Auteur: openbaargeheim
Meisje of jongen in witte kimono?

Jonge kinderen kunnen de overtuiging hebben dat ze in het verkeerde lichaam geboren zijn.
In de fase waarin het geslacht neurologisch nog niet vastligt, is het volgens genderonderzoekers normaal om te twijfelen.
Zelf twijfelde ik lang of ik moest kiezen, tot mij duidelijk werd dat geen keuze beide mogelijkheden open laat.
Open laten leek mij de beste optie, het beste van twee werelden.
Bij de meesten gaat de voorkeur uiteindelijk toch naar het lichaam zoals het is geboren.
Zo niet, dan blijft het kind zich vreemd voelen en wil een ander lichaam.
Dat heet genderdysforie: niet blij zijn met het lijf.
Het roept bij mij een aantal vragen op: geven transgenders hiermee aan dat het lijf een voertuig is dat ingeruild kan worden?
Of in ieder geval dat er onderdelen vervangen kunnen worden?
En als het lichaam inderdaad een voertuig is, wie is dan de bewoner?
Of beter: wie is de chauffeur?
De neurologie kan in de hersenen nergens zo’n bestuurder vinden.
Niet te lokaliseren.
Door wat wordt het voertuig dan bezield?
Bij transgenders wordt het voertuig aangepast aan de wensen van de bestuurder.
De hardware wordt vervangen omdat de software dat vereist.
Dit is natuurlijk een ongeoorloofde vergelijking, want een mens is geen computer.
Toch zou je je kunnen afvragen of het aanpassen van de software niet meer voor de hand ligt?
Het lichaam is slechts maakbaar tot op zekere hoogte.
De geest lijkt tot alles in staat waar het gaat om aanpassing, acceptatie en creativiteit om andere mogelijkheden te benutten.
De geest is in principe vrij om welke identiteit dan ook aan te nemen.
Nog een boeiende vraag: wat maakt ons meer menselijk?
Schuilt de evolutie van de mens in aanpassing aan de gegeven mogelijkheden of juist in de maakbaarheid van de mogelijkheden?
Of in geen van beide, is er een derde weg?
Wie sleutelt aan zijn aannames en overtuigingen, verandert automatisch de waargenomen wereld.
Aannames en overtuigingen sturen, vervormen en filteren het waarnemen van de wereld.
Hoe ziet een wereld eruit zonder sturende aannames?
Je neemt even geen nieuwe aannames meer in dienst… kijken wat er gebeurt.
De betonovergang
Vage grote bonden
Blind vertrouwen
De kat las voor aan haar buurjongen.
“‘Het gaat om vertrouwen,’ zei de heks tegen de boze wolf in schaapskleren. ‘Drink het drankje nu maar gewoon op, het is voor je eigen bestwil!'”
Ze moest op haar kleine buurjongen passen.
Er mocht niets met de muis gebeuren, zo hadden vader en moeder muis haar op het hart gedrukt.
Goed oppassen dus!
“Waarom zou die wolf een heks vertrouwen?”, vroeg de jonge muis.
“Vertrouwen is goed, en blind vertrouwen is nog beter. Vertrouwen dat alles precies goed is zoals het is,” zei de kat.
“Maar waarom dan?”, vroeg de jonge muis.
“Omdat je het erger maakt dan het is als je niet vertrouwt,” legde de kat uit. “Daar zijn sprookjes voor, om je vertrouwen te leren.”
Steeds aan het einde van een sprookje leek de kleine muis te slapen.
Maar zodra de kat wilde zeggen ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’, deed de kleine muis één oogje open en zei: “Ik vertrouw het nog niet helemaal, vertel nog maar een sprookje.”
De oppaskat beloofde er nog één voor te lezen, de laatste dan.
Dit ritueel herhaalde zich net zo vaak tot de kat zelf in slaap viel, bovenop Het Grote Sprookjesboek.
Vervolgens kroop de kleine muis stilletjes uit bed en liep naar de voorraadkast om een stukje kaas te proeven.
Daarna maakte de kleine muis de voorleeskat wakker door zachtjes aan haar snorhaar te trekken.
De voorleeskat schrok verstoord wakker en schaamde zich omdat ze niet goed had opgelet.
Er had van alles kunnen gebeuren met die kleine.
Om het goed te maken las ze nog een sprookje voor.
De muis genoot in blind vertrouwen.
Abstracte figuratie

Het wonder van de eerste keer is het eenmalige.
Het geheugen gooit soms roet in het eten.
De tweede keer dreigt dan een weerspiegeling van de eerste keer te worden: een slap aftreksel van die verse, unieke eerste keer.
Als dat zo werkt, is de eerste keer een brandmerk geworden waar latere keren niet aan kunnen voldoen.
Ik heb lang getwijfeld aan het onderscheid abstract en figuratief in de kunst.
Er klopte iets niet, ik kon het alleen niet verklaren.
Mijn stelling is nu, dat je geen enkele abstracte vorm kunt bedenken die vormloos is.
Die illusie kun je alleen koesteren als je die vorm eenmalig zou zien.
De vorm zit echter in je geheugen, dus als je er maar aan denkt is die vorm al iconisch geworden: je herkent de vorm, hoe vormloos die zich ook toont.
Het vormloze wordt dan de vorm.
Met figuratief worden herkenbare vormen bedoeld, verwijzend naar de realiteit.
Hoe de ‘werkelijkheid’ ook wordt geabstraheerd, zolang je er iets in herkent, geldt het als figuratief.
Wie de natuur onderzoekt, ziet dat er veel vormloosheid (abstractie?) in voorkomt.
Iedereen kent wel de Rorschach-test waarbij lukrake, gespiegelde inktvlekken worden getoond.
De kijker mag die dan interpreteren.
De meeste mensen projecteren herkenbare objecten in de figuratie, zoals men in wolken van alles denkt te herkennen.
Slechts een enkele waarnemer verklaart: “Ik zie hier een inktvlek die gespiegeld is, doordat de bladzijde is dubbelgevouwen.”
Dat de onderzoeker niet anders verwacht dan dat men gaat projecteren, speelt een bepalende rol.
Over het algemeen wil de onderzochte graag goed presteren en beantwoorden aan verwachtingen.
De spiegeling geeft trouwens mooi aan hoe herhaling van een lukrake vorm een bedoelde vormgeving suggereert.
In de muziek werkt het ook zo, met dit verschil dat een melodie zich chronologisch in de tijd ontwikkelt.
Als er zich in die melodie geen herhalingen voordoen, dan ontstaat er geen vorm.
De gangbare muziekstromingen gebruiken herhaling als vormgevend principe.
Herhaling is spelen met de menselijke verwachting.
Zonder geheugen zou verwachting niet bestaan.
In de twaalftoonsmuziek — dodecafonie — is dit principe uitputtend toegepast: vooral geen herhalingen, maar steeds variabele intervallen.
Eigenlijk zou je deze muziek kunnen typeren als het krampachtig vermijden van herhaling, in de hoop iets unieks en eenmaligs te creëren.
Als deze werken eenmalig uitgevoerd zouden blijven, dan zou je weer de illusie van vormeloze abstractie kunnen hebben.
Met vele van deze werken is dat ook het geval geweest, ze waren kennelijk niet iets waar het publiek op zat te wachten.
Bij de tweede uitvoering zou het publiek het werk al meer gaan herkennen en bij frequente beluistering zou er zelfs een verwachtingspatroon ontstaan.
Hoe kun je nu het brandmerk van de eerste keer vermijden?
Ten eerste: door niet te proberen iets te vermijden.
Ten tweede: door het geheugen niet te koesteren, niets te willen vasthouden als herinnering.
Ten derde: door je te realiseren: “Als ik eerlijk ben, weet ik niet wat ik zie. Iedere definitie doet de werkelijkheid te kort.”
Zo zou iedere keer weer opnieuw een eerste keer kunnen zijn.
Fiets heen

Hoe ik leerde fietsen…
Eigenlijk vergelijkbaar met hoe de meeste mensen sexuele voorlichting krijgen.
Je was al jaren praktiserend voordat je ouders met informatie kwamen omtrent het ontstaan van het mensenleven.
Met deze nuancering, dat mijn ouders nooit over de brug kwamen met deze onthullingen.
Zo fietste ik ook al jaren voordat ik zelf een fietsje kreeg. Op de fietsen van vriendjes kreeg ik vleugels.
Hard en schuin door de bocht.
Soms vloog ik uit de bocht, dat krijg je met vleugels.
Op een verjaardag, welke weet ik niet meer, stond er onder een beddelaken
een blauw fietsje, duidelijk al uitgebreid ingereden, gezien de kleine beschadigingen.
Ik was dolblij en fietste er meteen op weg.
Mijn ouders riepen verheugd:
‘Hij kan fietsen die jongen, kijk hem eens gaan!’
Ik fietste me suf, gaandeweg voelde ik dat er iets aan de hand was, maar wat?
Ik moest doortrappen, steeds sneller, probeerde te remmen maar de trappers maalden door.
In blinde paniek wist ik niet meer waar ik heen reed.
Met een klap ramde ik de portiekdeur van onze etageflat.
Er zat geen rem op de fiets.
Het was een doortrappertje.
Ik had meteen de pest aan het blauwe fietsje.
Je kon er alleen op een slakkegangetje veilig mee vliegen.
Een vogel die zo traag zou vliegen zou zo uit de lucht vallen.
Ik zou blijer zijn geweest met een dooie mus.
De gebruiksaanwijzing die mijn ouders mij meegaven voor het leven luidde ongeveer zo:
Fiets heen en vermenigvuldigt u…zonder rem.
Onderhuur

Ooit verhuurde ik een bovenkamer aan een obscuur personage.
Hij was komen aanwaaien, zocht onderdak voor zijn kind.
Voor ik er erg in had, had hij de gemeubileerde ruimte helemaal uitgewoond.
Hij was nogal een uitgeblust figuur, had een kind dat veelal sliep.
Ik werd gewaarschuwd dat zijn kind licht ontvlambaar was.
Huur werd niet betaald.
Gaandeweg werd het meubilair — geërfd van mijn ouders — uit het raam gegooid.
Gebrek aan geluidsoverlast was aan de orde van de dag, de stilte was om te snijden.
Met zachte hand probeerde ik hem eruit te zetten, maar hij verschanste zich in zijn onneembare fauteuil.
Ik gooide een steen door mijn eigen ruiten, sloeg een spijker door de muur om mijn nieuwe zelfbeeld op te hangen.
Geen enkele reactie, de huurder verschuilde zich achter zijn krant.
Vervolgens probeerde ik een gat in de vloer te zagen waar hij zat, maar ik had de plek verkeerd ingeschat.
Met een sloopkogel ramde ik vervolgens de pui aan puin.
Het peertje aan het plafond slingerde woest heen en weer.
Plots was er die zee van vuur.
De hele bovenkamer brandde af.
Het kind was ontvlamd.
De bovenkamer werd onbewoonbaar verklaard en vreemd genoeg onverklaarbaar bewoond.
Maar door wat of wie?
Het duurde een tijd voor ik naar boven dorst om te gaan kijken.
Tot mijn verbazing vond ik daar het kind.
Een spelende kind, in de open ruimte.
Onverwoestbaar.
Achtervolging

De stoel was een beetje paranoia, bezeten door een idee.
Ja, ideeën moeten ook zitten, anders zijn ze nergens op gestoeld.
De stoel had het idee te worden achtervolgd.
Door wát wist hij niet, maar hij werd bekeken.
Door dat idee ging hij het ook zo voelen.
Op een of andere manier leek iets veel echter als je het voelde.
Zelfs iets denkbeeldigs leek dan werkelijk te bestaan.
Toen de stoel echt last kreeg van zijn achtervolgingswaan, zocht hij hulp bij de lamp.
De lamp — een kaal, onooglijk peertje dat aan het plafond hing — had wel meer meubelstukken geholpen.
Door simpelweg het probleem van alle kanten te belichten, loste het vaak vanzelf op.
De stoel legde het probleem voor aan het peertje.
Vrijwel onmiddellijk wist het peertje dat het hier een ingebeeld probleem betrof.
Uitleggen aan de stoel dat het denkbeeldig was, zou niet helpen; de stoel was overtuigd van de juistheid van zijn gevoel.
Daarom zei de lamp: “Luister, het klopt. Je wordt achtervolgd, waar je ook gaat.
Hij volgt je overal. Maar maak je niet ongerust, het is je vriend, je eigen schaduw.”
De stoel was opgelucht.
Nu wist hij tenminste zeker dat hij achtervolgd werd en door wat.
Hij voelde zich gesteund door zijn trouwe achtervolger.
Vanaf dat moment waren ze onafscheidelijk.
De stoel dankte de lamp voor het belichten van het probleem.
Het peertje belichtte de hele bovenkamer, ze had er nog nooit een schaduw gezien.
Overal waar het licht scheen, verdween de schaduw met de snelheid van het licht.
Nul
Het is belangrijk om steeds weer het wiel uit te vinden.
Die geesteshouding, die bestaat uit een naïef soort verwondering, is heel waardevol.
Als een kind het wiel uitvindt, dan heeft zij zich het wiel eigen gemaakt.
Het wiel draait om de as.
Zonder die lege as draait niets.
Lau-Tse zei het al: alle gebruik komt van leegte.
Waar komt creativiteit vandaan?
Niemand weet het, omdat op het moment van creatieve stroom er niemand is.
De bovenkamer is leeg, vacant.
Het is een simpele wet dat ergens pas iets in kan als er ruimte beschikbaar is.
De nul is een mooi symbool voor die beschikbaarheid.
Benulzijn is nog mooier, omdat dit woord de bewuste aanwezigheid van die beschikbare ruimte weergeeft.
Het kanaal gaat open voor alles wat zich aandient.
Vertrouw op dat wat zich aandient, het is precies wat je op dit moment nodig hebt.
Je moet echter wel je kieskeurigheid overboord gooien: alles is welkom, onvoorwaardelijk.
Heerlijk om zo te leven, want plotseling klopt het hele bestaan.
Wat zich aandient is geheel congruent met wat je wilt, zoekt, vindt.

Voor buitenstaanders ben je een wereldvreemde gek.
Wat je doet lijkt in hun ogen zinloos.
Je bent niet doelgericht, niet aan het worstelen met de materie.
Je vindt achteraf soms pas toepassing voor wat zich heeft aangediend.
Je zoekt geen zin, het proces van stromen is je zin.
Wie heeft er geen zin in om te stromen?
Onvoorwaardelijk zijn is eng.
De uiterste consequentie is dat je bereid bent om nu te sterven als het moet.
Elke mystieke traditie gaat in essentie om sterven voordat je sterft.


