaan

Als kind was ik gek van de bal.
Mijn blote voeten hadden had veel balgevoel.
Niets zo heerlijk als de bal hooghouden, nutteloos plezier.
Met blote voeten ging dat moeiteloos.
Ik raakte graag de tel kwijt bij gebrek aan medespelers.

In vele opzichten gedroeg ik mij als indiaan.
Ik sprak met dieren en dingen, liep blootvoets, maakte mij onzichtbaar.
Geruisloos besloop ik mijn ouders zonder dat ze iets merkten als ze, gehypnotiseerd door het blinde oog van de televisie, lagen te zitten.
De trap naar mijn kamer beklom ik zonder een trede te doen kraken.
Tussen de trapmuren liep ik omhoog, met de rug tegen de muur.
Bij wijze van initiatie wierp ik een zelfgemaakte speer in mijn scheenbeen.
Je moest ook alles zelf doen als laatste der Mohikanen.


Op het veldje met de drie reuzenpopulieren speelden we bomenvoetbal tot ’s avonds laat.
Ieder een boom, wie de boom raakte had een punt.
Er was niets mooiers dan van grote afstand met een gekromde bal de boom te raken.
Linksom, rechtsom.
Om een hoekje schieten.
Het gevoel in de voet op het moment dat die de bal schampt, wachtend op het klakkende geluid van de stam…
Die eenheidservaring had ik nimmer met schoenen aan.

Op competitie geschoeid clubvoetbal gaf me nooit die sensatie en euforie.
Schoenen met noppen vond ik helemaal niks: geen contact met het veld.
Met modderzolen en rozig van de buitenlucht kwam ik thuis om te slapen.
Mijn ouders merkten niets, het oog had hen begoocheld.

Geen leest heeft mij kunnen schoeien.

Soll


Het staat middenin een aangelegd natuurgebied: een werk van Soll Lewitt.
Het heeft geen naam, geen handtekening.
Soll slaagde erin levenslang buiten beeld van de media te blijven.
Dat is op zich al een kunst.
Anonimiteit is een viering van het werk zelf.

Dit zou ook helemaal geen werk van Soll kunnen zijn.
Het zou een hufterproof bord kunnen zijn.
Een plattegrond van het aangeharkte natuurgebied, zodat niemand kan verdwalen.
Wat mij interesseert, is de vraag of het iets uitmaakt wie het heeft gemaakt en wat het betekent.
Hoeveel geld het waard is.
Of het bedoelde kunst is of niet.
Of het echt is of niet.

Het boeit mij niet om ‘echte’ kunst te relativeren, noch om onbedoelde kunst op te waarderen.
Het verbaast mij dat waarde kennelijk een geloofsovertuiging is.
Dat geloof — bijvoorbeeld dat een werk ‘echt’ is en gemaakt door een bekende naam — de waarde bepaalt.
In mijn ogen is iets mooi, subliem en waardevol ongeacht het oordeel of iets ‘kunst’ is.
Het is een ‘kunstmatig’ onderscheid.

In het verlengde daarvan kunnen we het meesterwerk Wereld, waar wij deelnemer en toeschouwer van zijn, vergelijken met een kunstwerk.
> Dit gigantische werk draagt van oorsprong geen naam.
Al die namen zijn voorlopige afspraken bij gebrek aan betere: universum, omniversum…
Nooit zal een naam de lading dekken.
> De maker heeft nooit verklaard wat hij met dit werk heeft willen zeggen.
Dat hoeft ook niet, want het bestaan zegt letterlijk alles wat denkbaar en ondenkbaar is.
> De kunstenaar heeft zelf ook geen naam.
Het werk draagt geen handtekening, het wordt door niemand geclaimd.

Wat maakt het uit of het werk door iemand is gemaakt of door niemand?
Dat het door niemand gemaakt zou zijn is natuurlijk nog nog weer veel wonderbaarlijker dan dat het door een anonieme meester zou zijn gemaakt.
Waarom gelovigen en ongelovigen elkaar bestrijden vanwege een voorlopige afspraak, is mij een raadsel.
Ze slagen er wel perfect in om de essentie te mijden.

Zowel God als Niemand zijn — evenals Soll — succesvol buiten beeld gebleven, en zo hoort het ook.
Het gaat om het werk zelf dat direct naar de belever verwijst: die maakt het echt.

Is dit kunst?
Welnee, dit is echt.

Gat & Gunst

Dit werk van Beer van Geenen — inderdaad de broer van — komt uit zijn Nul-periode.
Hij was hier obsessief bezig met het aanwezige binnen het afwezige.
Of, zoals hij het zelf verwoordt: het benulzijn van het nul-wezen.
In deze periode was hij vooral aan het boren en het maken van mallen om holtes te gieten.
Het werk hierboven, Nulpunt, staat op een voetstuk.
Dat is bijzonder, want Beer had een afkeer van voetstukken.
Hij ziet het nu als jeugdzonde.

De nulgaten zuigen aan de blik van de beschouwer, als je goed kijkt.
De eivormige nul in het midden spiegelt de aanwezigheid van het benulzijn.
Beer van Geenen heeft zich nooit kunstenaar gevoeld.
Beer hield niet van kunst die kunst genoemd werd.
Het werk moest vanzelf spreken, voor zichzelf.
Wat niet vanzelf sprak vond hij kunstmatig.

Het werk dat levenderwijs ontstond, zag hij meer als een gunst die hem ten deel viel.
Gunstenaar past hem beter.
Signeren deed hij ook nooit, daarom is de echtheid van zijn werk moeilijk vast te stellen.
Zijn werk is inmiddels onbetaalbaar; ingewijden weten wat dat betekent.

Tentoonstellen deed hij al evenmin graag, omdat hij overtuigd was dat het sublieme geen locatie had.
“Het sublieme in the eye of the beholder doet zich overal voor waar het benulzijn het waarnemende faciliteert.
Een museum is vanwege de kunstmatige, opgeprikte sfeer wel de laatste plaats waar gunstwerken tot hun recht kunnen komen.
Het kan wel, maar waarom zou je al die moeite doen als het overal elders vanzelf spreekt,” aldus B. van Geenen.
Als broer kan ik zijn visie van harte onderschrijven.

Het zal de oplettende lezer wellicht bevreemden dat ik over Beer van Geenen in de verleden-tijdsvorm schrijf.
Dat komt omdat hij onder een andere naam is doorgegaan.
U gaat meer van hem horen, onder een andere naam.

Hoogste tijd voor een terugval

Het ging heel goed.
Ik kwam steeds een stukje hoger.
Even rusten en dan nog één keer de grens verleggen.
Er zat veel meer veerkracht in de plank.
Ik wilde echt het onderste van de bovenste plank halen voor het grote moment.
Het moment dat, als gevoelsduur, eindeloos zou duren.
In een plank zat een maximale rek, maar het moment zelf had eeuwigheidspotentie: een uur en drie kwartier, volgens de officials.

Het leek op een mooi zwembad als je het water erbij fantaseerde.
Deze plek had zo’n speciale kwaliteit, het was echt helemaal het einde.
Hier op Groenland hadden ze de kaarsrechte tunnel geboord, dwars door de aardkorst naar beneden.
Het andere einde van de tunnel bevond zich in Californië.

Het was vooral zaak recht te duiken, om de wanden niet te schampen.
De zwaartekracht zou het vallende lichaam keurig in de middenlijn houden, een uur en drie kwartier…
Nog een paar keer oefenen om de afsprong zo hoog mogelijk te maken.
Dan zou ik mijn speciale pak aantrekken dat als een hitteschild zou werken, want de berekende wrijvingswarmte zou hoog kunnen oplopen.
Ik zou tijdens de vrije val zoveel snelheid maken dat ik, eenmaal aan het andere eind van de tunnel, boven het aardoppervlak uit zou schieten.
Voor het eerst in Californië.
Wie daar het hoogst zou vallen, zou de olympische gouden plak krijgen voor deze nieuwe tak van sport: Extreme Dry Diving.
Voorheen had ik schoon gesprongen, diverse gouden plakken, het verveelde me al gauw.
Het was mij te laag bij de grond.
Mijn ambitie betrof meer het bodemloze.

Omwille van de concentratie was deze plek van God en iedereen verlaten, het wereldpubliek zat aan de uitgang van de tunnel.
Hier in Groenland stonden alleen kille camera’s die alles registreerden.
Onder de duikplank lag het bad als een gapend zwart gat.
Ik was er helemaal klaar voor.
Het lampje voor de start flitste tegelijk met een geluidssignaal.
De duikplank was zeker twintig stappen lang tot ik aan het uiterste randje kwam.
Langzaam begon ik op en neer te wippen, zonder het contact met de plank te verliezen.
Ik was één met de plank.
Na zes keer kwam ik los van de plank.
Nog drie veringen en dan zou ik de sprong maken.
Koele berekening, het ging perfect.
Mijn lichaam krulde in vloeiende beweging naar voren in de kaarsrechte vorm.
De tijd dijde uit.
Het leek even of ik stil in de lucht hing.
Gestrekt suisde ik naar beneden, de wind voelde rondom als een veilige tube.
In volkomen rust realiseerde ik mij dat ik mijn valscherm vergeten was.
De film van leven toonde zich aan het geestesoog als een lucide droom.
Ik zag mijn lichaam de eerste prijs winnen.
Zo diep was nog nooit niemand gevallen.

Wat willen dromen anders zeggen dan: “Je bent wakker, je bent wakker zijn.”