Pensionada


Ik lees graag in het vergeten werk van F. Wildesheim, doorspekt met aforismen.
De man heeft vele onzichtbare dingen gedaan in zijn leven, maar nooit gewerkt. Wildesheim was in zijn tijd de eerste pensionada, geen pensioen, niks nada. Het is raar om in de verleden tijd over Wildesheim te schrijven. Hij zou nog heel goed in leven kunnen zijn, maar hij is volledig uit beeld verdwenen. Dat was ook zijn enige ambitie; volledig uit beeld verdwijnen… Eerlijk gezegd staat ook niet vast dat Wildesheim een man is…was?

“Werken is het beoefenen van de nobele kunst om nooit iets te doen wat je fijn vindt, en dat tegen betaling van smartegeld”

“Doe dat wat je fijn vindt, zo fijn dat je het ook gratis zou doen, omdat je het niet laten kan. Wie zo te werk gaat zal nooit werken”

“Het horloge is als de zweep van de slavendrijver, maar dan zonder slavendrijver, het horloge werkt zelfstandig en slaat de drager met de tijd om de oren”

Dat klinkt wel erg gemakzuchtig, we hebben de tijd toch nodig? , zo klinkt vaak de kritiek op Wildesheim.

“Ja, wat zou we zonder de tijd zijn, we zouden ronddobberen in de eeuwigheid, wat een straf!”

Hoogdiepte


Photo ©JelleTouw 2017

Gevels spreken heden stenig
met hun houtkozijnen monden.
Ze spreken voor zich zelf,
ingenomen en genoegzaam,
hun oogleden zijn gordijnen.

Gevels kijken neer, met hun vensterglazen ogen,
neer op de puipissende honden en de blinde,
doofstomme tegels daar ver beneden,
dat voetvolk der stenen.

Verheven gevels miskennen de bodem als ijkpunt,
als nulpunt van waar elke hoogte en diepte wordt gemeten.

Alleen het hemels blauw schijnt onmeetzaam te weten,
zonder positie in te nemen peilt ze feilloos elke hoogdiepte.

Autobiografictie


Schrijven is schrappen, zo gaat het verhaal.
Een eersteklas fabeltje als het om het autobiografische gaat.
De ‘verkeerde’ woorden die de schrijver schrapt bevatten waarschijnlijk meer echte autobiografische informatie over de schrijver dan de ‘mooie, juiste woorden’ die de schrijver publiceert. Het beeld dat een mens van zichzelf ophangt komt natuurlijk nooit met de werkelijkheid overéén.
Het onwelgevallige, het pijnlijke en het onaanvaardbare toelaten zou meer autobiografisch gehalte opleveren.
Toon de kinderen van opvoedkundigen en zie hoe kundig hun opvoeding is.
Bekijk het dagelijks leven van de filosoof en zie of hij zijn filosofie leeft en waar maakt.
Observeer alleen diegenen die zich onbespied wanen en zie dan hoe ‘normaal en/of knettergek’ de mensen zijn, en hoe gek jezelf bent om daar naar te kijken…

Zelfs als een schrijver zichzelf aan de kaak stelt is het om uiteindelijk beter voor de dag te komen, als een eerlijk en goed mens.
De echte ziekte is de beeldvorming zelf en moeten voldoen aan dat denkbeeldige beeld, wat een onmogelijke opgave is.
De enige genezing is : maak nooit een beeld van jezelf, nooit een beeld van de wereld, nooit een beeld van het ultieme. Geen beeld maken sublimeert.
Met de vernietiging van de kaart wordt het gebied herboren.

Valse Sentimentale


Japanse tekenfilmfiguren hebben steevast veel te grote ogen. Absurd grote ogen met een betraande glans die dwingen te vertederen. Die vertederingsdwang oogst wereldwijd veel succes.
Het is het ‘zigeunerjongetje met traan’ in het kwadraat.
Valse sentimenten opwekken heeft te maken met die dwang.
Het is berekenend, manipulatief. Het mechaniek van het sentiment wordt bewust ingezet om de kijker te manipuleren. Het grote oog is geen momentopname. De figuren lopen er de hele film mee te koop.
Kinderen kunnen dat al heel jong aanleren, hun ouders bespelen om hun zin te krijgen. Het valse sentiment is een cliché omdat het surrogaatgevoelens opwekt.
De Japanse tekenfilmindustrie kweekt valse sentimenten en makkelijk manipuleerbare burgers.

Moderne dans


Mijn hond wil niet poseren. Hij lijkt de baas wel.
De hond is zijn eigen baas, want hij poseert nooit.
Altijd kijkt hij niet in de camera, dwars door mij heen.
Of hij kijkt moedwillig weg.
Waarom het vluchtige leven vastleggen in een beeld.
Vastleggen als een hond aan de ketting?
‘Hou toch op man, wanneer gaan we wandelen?’, zegt zijn hondenoogopslag.

De laatste tijd horen we zijn pootjes beneden aan de trap weifelen.
(Een cadans van nagelgekrabbel op het zeil)
Welke poot eerst? Links of rechts. Je ziet de twijfel fysiek worden, als een ‘modern dansje’ van repetitieve impulsen.
Anne Theresa de Keersmaeker kan er nog een puntje aan zuigen.
Soms nemen de voorpoten twee treden en treden dan weer terug, tot zijn eigen verbazing. Onthutst kijkt hij omhoog.
Andersom dan nog eens. Hoe zat het ook al weer?
Het verschijnsel is een mooi voorbeeld dat honden kunnen denken.

Ook hierin lijkt hij op de baas. De baas voelt soms zijn voeten weifelen als hij de trap te snel afdaalt.
Alleen stilstaan kan de cyclus herstellen.
De baas weet eerlijk gezegd ook niet welke voet hij eerst moest zetten, eigenlijk doet hij maar wat.
Alleen met opstaan neemt de baas geen risico, dan stapt hij altijd met twee benen tegelijk uit bed.
Om zeker te zijn dat het goede been er bij zit.
Niet nadenken en dan pas doen, zou F. Wildesheim zeggen.

Nabeeld


Na een lange binnenlandse vlucht onder water kwam ik eindelijk bij de uitgang.
Het licht van de ondergaande zon verblindde mijn ogen zo dat er een groen nabeeld gloeide in mijn oogbol.
Geleidelijk raakten mijn ogen gewend aan die roze zon,
ze zagen een vleeskleurig landschap vol welvingen.
Het was benauwd geweest onderweg in de nauwe gang.
Mijn binnenwereld snakte naar frisse lucht.
Gelukkig had ik geen kleren aan. Het roze landschap omringde mij.
Bomen van vlees raakten mij aan, tilde mij op.
Planeten met gezichten zweefden langs en maakten vreemde geluidjes. Een nieuwe zon ontstak zich middenin de binnenwereld, die onzichtbare zon die sindsdien alles heeft zien gebeuren.

Al Capone


De vermaarde belgische kunstenaar Luc Tuymans maakt zijn werk naar aanleiding van foto’s.
‘Slechte foto’s’, zoals hij zelf oordeelt. Wazig, onscherp.

‘Dat is nu precies de onscherpte die ik zoek in mijn portretten van mijn foto’s’.
‘Mijn oude I-phone is precies slecht genoeg, daarom koester ik hem!’

Het is alsof je het werk van Tuymans door een lichte mist ontwaart.
Wimperschilderingen. Je kunt de contouren pas aanscherpen wanneer je geconcentreerd tussen je toegeknepen oogharen door tuurt.
Die moeite is de moeite waard.
Je ziet meer met bijna dichte oogleden.

Pleister


Schilderij, Diego Rivera, Mexico 1931

Wij werden achter onze ruggen om ‘de familie kaktus’ genoemd, gedempt gekonkel alom.
Een pijnlijke geschiedenis die onze ruggen heeft vereelt, zoals bij de schildpad het geval is.
Misschien kwam het omdat we kaal waren, nagenoeg haarloos, een enkel eenzaam sprietje daargelaten. Wanneer wij ergens binnentraden bevroor onmiddellijk de atmosfeer, waarna een besmuikt gegniffel zich met tegenzin verspreidde. Een genetische speling van het lot liet onze hoofdhuid onbegroeid.
Inderdaad, ook onze moeder. Is het niet eigenaardig dat kaalte op een vrouwenhoofd een exotisch fenomeen blijft, zogenaamd onvrouwelijk, terwijl het mannenhoofd er mannelijker van schijnt te worden.
Als kaalgeborene miste ik nooit de haardos die ik bij anderen zag. Pas op het moment dat ik werd uitgescholden, uitgejouwd en uitgelachen begreep ik dat er iets aan mij ontbrak.
‘Kale cactus!’, heette ik.

Mijn moeder was een trotse vrouw, nooit overwoog ze ook maar één moment om haar kaalte te verbergen onder een pruik. Ze toonde overal onverveerd haar ‘kale kets’, zoals mijn vader liefkozend zei als hij over haar bol aaide.
Des te vreemder dat ze mij wilde beschermen tegen de onverholen minachting en agressie van de ons omringende haardragenden. Talloze pruikjes kocht ze voor mijn arme hoofd. Eerst mutsjes, petjes, hoedjes, daarna kwamen de haarvlechtwerken. Vanwege mijn snel groeiende schedel moest ik ieder jaar een nieuwe haarprothese. Als ik in bed lag pulkte ik de lijmresten van mijn hoofdhuid. Tot mijn veertiende ging dat door. Gelukkig kreeg ik toen exceem op mijn hoofd.
Wat een bevrijding, ik zag er niet uit, beschilferd.
Mijn hoofdhuid aan de frisse lucht blootstellen voelde alsof het uit de gevangenis was ontsnapt. Mijn moeder legde zich er schoorvoetend bij neer. Acceptatie is de pleister op alle wonden, al blijft het lang najeuken. Nu was onze hele familie kaal. Het leek er achteraf op dat ik het laatste verweer was geweest tegen de totale kaalslag. Ook het exceem verdween. Een verademing; ik hoefde het niet meer goed te maken.
Nog altijd heb ik een zwak voor de egel onder de planten, ze voelen aan als familie.